De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

AFGODERIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

AFGODERIJ

Het eerste gebod

9 minuten leestijd

Wat zijn afgoden?

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Zo luidt het eerste gebod. Welke goden zijn dat? De Heidelbergse Catechismus geeft een onvergelijkelijk mooi antwoord: „Afgoderij is in de plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord heeft geopenbaard, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet." Dit stelt ons voor de vraag: Israël mocht geen vreemde goden dienen, maar bestonden ze wèl? ^). Uit sommige bijbelteksten krijgt men de indruk dat de Joden de afgoden van de volken voor : duivels" hebben aangezien. Dat lijkt meer dan „helemaal niets". De bedoeling van deze betiteling is echter eenvoudig: de afgoden zijn middelen waardoor de Boze de mensen verleidt. Paulus schrijft: „Wij weten, dat er geen afgod bestaat in de wereld" ^). Elders betoogt hij: Er zijn niet alleen maar zogenaamde goden, er bestaan inderdaad demonische machten. Deze hebben de heidenen in hun greep gekregen en zij bedreigen ook de christenen steeds weer. De god dezer eeuw slaat de ongelovigen met blindheid, zodat zij het schijnsel niet ontdekken van 't evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld van de ware God is ^). „Want", zo schreef Paulus aan de Corinthiërs, „al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aar­ de — en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte — voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn en één Here, Jezus Christus, door wien alle dingen zijn en wij door Hem^). Er zijn vele goden, maar voor ons zijn ze geen goden; voor ons is er maar één God.

Toch behoeft men hieruit niet de conclusie te trekken, dat de bijbelschrijvers zich de afgoden als werkelijk bestaande wezens hebben voorgesteld. Afgoderij is een vondst van de duivel, waardoor hij de mensen verleidt. Dat bedoelt Paulus als hij zegt: „hetgeen de heidenen offeren, offeren zij aan de duivelen en niet aan God" '). Maar Christus heerst als Koning boven alle demonische machten.

Allerlei afgoden.

Ursinus laat in zijn Kleine Catechismus °) het hele gebod opgaan in het afwijzen en ontvluchten van de afgoderij. Mikron daarentegen betreedt het terrein van het innerlijke leven door te leren: „zij zondigen gruwelijk tegen dit gebod, die aan haar wijsheid, gerechtigheid of macht te veel toeschrijven of enige schepselen meer dan het geoorloofd is, vertrouwen of vrezen, welke alle vreemde goden zijn" 7).

Men zou aan het reeds eerder vermelde beeld van Byron kunnen denken: een magneet (God) oefent op een voorwerp aantrekkingskracht uit, maar als er een sterkere magneet in de buurt is (een afgod) wordt het voorwerp daarheen getrokken.

God dienen volgens het gebod.

Afgoderij kan de vorm aannemen van godsdienst buiten de van God gegeven openbaring om. Het aantal groeit van hen, die weinig of in het geheel niet met de gemeente meeleven, maar toch beweren „gelovig" te zijn of “religieus te voelen". Met de kerk houdt men zich echter niet op en in de bijbel leest men zeer zelden. Die kent men immers toch wel. „Wie vroom wil wezen, maar niet naar het gebod, hij mag wezen wie hij wil, maar hij is een afgodendienaar. En hoe christelijk ook de schijn van zijn vroomheid is, zijn religie behoudt toch dat enerzijds vage, anderzijds willekeurige, dat aan het heidendom eigen is" 8).

„Geestelijke" afgoden.

Reeds Luther in zijn Grote Catechismus betrekt het eerste gebod op het vereren van geestelijke waarden. Naast de Mammon, vermeldt hij als afgoderij het vertrouwen op grote kunde, verstand, macht, gunst, vriendschap en eer. Wie daarop vertrouwt heeft ook een God, maar niet de ware 9).

Er zijn inderdaad goden en heren in menigte. De één buigt voor de absolute staat, de ander voor kunst waarin alles geoorloofd is. Sommigen dienen de dagelijkse arbeid als een god. Maar afgoden eisen mensenoffers. De absolute staat verslindt haar eigen kinderen, de eigenmachtige kunst verderft de moraal, de managerziekte sleept energieke naturen vroegtijdig ten grave 10).

Alles kan een afgod zijn.

Het is onmogelijk alles op te sommen wat ons tot een afgod kan worden ") Het eigen ik kan afgodische eer krijgen, maar zelfvertrouwen is onmisbaar. Men kan te veel vertrouwen op zijn bezit, maar eigendom is geen diefstal. Men kan trots zijn op zijn positie, maar het is niet verkeerd die te hebben verworven. Men kan de seksualiteit als god dienen, maar het sexuele zelf is geen zonde. Zo zouden we kunnen doorgaan. Het is de vraag hoe wij tegenover dit alles staan. Zijn de genoemde zaken afgoden voor ons? De gaden beloven vrijheild maar zij brengen ons in een kerker.

Hij heeft mij!

De Zwitserse theoloog Lüthi ^) vertelt het verhaal van een aantal jongens, die jacht maakten op een vos, welke de kippenrennen bedreigde. Ze wilden hem levend vangen om hem in triomf door bet dorp te voeren. Op een middag trokken ze naar zijn hol. De kleinste van hen zou erin kruipen, terwijl de anderen buiten wachtten. Reeds na korte tijd riep hij juichend: „Ik heb hem! Ik heb hem!". Maar een ogenblik later geschrei: „Hij heeft mij! Hij heeft mij!". Zo, zegt Lüthi, is het met de afgoden. Iemand werkt hard om een zaak op te bouwen. Tenslotte heeft hij een zaak. Het tragische is dat de zaak hem heeft. Zo zouden er vele voorbeelden te geven zijn. De mens studeert en onderzoekt. Plotseling heeft hij de atoomsplitsing en kernreactie in handen. Neen, de kernreactie heeft hem!

Hedendaagse afgoden.

De kerk moet niet aan de hand van de voorbeelden zoals die welke werden gegeven om het gebod te verduidelijken precies vaststellen wat wel en wat niet mag. Er moet veel worden overgelaten aan het geweten van de christen. Van sommige gedragingen weten we uit de bijbel dat ze in alle tijden zondig zijn, terwijl de beoordeling van andere handelingen afhankelijk is van wisselende opvattingen in de loop der eeuwen. We zijn nu eenmaal bij de beoordeling van het menselijk gedrag afhankelijk van de plaats die we innemen in het cultuurpatroon van onze tijd.

Een voorbeeld ter verduidelijking. Wanneer men gierigheid als afgoderij bestempelt, treedt men in het spoor van de bijbel. Paulus waarschuwt voor „de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij"). In deze betiteling ligt opgesloten dat men door de gierigheid God berooft van wat Hem toekomt, want dat is immers afgoderij "). Men kan niet tegelijk God dienen en de afgod die Mammon heet. Maar wanneer men tot de afgoderij rekent een vakantiereis naar buitenland, is dit wel tekenend voor de kring waarin men leeft en de horizon die de blik bepaalt 16).

Er bestaan een massa afgoden: vereerde sporthelden en filmsterren nemen er evengoed een plaats in als vereerde predikanten, het zweren bij een oude bijbelvertaling kan even afgodisch zijn als het niet treffen van bepaalde voorzorgsmaatregelen tegen ziekte en ongeval. Ja, men kan zelfs van zijn kerkelijke plichten een afgod maken, „alsof", schreef Luther, „men niets van God wil aannemen ten geschenke, maar alles zelf wil verworven of met overtollige werken verdienen, alsof Hij in onze dienst moest staan en onze schuldenaar zijn en wij zijn leenheer".

Uw reacties zullen weer graag gelezen worden op Mathenesserlaan 244c, Rotterdam.

1) Ons woord afgod betekent geen-god, vergelijk afgunst, geen-gunst en afgrond een diepte zonder grond, enz.

2) 1 Cor. 8 : 4.

3) 2 Cor. 4 : 4.

4) 1 Cor 8 : 5v., geciteerd naar de Nieuwe Vertaling, Verg. E. Stauffer in Theol. Wörterbuch zum N.T., III, S.lOl, s.v. thees.

5) 1 Cor. 10 : 20, N. Vert.: mijn offeren is een offeren aan boze geesten en niet aan God. Ook in Ps. 106 : 37, Deut. 32 : 17, waar de afgoden in het hebreeuws als sedim worden aangeduid, geeft de N. Vert. dit woord met „boze geesten" weer, waar de St. Vert. „duivelen" vertaalde. Het woord is in het Oude Testament een aanduiding voor afgoden. In het akkadisch betekent het goede demon, verder is het verwant met het arab. woord „zwart zijn". De Septuagint (= griekse vertaling van het Oude Testament uit de voorchristelijke tijd) vertaalde het door daimon, (demon). Daarop berust de vertaling zowel in de St. Vert. als in de N. Vert. Verg. KöMer-Baumg. Lexicon, S.949b en W. Eichrodt, Theol. des A.T., I, S.145f.

6) Vraag 82 van de Catechesis minor, 1562.

7) M. Mikron, De kleine Catechismus, vr. 10.

8) J. Koopmans, De Tien Geboden, Nijkerk, 1946, blz. 19.

9) M. Luther, Der grosze Katechismus, Band 1 der Calwer Luther-Ausgabe, München/ Hamburg, 1964, S.23.

10) J. L. Koole, De Tien Geboden, Baarn, 1964, blz. 43; hij trekt een lijn van de vruchtbaarheidsgoden Baal en Astarte in het Oude Testament naar de trots op onze technische prestaties in de landbouw (blz. 34v).

11) W. Lüthi, Die Zehn Gebote Gottes, Basel, 1950, S.13 maakt de opmerking alsof opsommingen van geld, macht, eer, kind, echtgenoot, gezin, vaderland, enz. overbodig zijn, omdat alles tot afgod kan worden, bijv. een postzegelverzameling, de sport, een luxe wagen, een dokterstitel. Inmiddels geeft Lüthi dan toch ook maar weer voorbeelden. Aan de hand daarvan kan men ook het beste preken. Dit was ook de bedoeling van hen die vroeger de tien geboden uitlegden.

12) Als boven, S.13.

13) Col. 3 : 5, Ef. 5 : 5.

14) Zo H. von Soden, Kolosse, Hand-Commenitar zum Neuen Testament, Freibiu'g, 1893, S.60. „Want de gierigaards moeten God verzaken en de rijkdom voor Hem in de plaats stellen" (Calvijn).

15) Matth. 6 : 24.

16) Het voorbeeld is ontleend aan D. Slagboom, Christelijke Ethiek voor deze tijd, Utrecht, 1962, blz. 42. Hij veroordeelt eigenlijk dat men voor die reizen zoveel uitgeeft, dat men er noodzakelijke dingen voor laat verkommeren. Het is evenwel de vraag wat men onder „noodzakelijke dingen" verstaat; ook die kunnen tot afgod zijn. Doch ook al houden we rekening met het gemaakte voorbehoud, toch blijft het voorbeeld typerend. Of de jongere generatie er gelukkig mee is? Men kan zich maar beter van krasse uitspraken onthouden, als het geen uitdrukkelijk bijbels verbod betreft.

17) Der Grosze Katechismus, zie aant. 9, S.25.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

AFGODERIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's