De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VOORBIDDER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VOORBIDDER

8 minuten leestijd

„doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt". Exodus 32 vs 32b.

De middelaar is de voorbidder. Dat wordt ons in deze geschiedenis wel duidelijk. Het woord vergeven valt in de voorbede, dicht bij Gods oor, dicht aan Gods hart. Is het te veel gevraagd? Het komt hem ineens zo groot voor, zo onmetelijk groot. Kan het eigenlijk wel? En als het niet kan, ... zo delg mij uit uw boek, dat Gij geschreven hebt. Wij weten nauwelijks wat Mozes met dat boek bedoelt en wij moeten aan beeldspraak denken. Soms hoort u over Gods boeken spreken, alsof het de akten van een notaris betreft, die veilig opgeborgen in de kluis van de eeuwigheid, tevoorschijn gehaald worden om er kennis van te nemen. Maar dan schort het aan de kennis van de levende God, die geschreven heeft.

De beeldspraak van het boek en de boeken, moet telkens in het verband van de kennis Gods uitgelegd worden. Hier betekent het in ieder geval: geen deel hebben aan het heil des Heeren, geen naam dragen voor God, er buiten vallen. Zo volstrekt, dat God zal zeggen: Mozes, zijn naam staat er niet in, die man ken Ik niet. Wat moet er door hem heengegaan zijn toen hij dit, in uiterste bewogenheid, zei. Hij gooit zich voor de wielen van Gods gerichtswagen. Rijdt maar over mij heen, als het volk zo kan worden gespaard. Hij waagt zichzelf er aan. Want dat zal wat zijn: Onze namen niet in bet boek, dat God geschreven heeft.

Onbegrijpelijk! Wij denken: als ik er maar kom. Mozes zegt: als Israël maar gered wordt, en Uw Naam verheerlijkt. Hier is de middelaar aan het woord. Gisteren nog had de Heere hem een ander voorstel gedaan: Ik trek mijn handen van dit volk af. Ik zal hen aan het verderf overgeven. U zal Ik tot een groot volk maken. Wat een kans! Hij had die toen niet gegrepen. Hij had, diep ontsteld, geroepen: Dat kan niet Heere; wat zouden de Egyptenaren zeggen; denk aan Abraham, Izaäk en Jakob. Ik wil niet bevoordeeld worden ten koste van dit volk, dat laat trouwens uw naam niet toe!

Dit is nog veel verstrekkender. Ik wil veroordeeld worden, als dat mijn volk. Uw volk, ten goede komt. Als daardoor de verzoening en de vergeving over hen van kracht worden. Hier ben ik Heere, doe met mij, wat zij verdienen. Schrijf mij maar af, schrijf hen maar in. Schrap mij maar, doch zet geen streep door hun namen. Zet geen streep door Uw eigen naam, door uw woord, door uw trouw. Doch zo niet!... laat uw toorn zich tegen mij keren en neem hen weer in genade aan.

Dit is een gebed, waarbij wij de adem inhouden. Een gebed, dat niet verhoord wordt. Het offer dat hij aanbiedt wordt niet aanvaard. Toen zei de Heere tot Mozes: Die zou ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt. Dat is Israël! Is de voorbede dan tevergeefs? Loopt Mozes, de middelaar, zich te pletter tegen de muur van het onherroepelijke oordeel? Wie verder leest — dat doet u toch, hoop ik — weet beter. De Heere gaat over uitstel spreken. Hij zal zijn Engel voor hen doen heengaan om hen te leiden. Mozes is, o wonder, aan de winnende hand. Verzoening en vergeving klinken echter nog niet in ronde woorden, het is nog niet beklonken. Het ver'haal wordt vervolgd.

Wanneer wij ons rekenschap geven, van wat hier plaats grijpt, worden wij met de neus op de feiten gedrukt. Wat maakten wij toch van God, alsof verzoening en vergeving de gewoonste zaken van de wereld zijn. Alsof dat geen voeten in de aarde heeft; alsof dat geen kruis in de grond heeft waaraan Christus hing. De Heilige Geest ontdekt er ons heden aan. Mozes ziet het scherp: Indien niet. Het kost ons alles, of het kost God alles.

Het mag mij alles kosten verklaart Mozes hier. En met hem een Abraham, een Jeremia, een Paulus: Ik zou zelf wel wensen velbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen. Zij wisten het, dat genade niet goedkoop is. Verstaan wij er ook wat van? Mozes keerde weder tot de Heere. Blijven we op de begane grond en doen wij daar navraag naar de zonde, dan horen wij niets van deze laatste ernst. Vandaag zeker niet, nu men er amper meer van rept. Nu zonde en genade, als bekend verondersteld worden, daar gaan we niet nader op in, er zijn andere dingen, waarover wij ons druk maken. Wat een vergissing! Het is de roeping van ieder prediker, om daar nu net op in te gaan, want de nood der gemeente is, dat zij de diepten niet peilt die in deze woorden worden aangeduid. Neemt een voorbeeld aan Mozes.

Daar boven, — wie klimt de berg des Heeren op? — vóór Gods aangezicht kan het niet bedekt blijven: De zonde is dodelijk ernstig. Wie gaat er met Mozes mee? Niet om met de wet zalig te worden, dat niet. Veeleer om door de wet, de zonde te leren kennen. Met hem mee, een eindweegs maar. Dan drukt ons de schuld, dan ontzinkt ons de moed. Zo Gij in 't recht wilt treden, o Heer'. Daar hoor ik Mozes zeggen: Delg mij uit uw boek. Ik schrik er van. Toch leer ik het fluisteren: mij, Heere, ik heb gezondigd. Daar valt iemand Gods recht toe; daar valt iemand niet zichzelf om, daar valt iemand er buiten. Nee, zegt u, dat niet. Dan ga ik niet mee. Dat gaat te ver. Het gaat ook zo ver, dat wij het niet meer kunnen verklaren.

Stokt het daar? Keert Mozes straks onverrichterzake terug? Komen verzoening en vergeving niet uit de doeken? Wat een vraagtekens; Er is maar één antwoord: Mozes is Christus nog niet. Hij kan de plaats van het volk niet innemen, hij is maar een mens. Hij is wel de voorloper van Christus. Hij loopt hier Christus te ver vooruit, daarom wordt hij teruggewezen. Neen, zegt de Heere, op deze plaats mag niemand staan, die moet open blijven voor mijn eigen lieve Zoon. Hij komt van boven. Hij kwam naar beneden en verkeerde onder ons. Daar behartigde Hij de zaak des Heeren: het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Daar maakte hij kennis met een hardnekkig volk. Daar zal Hij de verzoening bewerken, door zijn kruisdood.

Christus deinst voor het laatste niet terug. Hij wil in de plaats van zondaren treden. De plaatsvervanging, waar Mozes op zinspeelde wordt in Hem vlees en bloed. Niet Mozes, maar Jezus is daarom onze Middelaar. Hij had zonde gekend noch gedaan, God maakte Hem zonde voor ons. Dien zegt de Heere, zal Ik uit mijn boek delgen. O diepte van rijkdom, hoe onnaspeurlijk zijn Zijn wegen, Jezus klimt de berg op, zo eenzaam, zo nameloos eenzaam. Gaat er niemand met Hem mee, Mozes soms? Mozes kan Hem hier niet volgen, al spreekt hij tevoren met Hem over deze gang: zijn uitgang uit Jeruzalem. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten. Hebt Gij Mij uit uw boek gedelgd. Ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.

Delg mij nu uit uw boek. Mijn naam kan daar niet langer staan, ik heb het leven en de vrede voor goed verbeurd. Wie daar komt, kan niet verder. Dat is ook niet nodig. Daar is Christus ons een stap vóór geweest, daar vangt Hij ons op: Ik héb verzoening gevonden. En telkens moet ik aan de maaltijd van het nieuwe verbond denken: Gedenkt en gelooft dat het dierbaar bloed van onze Heere Jezus Christus vergoten is tot een volkomen vergeving van al onze zonden. Zouden wij Mozes vergezellen, dan om Christus te ontmoeten. Hij wijdde het nieuwe verbond in door Zijn eigen bloed. Gelukkig, het nieuwe begin werd niet met Mozes gemaakt, maar met Christus, de middelaar Gods en der mensen.

In Gods boeken wordt niet geknoeid. Staan onze namen er in geschreven, dan staat achter iedere naam een kruis. Zijn kruis. Mag ik het nog anders stellen? U zou wel eens inzage willen krijgen van Gods boek, om daar uw naam te zoeken. Velen lopen hier de spitsroeden van spitsvondigheden, hun verstand spreekt hun parten. Het is nu eenmaal moeilijk lezen in andermans boeken, denken ze. Maar anderen worstelen met zo'n vraag in gebed en geloof. Mijn naam in Zijn boek. Vind ik deze onder de beginletter A of B, G of K. Daar zoek ik vaak; soms meen ik, dat ik het mij maar verbeeld. Vertelt u mij eens: Onder welke naam werd u ingeschreven, dn Gods boek? Wel, onder de naam Jezus! Daar moet u zoeken, daar kunt u vinden. Want Gods boek is het boek des levens, des Lams.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VOORBIDDER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's