OVER DE NADERE VERKLARING
I.
De opstellers van de Open Brief zijn op allerlei punten in die brief uiteraard beknopt gebleven. Toen van de synodus contracta (Breed Moderamen) en de meerdere vergaderingen der Kerk vragen werden gesteld over de wezenlijke bedoelingen en de praktische consequenties van deze brief, is door de 24 een Nadere Verklaring gepubliceerd, die de bedoeling heeft de achtergronden van de Open Brief toe te lichten. Mij is bij de verdediging en verklaring van de standpunten, zoals die in de zeven stellingen van de Open Brief zijn samengevat, gebleken op een niet nader te noemen classicale vergadering; dat toch nog allerlei vragen terecht of ten onrechte blijven bestaan. De volgende regels herhalen wat daar te berde werd gebracht en willen tevens dienen tot informatie van hen die in kerkeraads-of classicaal verband zich nog op de Nadere Verklaring zullen gaan bezinnen.
In de Hervormde Kerk is iets aan de hand dat lijkt op algehele uitverkoop tegen spotprijzen waar het de geloofsleer betreft. Dat hoeft ons niet te verbazen, want in het herderlijk schrijven „Over de belijdenis der Kerk en haar handhaving" 1961 stelt de Generale Synode op blz. 10 — „In elke tijd is de mens er voor Gods aangezicht weer anders aan toe. Wij moeten de vaderen niet napraten, maar zelf hun taak overnemen". De eerste zin wordt uitgelegd als: „Men kan zonder enige twijfel stellen, dat de centraal-religieuze kwestie in alle eeuwen eender is", anderzijds als: „Niemand beleeft deze centraal-religieuze kwestie naakt . . . Zelfs de binnenste kern van het menszijn voor Gods aangezicht beleeft men in de verschillende eeuwen verschillend". Dat is zeer dubieus. „In de vierde eeuw lag bijvoorbeeld het zwaartepunt in het artikel van het eeuwige leven, in de zestiende eeuw in dat van de vergeving der zonden". Een totale misvatting van Cyprianus, Augustinus en Calvijn! Evenwel, die tweede zin, over het overnemen van de taak der vaderen: waar heeft dat in de afgelopen zeven jaar toe geleid? Tot een tamelijk modalistische pneumatologie., Dit is een leer van de Heilige Geest, waarbij de eigenheid en het persoonzijn van de Geest niet tot uiting komt. Berkhof houdt in „De leer van de Heilige Geest" zeer weinig van de Geest als persoon over, en er zou hier meer te noemen zijn op dit punt.
Tot een Bijbelbeschouwing in „Klare Wijn", die de gemeente niet raakt, omdat zij de gemeente verdacht maakt. Blz. 199 — „Merkwaardig is trouwens, dat bij de gewone preek in een christelijke gemeente bijna geen mens zich over dit gezag (van de Bijbel) bekreunt. Men gaat naar de kerk tot zijn eigen stichting, maar of de prediker werkelijk de Bijbel tot spreken brengt, daarover bekommeren zich maar heel weinigen. De enige vraag is meestal, of men aan de preek iets gehad heeft’”.
Verder tot een ondermijning van de Dordtse leerregels in „Enige aspecten van de leer der uitverkiezing"; ik hoop dit binnenkort in een apart geschrift duidelijk te maken. Hoe de synode van haar kant dit rapport van een kommissie uit de Remonstrantse Broederschap en de Hervormde Kerk heeft kunnen accepteren, is mij een raadsel.
Nu gaat het ons slechts terzijde om deze verschijnselen, hoe belangrijk ook, maar het is ons te doen om de oorzaak. 'Heeft niet de concentratie op Christus als het hart der verkiezing, als de uitsluitende Openbaring Gods, als het Woord waarvan de Schrift getuigt, als Openbaarder = Openbaring, èn bij Barth èn bij Bultmann en zijn leerlingen èn in een groot stuk van de God-isdood-theologie die vrijheid geschapen om het geheel van de dogmatische hoofdzaken, dat vroeger vaststond van de eerste protestantse dogmatiek van Melanchthon af, te herordenen? Natuurlijk heeft - om 'n voordbeeld te noemen - ook de Nadere Reformatie verschil in ordening gekend. Brakel stelt de verkiezing op een andere plaats in de dogmatiek dan Calvijn en begint met de kennis Gods uit de natuur, een inzet die men bijv. bij a Marck op deze manier tevergeefs zal zoeken. Maar dat weegt voor mij minder dan dit totale denken vanuit Christus, alsof de Vader niet God was! Alsof de Geest niet God was! Om dan maar te zwijgen over afdwalingen bij de verhoging, opstanding en hemelvaart, bij iemand als Dorothee Sölle.
Waarom spreekt de „Nadere Verklaring" dat wij Christus belijden als de opgestane en ten hemel gevaren Heere, aan Wie alle dingen en machten onderworpen zijn (art. 1) en waarom volstaat „Gemeente van Christus nu" — de antwoordstellingen van de synode — met te zeggen dat God Zich ten volle in de geboorte, het leven, het lijden, de dood en de opstanding van Messias Jezus heeft geopenbaard? Is Christus' woord bij de hemelvaart: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde", geen Zelfopenbaring Gods? Daar moet de gemeente juist van leven! Waarom dan niet ook de hemelvaart en liefst daarbij de wederkomst genoemd?
Het grote verschil tussen Aalders' en Bijlsma's stellingen — namens de synode — is niet dat beide verschillend beginnen. Beider concentratie op Christus en de leer van Christus valt ons op. Maar 't grote verschil is dat Christus' Persoon en werk geheel verschillende nadruk krijgen. Bijlsma meent — en hij meent dat ernstig — dat de verontrusting over het opofferen van de prediking aan de tijdgeest een gemeenschappelijke verontrusting is. Vandaar dat hij in stelling 1 van de Gemeente van Christus nu de heilsfeiten als basis van kerkelijk belijden, geloven en handelen sterk naar voren schuift.
Toch zijn de consequenties die Aalders en Bijlsma trekken, verschillend. Bij Aalders wordt Christus omschreven als de Knecht Gods, die de heilige Wet Gods volkomen vervuld, en alle gerechtigheid voor ons volbracht heeft; de enige en algenoegzame Zaligmaker van een wereld, verloren in zonde en schuld. Hij heeft in Zijn priesterlijk lijden en sterven het volmaakte zoenoffer voor de zonde van de gehele wereld gebracht. Hij heeft vrede gemaakt door het bloed des kruises als Middelaar.
Bijlsma gaat niet uit van de schuldverzoening, maar van de openbaring Gods in Messias Jezus, en van de verkondiging van het Koningschap van God in de wereld, waarbij Christus' onmacht de ware macht. Zijn verzoenend lijden en sterven de ware verlossing. Zijn dood het ware leven 'betekent voor allen, die op Hem hun vertrouwen stellen.
Ik voel hier een groot verschil. Bij Aalders gaat het voor en na om Christus als Verzoener en Schulduitdelger en wordt niet begonnen met Zijn koningschap, bij Bijlsma is de verzoening ondergebracht bij bet koningschap van Christus en blijkt zelfs Christus' verzoenend lijden en sterven niet zozeer verzoening alswel verlossing te betekenen. Dat is mij te weinig het hart van de zaak, dat heeft mij te weinig met de rechtvaardigmaking door het geloof van doen, en zogoed als de verzoening niet zonder meer met verlossing gelijkgesteld mag worden, zo mag Christus' dood niet zond.er meer met het leven gelijkgesteld worden. „Ik ben de opstanding en het leven . . ." „Wat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven, maar dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo, ook gijlieden, houdt het daarvoor ...”
Waar ik erg blij mee ben, is dat de Wet bij Aalders voorkomt als de straffende Wet, in zijn usus elenchticus (weerleggende functie), als tuchtmeester tot Christus, naar Christus toe (Gal. 3 : 24 en 25). Bij Bijlsma vind ik alleen de Wet als regel der dankbaarheid en als Thora, als onderwijzing. Iemand vroeg zich af, wat Aalders met die Wet en de vervulling daarvan bedoelde. Welk deel van de Wet?, vroeg hij. Ik heb hem daarop bovenstaand antwoord gegeven, en wil nu opnieuw stellen dat, waar deze tuchtmeester tot Christus niet gekend of erkend wordt in theologie en kerkewerk, wij een Christus stelen, Die ons niet toekomt, en wij lichtvaardig spreken over het koningschap van Christus zonder de achtergrond daarvan in volle diepte te peilen. Christus is een reddende Koning, een Verlosser in de verzoening en een Verzoener tot verlossing. En waar men buiten de Sinaï om over Christus' verlossing en koningschap gaat spreken, daar heeft men niet met de Gezalfde Israëls te maken, daar geldt: Mijn koningschap is niet van deze wereld”.
Eveneens een aanzienlijk verschil tussen Aalders en Bijlsma — om in hun namen „Nadere Verklaring" en „Gemeente van Christus nu" samen te vatten — is het spreken over de toekomende dingen. Aalders zet deze zaken in het slot van art. I, dus onder de leer aangaande Christus. Bijlsma spreekt erover in St. 4 van Gemeente van Christus nu. Wel erkent Bijlsma dat de Kerk de heerlijkheid van het Rijk van God in de gehele schepping verwacht door het laatste gericht heen, maar deze toekomstverwachting blijkt in de toelichting op die stelling vooral te maken te hebben met de christelijke hoop en met het streven naar een betere wereld, alsmede met de verantwoorde werkzaamheid van mensen, die een goed woord bij God vindt.
De voorlaatste dingen, dat wat aan 't einde direkt vooraf gaat, de apocalyptische strijd tussen Christus en de duivel, de toespitsing van tegenstellingen inzake geloof en ongeloof, de taal van de Openbaring van Johannes vindt men in deze stellingen niet, maar in de Nadere Verklaring wel terug. Is deze apocalyptische taal in de Bijbel bijzaak of wezenlijk? Zijn de beelden van de Openbaring puur toevallig of niet? Heeft Bijlsma gelijk, wanneer hij het alleen maar heeft over een strijd om de aarde bewoonbaar te maken?
Ik dacht dat dit geen punt was tussen de synode en de 24. Maar ik dacht ook dat men wat minder snel moest grijpen naar de volmaaktheid van het Koningschap Christi en gerust ook eens aandacht mocht schenken aan de voltooiing van de strijd tussen Christus en satan. Of moet daar de ontmythologisering over? Denken wij te spookachtig over de verwereldlijking? Heeft De Graaff gelijk gehad, toen hij het optimistisch spreken in de Herv. Kerk over de secularisatie óf naïef of boosaardig (nl. misleidend) noemde? Roert de duivel zijn staart of niet, of hebben we allang met de duivel afgedaan? Heeft Barth gelijk wanneer hij in K.D. III/3 stelt, dat wie werkelijk ernst maakt met duivel en hel, slechts daarmee ernst maakt dat Jezus Christus Overwinnaar is? Ik vond dat en vind het nog een smal slot aan Barths voortreffelijk vertoog over engelen en demonen.
Opvallend vroeg spreekt de „Nadere Verklaring" (art. II) over de gemeente om in art. VI te spreken over de Kerk als lichaam van Christus waar de gemeente heengroeit. Opvallend laat, nl. pas in St. 5 spreekt „Gemeente van Christus nu" over de gemeente. Ik geloof niet dat het juist is om pas over de Kerk te gaan spreken na het belijden, na de bevrijding in de wereld door Gods Koningschap, na de eschatologie. Bovendien wordt de gemeente in st. 5 nogal functioneel en naar buiten gericht beschreven en zeer weinig als de heilige vergadering dergenen die zalig worden. Dat is in de „Nadere Verklaring" anders, al zouden wij minder voor wilde loten en ook niet direct voor het voortkomen der gemeente uit de synagoge voelen. Cultisch is daar veel voor te zeggen, leerstellig denke men toch vooral aan Israël en de Schriften, waar de gemeente uit voortkomt. Maar heel sterk staat de Nadere Verklaring daarin, dat zij de gemeente in verband brengt met de verkiezing en met het erfgenaamschap van Christus en al Zijn weldaden. Een vrager vond de „Nadere Verklaring" op veel punten slordig opgesteld. Ik dacht dat deze zinsnede als velen in dit geschrift klassiek is (Catechismus!), en dat zo in alle duidelijkheid het dubbele verticale leven van de Kerk is beschreven: zij is geheel van boven af, nl. door Christus in Woord en Geest, èn geheel van onder af, nl. door haar leden in het geloof. Maar in beide gevallen is de richting van belofte en geloof vertikaal. Hield men daar toch meer rekening mee in prediking en pastoraat, de helft van de bezwaren der bezwaarden waren voorbij, en het apostolaat was geen punt meer tussen ons.
(Wordt vervolgd).
Kinderdijk C.A. Tukker
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's