De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERTROUWEN OP GOD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERTROUWEN OP GOD

Het eerste gebod

9 minuten leestijd

Het gebodene.

Het is niet toevallig dat we de inhoud van de Wet karakteriseren als de tien geboden, niet als tien verboden, maar als geboden. Dat is positief al zijn slechts twee van de tien geboden niet ontkennend. Ons wordt bevolen, wat we moeten doen, niet alleen wat we moeten nalaten. De geboden duiden aan hoe we wèl moeten leven, door te verbieden wat we niet moeten doen. Ook het eerste gebod heeft een positieve betekenis. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben, dat wil zeggen: Gij zult Mij, de Here, uw God, dienen.

Eenstemmigheid tussen de Catechismi.

Ursinus legt in zijn Grote Catechismus weinig nadruk op het verbodene. Hij omschrijft het gebod als een bevel dat wij de „dienst die wij aan God verschuldigd zijn niet nalaten noch aan een ander bewijzen". Luther was hem daarin voorgegaan. In diens Grote Catechismus neemt het vertrouwen op God zo'n brede plaats in dat het gehele gebod daarin bijna opgaat. Dit is een goede manier om tot de diepste zin ervan door te dringen. Immers de vraag op wie het geloof en het vertrouwen van het hart is gericht, is van beslissende betekenis om te weten of we God dienen of een afgod. „Waaraan gij nu uw hart hangt en waarop gij u verlaat, dat is eigenlijk uw God"¹

In zijn Kleine Catechismus gaat Luther weer op een merkwaardige wijze te werk bij het behandelen van de Tien Geboden. Bij de bespreking van elk gebod herhaalt hij, wat hij over het eerste gebod heeft opgemerkt: „Wij moeten God boven alle dingen vrezen, liefhebben en vertrouwen." Zo wordt het eerste gebod telkens motief voor de vervulling van de andere geboden.

Ursinus spreekt bij de behandeling van het eerste gebod over „op Hem alleen al ons vertrouwen stellen" ^). Ook Calvijn noemt het vertrouwen ') evenals de Heidelbergse Catechismus*). Ook het drietal liefhebben, vrezen en eren keert in aller'lei omschrijvingen van de dienst van God steeds terug 5).

Belang van het positieve.

Wij kunnen uit de wijze waarop de Hervormers de Wet benaderden, leren dat het positieve in de geboden het belangrijkste is. Wie dit niet inziet, verliest zich in een zee van verboden. Hij loopt daardoor het gevaar het eigenlijke van dit gebod, nl. de eis van liefde tot God, niet meer te horen.

Wat is vertrouwen?

Vertrouwen is een fundamenteel element in de omgang van de mensen onderling. Het kan een juist begrip van het vertrouwen op God ten goede komen, als men iets van het vertrouwen onder de mensen afweet. Doorgaans vertrouwen wij de mensen, totdat hun houding dat verbiedt. Dit vertrouwen betekent zich uitleveren. In elke vertrouwelijke omgang geeft de mens immers een stukje van zijn persoonlijkheid prijs aan de ander. Daarom treft het ons pijnlijk, als er misbruik van ons vertrouwen wordt gemaakt. Wie zich in vertrouwen aan een ander uitlevert, heeft van diens zijde recht op bescherming 6).

Vertrouwen op God is: zich uitleveren aan God. Abram geloofde Gods belofte aangaande de toekomst. Hij steunde op de onaantastbare belofte van het verbond, dat God met Hem sloot. Hoewel hij zwak is in zichzelf, staat de gelovige sterk in de Here, op wie hij vertrouwt. Geloven betekent in het hebreeuws „zich vastmaken in Jahwe (de Here)"7).

In het Nieuwe Testament is het vertrouwen op God gebonden aan de door God gezonden Middelaar en Verlosser. Wie in Hem gelooft, erkent daarmee zichzelf niet te kunnen redden. Het vertrouwen op Christus betekent zich aan Hem uitleveren.

Het geloof als waagstuk.

Een klassiek-reformatorische omschrijving van het geloof is: vertrouwen ^). Dit vertrouwen is een waagstuk: de zondaar, die Gods toom heeft verdiend, vlucht tot God, die Zich in het evangelie als een genadige Verlosser heeft bekend gemaakt. Luther noemde dit vluchten van God naar God. Het blijft een geheimenis, hoe het mogelijk is dat een zondaar kan vertrouwen op God, zich aan Hem kan uitleveren. Aan Gods genade en goedheid ontbreekt (en moet ontbreken) iedere vorm van vanzelfsprekendheid. Door de afstand van de mens, die van nature goddeloos is, tot God, die heilig en rechtvaardig is, blijft het vertrouwen op God altijd een wonder. Zodra in ons beschouwen en ervaren van Gods goedheid het element van het wonder ontbreekt of op de achtergrond geraakt, mist het geloof zijn spanning, dat wil zeggen: het leeft niet echt.

Men moet echter het waagstuk van het .geloof niet opvatten als een sprong in het duister. Het zich uitleveren aan God schenkt geen aardse veiligheid, maar het betekent evenmin de radicale opheffing van de veiligheid van ons bestaan. Het waagstuk van het geloof — ik zal het wagen met God — mag niet worden verward met het waagstuk van de existentie-filosofie — ik zal het wagen met het „niets".

Het vertrouwen in de branding.

Het geloof wordt in ons aardse bestaan steeds door twijfel bedreigd. Wij moeten daarbij onderscheiden tussen intellectuele en existentiële twijfel. Laat mij deze vreemde woonden een weinig toelichten. Intellectuele twijfel is twijfel waaraan ons verstand te pas komt. We twijfelen aan de waarheid van een feit. Deze onzekerheid kan door een logische redenering en deugdelijke argumenten worden overwonnen. De existentiële twijfel blijft echter bestaan al wordt ze door gefundeerde argumenten als onredelijk aan de kaak gesteld 9).

De existentiële twijfel in het godsdienstige leven worstelt met de vraag: Geldt de genadige belofte van God ook voor mij ? Uit deze twijfel kan alleen het geloof bevrijden. Dit aanvaardt, ondanks de ervaring van Gods toom over de zonde, toch zijn genade en vertrouwt er zich aan toe.

Hedendaagse aanvechtingen van het geloof.

Nu staat de gelovige midden in de stroom van zijn tijd. Verandering van inzicht met betrekking tot het wereldbeeld en de crisis waarin de instellingen, gewoonten en tradities zich bevinden, brengen voor de gelovige verontrusting en twijfel met zich mee. Steeds wanneer de resultaten van de natuurwetenschap in strijd kwamen met de bewustzijnsinhoud van de gelovigen, wanneer de godsdienstwetenschap de overeenkomst van een andere godsdienst met de christelijke aantoonde, wanneer zich politieke, maatschappelijke en sociale verhoudingen ingrijpend wijzigden - bracht dit alles het geloof in een crisis.

De ontdekking dat de aarde een bol was en dat zij draaide, de ontdekking dat de cultuur van de volken van het Nabije Oosten hoger stond en veel ouder was dan die van Israël, het vinden van scheppings-en zondvloedvethalen bij de Assyriërs en Babyloniërs — dit alles heeft voor het geloof een sterke aanvechting betekend. Ook ons geslacht worstelt met nieuwe soortgelijke problemen en wel in zeer hevige mate, omdat verschillende factoren tegelijk werkzaam zijn, waardoor de christen zich op tal van fronten tegelijk ziet aangevallen.

Eigen terrein van het geloof.

Men mene echter niet dat de strijd van de gelovige hopeloos is. Wij kunnen de twijfel die ons in deze eeuw bespringt, overwinnen in volle waarachtigheid en eerlijkheid. De christen behoeft zijn hoofd niet in het zand te steken voor de resultaten van de moderne wetenschap. Hij moet echter leren ver­ staan, dat wetenschap noch historisch onderzoek, maatschappij noch politiek zich kan aanmatigen uitspraken te doen over vragen van levens-en wereldbeschouwelijke aard. Deze behoren tot het terrein van het geloof. Daarom zullen wij ons enerzijds slechts op voorzichtige wijze uitlaten over de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek en over wijzigingen in de structuur van de maatschappij, e.d. Maar wij mogen anderzijds niet aarzelen te getuigen van wat tot ons eigen terrein behoort — het geloof.

Betekenis van het eerste gebod in dit opzicht.

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Dat wil zeggen: ge moogt u niet buigen voor de wetenschap als voor een godin; gij moet niet vertrouwen op het historisch onderzoek als op een god; gij zult niet vrezen voor de veranderingen in de hedendaagse maatschappij als voor nieuwe goden! Het gebod betekent: Gij moet Mij alleen dienen en vertrouwen op Mij, die als de eeuwige wij sheid de God van de wetenschap ben; die als de eeuwige Koning de God van de geschiedenis ben; die als de Onveranderlijke de God van een veranderende wereld blijft.

Samenvatting.

  1. Het eerste gebod heeft als voornaamste inhoud de eis van vertrouwen op God, de God van Israël, de Vader van de Here Jezus Christus.
  2. Het gaat in de christelijke ethiek (= de leer van de verhouding van de mens tot zijn medemens) om het positieve, om wat we doen moeten meer dan om wat we moeten nalaten.
  3. Op God vertrouwen houdt in zich uitleveren aan God.
  4. Het vertrouwen op God blijft altijd iets wonderlijks: zich overgeven aan Hem, tegen wie we gezondigd hebben.
  5. Twijfel aan de waarheid Gods, veroorzaakt door de resultaten van de moderne wetenschap enz., kan door het geloof overwonnen worden.
  6. Over vragen op het terrein van levens-en wereldbeschouwing kan alleen het geloof iets belijden, niet de wetenschap.
  7. Het vertrouwen op de éne God houdt heden o.a. in: het geloof, dat God regeert over alle (door ons niet altijd begrepen) machten.

Reacties voorden gretig verwacht; adres: Mathenesserlaan 244c, Rotterdam.

1) M. Luthier, Der grosze Katechismus, Calwer Luther-Ausgabe I, München/Hamburg, 1964, S.22.

2) Summa Theologiae, vraag 157.

3) Catechismus van Geneve, vraag 141.

4) Vraag 94.

6) In de Middeleeuwen omschreef de scholastieke theologie de dienst van God als geloof, hoop en liefde. Zij stelden die - naast de religie. De gereformeerden namen het drietal in de religie op. Zie hierover W. Geesink, Gereformeerde Ethiek, I, Kampen, 1931, blz. 240v.

7) Verg. K. E. Logstrup, Vertrauen in Religion in Geschichte und Gegenwart, VI, S. 1386-88.

8) G. von Rad, Theologie des Alten Testaments München 1966, I, S.185. Hij wijst in dit verband op het voorzetsel „in" (be) bij het werkwoord h'mn.

8) Verg. o.a. de Heidelbergse Catechismus, antwoord 21.

9) Men zie één en ander met een voorbeeld toegelicht in mijn Vragen rondom het geloof, Dordrecht, 1959, blz. 27v.

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERTROUWEN OP GOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's