De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONTVANGST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONTVANGST

10 minuten leestijd

... en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods.  Luk. 9 vers 11.

Ik hoop dat er vanavond niemand komt, ik ben wat moe en ik wil ook wel eens wat rustig lezen. Zo kun je wel eens verzuchten op de avond van de eerste dag van de week. Je hebt twee of misschien driemaal gepreekt, en je vindt het welletjes. Maar de rust wordt niet altijd geschonken. Er komt toch iemand aan de deur: „Als u geen visite hebt . . .". Het kan dan verrassende avond worden.

De discipelen van Jezus hadden ook een drukke tijd achter de rug. De Meester had hen uitgezonden om in Israël het Koninkrijk Gods te prediken en zieken te genezen. Nu waren ze terug. Wat hadden ze veel te vertellen. Ze konden er niet over uitgesproken raken. Telkens schoot hen weer iets te binnen. Dat moest toch ook verteld worden. De Here gunt hun wat rust. Maar in Kapernaüm komt daar niet van. Het is zo druk van mensen die komen en gaan. Ze hebben zelfs geen tijd om te eten. Daarom vertrekken ze in een schip en zetten koers naar het noordoosten, richting Bethsaïda. Maar de scharen laten Jezus zomaar niet gaan. Ze zijn door de prediking en de vele wonderen van Jezus in beweging gekomen. En nu ook de discipelen van Jezus zoveel macht hebben ontvangen, komt de beweging tot zijn hoogtepunt. Heel Galilea is in rep en roer. Het vermoeden groeit dat Jezus het Koninkrijk Gods zal uitroepen. En daar zijn de Galileërs hard voor. De schare rent het scheepje na. Ja, ze begrijpen het. Het wordt Bethsaïda. Dat is te doen. Een kilometer of tien. En zo drommen ze naar Bethsaïda en daar gekomen is de menigte aangegroeid tot duizenden. Ze zijn er eer dan Jezus.

„En Hij ontving ze".

Van de rust komt niets. Jezus zegt niet: Beste mensen, moeten jullie eens luisteren, het kan vandaag niet. We zijn moe, mijn discipelen zijn ook mensen die hun rust nodig hebben. Neen, niets van dat al. Hij ontving ze. Dit woord gebruikt Lukas alleen hier. Nergens staat het verder zo kort en krachtig: Hij ontving ze. Al zijn de omstandigheden er niet naar, Jezus is toch bereid ze gastvrij te ontvangen. Zijn hart is ontvankelijk voor de bonte menigte die Hem gevolgd is. Ondanks allerlei onzuivere motieven. Of juist daarom. Want, zo lezen we bij het verfhaal van Markus: En Jezus uitgaande zag een grote schare en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, want ze waren als schapen die geen herder hebben. Dat beweegt Jezus om hen te ontvangen.

Wat is een schaap zonder herder? Dan moet u niet denken aan de schapen die u onderweg in de wei ziet lopen. Die lopen daar veilig op een afgerasterd terrein. Neen het gaat om schapen op de heuvels en in de bergdalen van Palestina. Het terrein is er zeer oneffen, de kuilen zijn diep, in kloven kun je te pletter vallen. En dan is daar het wild gedierte, dat niets in het woên ontziet. Wat is dan het lot van een schaap zonder herder? Zolang de vijand het niet opmerkt, heeft het geen last, of het moest vallen en niet meer kunnen opstaan. Maar als de leeuw of de wolf het in het oog krijgt, is het verloren. Geen schaap zonder herder dat goed aankomt. Een afgedwaald schaap is een verloren schaap. Zo ziet Jezus de mensen. Niet een, maar allen. En zijn hart keert om en Hij moet ze ontvangen. Hij wordt bewogen van binnenuit om hen te helpen.

Het is niet bepaald vleiend als we vergeleken worden met een schaap zonder herder. Wat is zo'n mens? Kunt u het zeggen? Misschien bent u ook wel zo iemand. Of bent u al terecht? Maar dan weet u toch ook wel wat voor een mens dat is. Het zijn mensen die zoeken, maar zonder hulp van een herder niet op het rechte spoor komen, en vroeg of laat ten ondergaan. Want de vijand van de mens en zijn leven is actief. De boze slaapt niet, de briesende leeuw brult als hij prooi ziet en laat hem niet ontgaan.

Hoeveel mensen zijn er niet die iets zoeken. Ze weten zelf misschien niet wat, wellicht kunnen ze het niet uitdrukken. Maar je zou kunnen zeggen: Ze zoeken geborgenheid voor hun leven. Want dat is iets dat we nooit kunnen missen. Daar zijn we mensenkinderen voor. Daarmee komen we op de wereld. Als kleine kinderen kunnen we de hulp van onze ouders, de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis niet missen. En dat raken we nooit helemaal kwijt. En omdat we het huis van onze hemelse Vader de rug toegekeerd hebben, is het des te erger. Ons zoeken wordt nu tegelijk dwalen. En dat wat velen menen te moeten vinden zal blijken de gezochte geborgenheid niet te kunnen geven. Zo kan een mens al zoekend ook bij Jezus terecht komen. Ook bij Hem is het te proberen. Zo komen er wel mensen naar de kerk. Ze proberen het eens. Het zou kunnen zijn dat ze bij Hem vonden, wat ze zochten. Wat Hij te bieden heeft, weten ze niet precies. Als het teleurstelt, gaan ze weer. Zo waren er in de dagen van Jezus ook velen. Ze werden in Hem teleurgesteld en keerden zich van Hem af. Maar een feit is dat de typering van de mens als een schaap zonder herder er niet naast is. En we zien Jezus in de tekst als de goede Herder. Verloren schapen komen op zijn weg, dan denkt Hij aan geen rust. Hij ontvangt hen. Hij stoot hen niet af. Hij stelt zijn vriendelijk hart gunstig voor hen open. En dat is het wat we ook nu van Hem mogen zeggen. Jezus wil alle mensen ontvangen die her en der zoeken naar geborgenheid voor hun leven. Mensen die het bij Hem eens proberen, ook hen die menen dat ze bij Hem niet terecht kunnen, omdat ze denken dat bij zo'n goede Jezus geen slechte mensen horen. Alle mensen zijn verschillend, - maar een ding hebben ze allen gemeen: ze dreigen om te komen, omdat ze geen herder hebben, die hen leidt ter kooi. En juist daarom wil Jezus allen ontvangen. Ook ons.

Wat doet Jezus dan?

Hij helpt hen. Hij geneest hun zieken en als de dag ten einde loopt geeft Hij allen te eten. Een geweldig wonder. Maar eerst doet Hij iets anders: „en Hij sprak tot hen van het Koninkrijk Gods". En dat is het, waar we niet overheen mogen lezen.

We kunnen vragen of de mensen daarvoor gekomen waren. Misschien niet. Wellicht waren ze gekomen om de tekenen. Mensen zoeken doorgaans eerst uitwendig voordeel, en aan het geestelijk goed komen ze dan dikwijls niet meer toe. Dat is ons niet vreemd. Zo zijn wij ook. Intussen, ze ontvangen ook veel hulp naar de uitwendige mens. Ook dat behoorde bij het Koninkrijk Gods.

We behoeven het echter niet voor onmogelijk te houden, dat de mensen wel gekomen waren om het Koninkrijk Gods. Het galilese volk verwachtte sterk de Messias. Maar het is zeker dat ze dat rijk anders verwachtten dan Jezus. Wat Hij leerde stond loodrecht op dat wat men ervan dacht. Als Jezus hen dan spreekt van het Koninkrijk Gods, doet Hij niet iets dat eigenlijk onnodig is. De schare weet niet wat het Koninkrijk is. Ook daarin zijn ze als schapen zonder herder.

Lukas merkt zeer in het algemeen op: en Hij sprak tot hen van het Koninkrijk Gods. Wat houdt dat in? Dat is heel veel, en daarom is het niet met een paar woorden te zeggen. Wat we er nu over opmerken is zeker niet alles, maar een ding is het zéker dat het ook de verhouding van de mens met zijn Schepper raakt. En als Jezus een ding geleerd heeft, is het dat het met een mens niet goed staat als de verhouding van de mens tot God niet goed is. Pas als we weten dat God ons goed gezind is. Hij ons wil ontvangen, vinden we de geborgenheid die we zoeken. Want het hart van een mens vindt geen rust, voordat het rust vindt in God. Daarom is het nodig dat ons gesproken wordt van God. En dat heeft Jezus veel gedaan. Het Koninkrijk Gods dat Hij bracht was daardoor ook van een andere aard, dan dat wat de joden verwachten. Zijn rijk was niet van deze aarde, dat van de joden wel. Dat wil niet zeggen dat zijn rijk de aarde niet aangaat, terdege, maar toch geheel anders dan de koninkrijken van deze wereld.

Ook in onze dagen wordt er veel over het Koninkrijk Gods gesproken. De wereld waarin we leven is zo benauwend, dat we gevoelen dat er verandering moet komen. Het Rijk Gods moet worden gevestigd. Daarin zal het leven leefbaar zijn, en dat is allernoodzakelijkst. Want de mens dreigt zijn eigen levensvoorwaarden met al zijn kunnen en kennen te ondermijnen. Het gaat hier om zeer belangrijke zaken. En het is goed dat men hier verlangt naar de komst van het Koninkrijk Gods. Alleen horen we zo dikwijls dat wij het zijn die dat rijk moeten brengen. Wij moeten er ons voor inzetten. Daarvoor hebben we dan wel de Heilige Geest nodig, maar dat Christus komen zal op de wolken des hemels, dat Hij ons oordelen zal en het Koninkrijk brengen zal, komt vaak niet door.

En toch komt dat oordeel. En daar gaat het er toch ook wel terdege om of we God hebben leren kennen. Met andere woorden of we Hem hebben leren kennen door Jezus Christus in wedergeboorte en bekering. Dat behoort ook bij het spreken van het Koninkrijk Gods. Jezus heeft er veel over gesproken hoe God regeert door Hem. En dan worden de rollen omgekeerd. Niet de mensen zoeken God, maar God zoekt de mensen. Hij is de Herder die de verloren schapen opzoekt. De Koning die zijn rebelse onderdanen niet komt verderven, maar zoekt te behouden. Hij is de Vader die blijft uitzien naar de verloren zoon. De aan lager wal geraakten weer ophèlpt, verachte zondaars in ontferming opneemt, hongerigen voedt, dorstigen lest, die in duisternis ronddwalen verlicht, kortom hoe ook verdwaald, hoe ook verloren, Hij zoekt ze op. Daarover heeft Jezus gesproken. En het is niet verborgen gebleven, dat Hij door God gezonden werd als de Herder voor de schapen die geen herder hebben. Daarom ook heeft Hij ze ontvangen. Het is dezelfde die elders zeide: Ik ben de góéde Herder, die zijn leven stelt voor de schapen. Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. En zo'leert Hij hoe we het Koninkrijk Gods ingaan. Omdat God ons zoekt. Wie dat ontdekt, behoeft het niet meer te hebben van zijn eigen zoeken, die is gezocht en gevonden als een schaap dat zonder herder was. Die heeft de Herder gevonden, omdat de Herder hem ontving en sprak van het Koninkrijk. Zien we dat, dan wandelen we in het licht van Gods ontferming. Dan is er ook geborgenheid te midden van de gevaren van dit leven, het wakend oog van de Herder. We kunnen dan de toekomst, het Koninkrijk tegemoet. Zoekende legers, ziet dat God u Zoékt, en u heeft het gezochte gevonden: Hij is het.

Huizen  L. Zwanenburg

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

ONTVANGST

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's