OPEN BRIEF
aan de Hoogeerwaarde Hooggeleerde heer prof. dr: G. C. van Niftrik te Amsterdam.
Zeer geachte professor,
Hartelijk dank voor de toezending van een overdruk van uw laatste kroniek in „Kerk en Theologie", 'k Had deze kroniek reeds met grote aandacht bestudeerd.
Tegelijk wil ik u mijn erkentelijkheid betuigen voor de aandacht, die u aan de zaak rondom de rapporten, in gebruik bij het Moderamen van de Provinciale Kerkvergadering van Z.-Holland, hebt willen bestelden.
Uit uw reacties heb ik begrepen, dat u het grotendeels met de brochure van collega Exalto en mij eens bent, ook al laat u duidelijk blijken, dat uw kritiek naar twee kanten gaat.
Ook voor de kritiek ben ik dankbaar, omdat u mij de gelegenheid geeft op bepaalde kanten van deze zaak nader in te gaan. Dat ik daarvoor de vorm van een „Open Brief" koos, zult u mij hopelijk niet kwalijk nemen. Want de zaak is publiek en het gaat de gemeenten zeker zoveel aan als ons.
Op bepaalde punten hebt u kritiek. Mag ik er enkele noemen? In de eerste plaats wijst u er op, dat het dreigen met een verband van verontruste gemeenten, een eigen voorlichtings-, werken informatiecentrum uit een verkeerde geest kan voortkomen, een geest, waartegen ik juist waarschuwde. Wie zal zijn eigen hart doorgronden? Een dergelijke opmerking dringt alleen maar tot een nauwkeurig onderzoek van eigen consciëntie. Tegelijk wil ik u erop wijzen, dat deze woorden onmiddellijk gevolgd worden door de volgende zinnen:
„Laten de synode, de provinciale kerkvergaderingen, de raden en de commissies ons niet in die hoek jagen. Wij willen dit niet. Wij willen trouw en rustig ons werk doen en in vertrouwen met elkander omgaan. Maar één ding, is ons heiliger dan in rust ons werk te doen en in vertrouwen bij elkaar te wonen, dat is trouw aan onze ambtseed, de trouw aan Gods Woord en aan de .gemeenten, waarin wij leven. Wij hebben die gemeenten lief en wortelen daarin.
Wanneer de landelijke kerk en haar bestuursapparaat ons alleen maar aan hoort en in plaats van zegenend voor en in deze gemeenten werkzaam te zijn, deze gemeenten gaat verwoesten, dan moet zij zich niet verbazen, dat deze gemeenten op een hoop worden gedreven en zich met alle middelen gaan verweren!"
Dit citaat kan ertoe bijdragen te laten zien, dat dit geen dreigement is, maar een cri de coeur, een hartekreet in de zin van: Kom van deze heilloze weg terug!
Tegelijk ben ik van mening, dat de situatie in sommige raden en commissies reeds nu hoogst ernstig is, zo ernstig, dat er voor een bezinningscentrum, dat in hoge nood tot een voorlichtingscentrum wordt, helaas nu al alle aanleiding is. In deze gedachten is elke vorm van binnen-of buitenkerkelijke doleantie mij vreemd, maar staat het kerk-zijn van de kerk op het spel.
Wij moeten bedenken, dat er niet alleen binnen-en buitenkerkelijke afscheidingen mogelijk zijn, maar dat de kerk dermate verworden kan, dat zij zich — ontzettende mogelijkheid! — van de waarheid in de Bijbelse zin losmaakt en dus ophoudt kerk te zijn. En dit gevaar is zeker niet denkbeeldig!
In de tweede plaats stelt u de vraag bij mijn manier van benadering van deze zaak: Moet dit zo?
Daarop wil ik u de volgende toelichting geven. In de bestrijding van de rapporten, gehanteerd door de Prov. Kerkvergadering van Zuid-Holland, ging het mij niet alleen en niet in de eerste plaats tegen dit moderamen, maar veelmeer tegen de raden en de commissies, tegen vooraanstaande vrijgestelden, die al enkele jaren met herstructureringsplannen van onze kerk rondlopen. Dat is niet alleen een vermoeden, maar daarvan ben ik op vertrouwelijke besprekingen zelf getuige geweest. Dat heeft mij geschokt, maar nooit werd er officieel namens de synode of een raad of een commissie iets gepubliceerd, dat onder de aandacht van u of mij kwam en dus bestreden kon worden. Officieel wisten de gemeenten, wisten u en ik van niets en tegelijk was er het gevoel: Er broeit wat!
Toen dan ook de rapporten, waarover in de brochure: „Wat is er gaande in de Prov. Kerkvergadering van Zuid-Holland? " uitvoerig geschreven is, bekend werden, was een publicatie in de pers de enige mogelijkheid om de gemeenten in te lichten.
Het is de zaak van de gemeenten en niet in de eerste plaats een zaak van een bepaald moderamen.
Besprekingen op hoog niveau? Ik wil proberen niet bitter te zijn, maar ik moet wel schrijven, dat veel besprekingen op hoog niveau geen enkele uitwerking hebben gehad en op niets zijn uitgelopen.
Wanneer nu — na de storm — de invloed van de sociologen in de bekende commissie: „Gemeentevormen en - opbouw" aanzienlijk is verminderd, dan ben ik daar enerzijds blij om en tegelijk ontstemd. Ik ben niet bang voor sociologen, wel voor theologen, die zo weinig theoloog zijn, dat zij in arren moede alles slikken, wat bepaalde sociologen voorschotelen.
Daarom geef ik niet in de eerste plaats de sociologen de schuld, maar de theologen, die geen theoloog zijn.
Natuurlijk kan een gesprek met wie ook zin hebben. Maar het is voor mij de grote vraag of wij allen dezelfde zorg hebben voor de kerk. U noemt de naam van ds. Kaptein. Niemand ontkent, dat ds. Kaptein hard werkt en zorg heeft voor de kerk. Dat is dus niet in het geding. Wat wel in het geding is, is de vraag: Gaat het ds. Kaptein, u en mij, om dezelfde kerk?
Wanneer ik het boekje van ds. Kaptein lees: De Predikant, dan vind ik dit bijbels gezien en gezien vanuit de belijdenis van de kerk bar en boos. De Schrift komt in dit boekje nauwelijks ter sprake, de saecularisatie wordt positief gewaardeerd, de eigen tijd is uitgangspunt.
Natuurlijk wil ik praten, maar heeft dit spreken bij een zo diametraal verschillend uitgangspunt zin? Helpt dat? Natuurlijk zijn wij in de liefde elkander respect verschuldigd. Helaas, wij schieten daarin vaak zo schromelijk tekort. Maar de schrijver van dit boek is geen kind! Hij weet wat hij schrijft. Hij staat niet op een afgelegen post, maar draagt kerkelijk een enorme verantwoordelijkheid. Ds. Kaptein is mij als mens sympathiek, daarom valt het mij zwaar hem te bestrijden. Maar het gaat mij niet om de persoon van ds. Kaptein, doch om een brede scala van gedachtengangen, die voor de kerk een ramp zijn.
Dat brengt mij op mijn derde punt. U schrijft: „Ds. Boer en de zijnen zijn er mede geestelijk schuldig aan, dat zulke „praatstukken" als die van ds. Kaptein en de zijnen konden ontstaan. Doordat ds. Boer zo introvert is, wordt ds. Kaptein zo extravert. Ds. Boer ziet alleen de binnenste cirkel waarin hij wortelt, en ds. Kaptein verdenk ik ervan, dat hij in wezen meer belangstelling heeft voor de buitenste cirkel dan voor de binnenste, "Wat daarvan te zeggen?
Ik heb in mijn leven geleerd, dat God door de prediking hemel en aarde, tronen en overheden, mensen en structuren van de samenleving in beweging zet en verandert. Dat zie ik niet steeds, maar ik geloof het. De Schrift getuigt het en de Heilige Geest bekrachtigt het in de consciënties. Ongetwijfeld heeft de prediking consequenties in hemel en op aarde, op zondag en in de week. Het Woord Gods dient alle verbanden van het leven te doordringen. Maar het ging in de brochure niet in de eerste plaats over de consequenties van ons geloof tot in de uithoeken van de wereld, maar over de eigen aard en het geheim van het gemeente zijn. Het ging over de vraag of de snel zich wijzigende structuren van onze samenleving model moeten staan voor de structuren van ons kerk-zijn, over de samenhang van het reformatorisch geloof en de reformatorische kerkvorm. Dit alles werd in een zeer voorlopige en verkorte vorm behandeld. Daarover komt nog wel meer los.
Daarom waag ik de opmerking te maken, dat uw opmerking over het voorlopige van elke kerkvorm hier niet past. Het gaat m.i. niet over de vraag, of de gemeente niet onder ietwat gewijzigde kerkstructuren kan leven. Dat is op zichzelf gezien stellig het geval. Maar — en daarover gaat het juist — deze wijzigingen staan niet op zichzelf, maar zijn verbonden met een grote inzinking van bet reformatorisch geloof.
Hier en nu in Nederland zijn wij bezig, met het reformatorisch geloof ook de reformatorische kerkvorm te verliezen en te verspelen. Daarom heb ik deze zaak geestelijk pogen te peilen. Het ging en gaat mij niet om een verstarde kerkvorm, maar om de samenhang tussen geloof en kerkvorm en om de motieven en achtergronden, die tot deze wijziging leiden, 'k Verabsoluteer de orthodoxie niet. Zij is vooral in haar leiders en ook in de gemeenten vaak verdord. Daarom beroep ik mij nooit op de orthodoxie, hoezeer ik midden in haar wil staan, maar ik beroep mij op de Schrift. De vrijzinnigheid in haar eigenlijke kern is niet alleen een reactie op een verdorde orthodoxie, maar een stuk zelfhandhaving tegen God en Zijn Woord. Daarom zou ik nooit over dr. Strijd — hoe sympathiek ook mij de persoon is — kunnen schrijven, zoals u schreef.
Daarom liggen er in onze kerk, waarlijk niet langs de geijkte richtingspaadjes, diepe kloven. Deze kloven zijn niet alleen uit actie en reactie te verklaren. Het zit dieper. Hier is de doctrina in het geding.
Wanneer wij — te beginnen bij onszelf — weigeren daarbij het ontleedmes van Gods Woord en Geest te hanteren, bedroeven wij m.i. Gods Geest en trekt deze Geest Zich hoe langer hoe meer terug. Dan gaat God niet met ons mee en gaan wij — tenzij wij ons bekeren — een heel donkere tijd tegemoet. Het ergste is, dat de verblinding en de verharding zover voortschrijden, dat dit nauwelijks gevoeld wordt.
In deze gestalte zit de kerk grotendeels voor mijn besef gevangen, 'k Schrijf dit niet, omdat de Gereformeerde Bond, een ander of ik dit zo goed zouden doen. Juist hierin ligt de schuld van de Bond, enz. dat hij vaak in andere strikken valt. Daarop kunnen wij elkander nooit genoeg wijzen.
Maar dit neemt onze gemeenschappelijke roeping niet weg alles in te zetten, voor de kerk in haar Bijbelse gestalte en in haar bijbels gehalte, 'k Schrijf dit met temeer vrijmoedigheid, omdat ik in uw artikelen een onrust bespeur over de gang van zaken in de kerk en een heimwee naar een verlevendiging, die — zonder dat wij de zaak romantiseren — mensen te voorschijn roept, die weg zijn van de liefde Gods in Christus. Wat ons ook scheidt en onderscheidt — en dat wil ik allerminst verdoezelen — in deze onrust en in dit verlangen zijn wij één.
Wanneer wij weg zijn van Gods liefde in Christus door de Geest, dan zijn wij ook weg van Zijn Woord, van Zijn gemeente en staan wij tegelijk met alle kracht de bedreigingen tegen, die de gemeente ondermijnen.
Het is voor mij hoe langer hoe meer een benauwende vraag geworden of wij niet in de behandeling van deze diep ingrijpende vragen in een redeneermethode blijven hangen. Wij gaan wikken en wegen. Wij willen vooral niet een wit-zwart tekening. Wij willen genuanceerd spreken. Daarbij kan de dialectische redeneertrant en de psychologie allerlei diensten bewijzen. Wij zeggen dan: dit is ervoor en dat is er tegen; het één is een reactie op het ander; en wij theologiseren vrijblijvend verder.
Ik kan het erg goed hebben, dat u u niet met mij identificeert. Dat vraag ik ook niet. Wat mij echter benauwt is het volgende: Is de dialectische methode en het 'stellen van bet een tegenover het ander, het afwegen van het een tegenover het ander bij machte om de geestelijke nood van de gemeente en van de kerk te peilen?
Voor mijn besef is deze methode onbevredigend, niet existentieel (om dit modewoord te gebruiken) en onvoldoende. Dit heeft met „helen en halven" waarover u eens schreef weinig te maken.
Dr. W. Aalders, die van ethische afkomst is, zou volgens deze etikettering een „halve" en u een „hele" zijn. Laten wij met dit spraakgebruik ophouden. Want het klopt niet met de werkelijke stand van zaken. Dr. Aalders heeft in zijn Openbare Les te Nijmegen het pelagianisme en het semipelagianisme op een wijze bestreden: helder en scherp, zoals ik het bijna nog nooit gehoord heb. Misschien mag ik tussen haakjes een ondeugende opmerking maken: Is wat dr. Aalders schrijft over Barth waar of niet? Ik vind, dat u daarop echt moet ingaan. Maar nogmaals: het is een opmerking tussen twee haakjes.
Terugkomend op de methode van het afwegen van de dingen, mijn begeerte is dat wij dit balanceren verliezen. Het is te vrijblijvend. Vurig hoop ik, dat wij iets terugkrijgen van de heilige verontwaardiging en desnoods van het heilig schelden van de profeten, van Christus en van de apostelen, wanneer dit althans is ingegeven door dé liefde tot God en de gemeente. Zonder elk woord van Luther en Calvijn over te nemen, zij konden vonken en toornen, wanneer het Woord Gods in het geding was. Wij zijn dit door het relativerend denken al te zeer kwijtgeraakt.
Vergeef mij, wanneer mijn uitdrukkingswijze onvolkomen was. Mijn bedoeling was enige punten te verduidelijken en op door u gemaakte opmerkingen in te gaan.
Mijn beste wensen voor uw persoon en arbeid.
Met hoogachting en hartelijke groeten,
Katwijk aan Zee, augustus 1968.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's