De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk 5 Artikel 12.

10 minuten leestijd

Doch zoverre is het vandaar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware gelovigen hovaardig en vleselijk zorgeloos zou maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in alle strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige beoefening van dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt. 

Kinderlijke vreze.

De remonstranten hebben menigmaal gesteld dat de leer van de volharding der heiligen een verkeerde uitwerking zou hebben. Zij hebben niet gerekend met de wedergeboorte of de inwoning van de Heilige Geest, waardoor er een nieuwe mens geboren wordt, die op God en Zijn eer en geboden gericht is. Als die wedergeboorte, die heiligmaking, de inwoning des Geestes, die herschepping er niet was, zou de gelovige inderdaad hovaardig en zorgeloos worden. Nu niet. Beter gezegd: voorzover hij oude mens is: wel, voorzover hij nieuwe mens is: niet. Daar dreigt in elk gelovige genoeg hovaardij en genoeg zorgeloosheid, maar de Geest begeert tegen het vlees en verhindert, dat de remonstranten uiteindelijk gelijk krijgen.

Wat is de kinderlijke vreze? Het is wat anders dan slaafse vrees. De laatste duidt op angst. De slaaf vreest de zweep van de meester. Hij houdt niet van de meester, maar is bang van hem. Rom. 8 : 15 spreekt van een Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze. Waar de Geest der dienstbaarheid het leven bepaalt, gaat het om een trachten de geboden Gods te houden alleen uit vrees voor straf. Ook leeft men dan in de sfeer van de zelfverlossing, waarin de gestrenge wet ons doet leven in onzekerheid en vrees. Adam en Eva hadden een dergelijke vrees, toen zij bij de nadering Gods zich verborgen in het geboomte des hofs. Het kind zegt: ik wilde dat vader kwam. De slaaf zegt: laat de meester maar wegblijven. De Schrift zegt: want de wet werkt toom. Men kan ook wel zeggen: de wet werkt vrees. Calvijn schrijft: Bovendien, indien de wet op zichzelf beschouwd wordt, kan zij niet anders dan de mensen, die aan ellendige slavernij zijn overgegeven, ook door siddering voor de dood verlammen, omdat zij niets goeds belooft, tenzij onder één voorwaarde, en daarentegen de dood aan alle overtreders aankondigt." Als God een mens bekeert, Wordt de wet levend in zijn hart en wezen.

Paulus zegt: „Toen de wet ingekomen is ben ik gestorven. Uit die wet wordt de angst, de slaafse vrees geboren en een sterk pogen en werken tot zelfverlossing. De uitverkoren zondaar krijgt een geloof, van de wet. Daardoor leert hij geloven, dat hij een zondaar is. De heilige wet verklaart hem schuldig. De Geest der dienstbaarheid doet hem geloven, dat hij van God is afgeweken en in de weg des verderfs wandelt. Hij krijgt de angst van zijn leven, omdat hij ziet, dat in het licht van Gods heilige wet niet alleen zijn ongerechtigheden, doch ook zijn gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Hij leert voorts, dat zijn hart vol ondeugd en ongerechtigheid is en dat heel zijn natuur verdorven is. Hij is dood in zonden en misdaden en wandelt daarin d.w.z. heeft daar verkering mee, is er verliefd op. In zijn ziel is de roep van de melaatse: onrein, onrein!

Ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Zo komt hij al dieper in de ellende en in de angst door de Geest der dienstbaarheid, die tot slaafse vrees leidt. Daar komt wat bij n.l. het besef verloren en verdorven te zijn, liggende onder de vloek der wet. Hij kan de vloek niet meer aanzien als een vreemde zaak, die slechts sommige erg slechte en goddeloze mensen moeten vrezen, maar de Geest der dienstbaarheid zegt tot hem: „Gij zijt die man." Wat hij voelt is: ik verga. Wat zal hij doen? Adam kroop weg. Hij kon niet ongedaan maken wat gebeurd was. Door de Geest der dienstbaarheid gelooft een mens zijn gehele onbekwaamheid om zichzelf te verbeteren. „Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? Of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen (goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen? " Wie zo onderwezen wordt leert zijn val, zijn doodsstaat kennen: Hij is een geestelijk, wettelijk en zedelijk dood mens.

Hieruit ontstaat de slaafse vreze, de angst, die onze eerste voorouders hollende en kruipende deed vluchten, toen zij Gods stem hoorden. De uitwerking van het geloof der wet is een wettelijke bekering, waardoor een zondaar uit vrees en schrik voor de toom Gods, gebroken en verbrijzeld wordt; over de zonde bedroefd is en treurt, tracht daarvan bevrijd te worden, maar bij zichzelf aan de zaligheid wanhoopt. Op deze wijze is de wet onze tuchtmeester tot Christus. Als God een mens bekeert, begint Hij met de Geest der dienstbaarheid. Niemand zal tot Christus waarlijk komen zonder dit geloof van de wet, zonder deze wettische bekering, hoewel deze angst geen voorwaarde is. Deze slaafse vrees wordt niet uit het geloof in het evangelie geboren. Zij gaat er aan vooraf. Uit het geloof in Christus wordt de kinderlijke vrees geboren. Gelijk onder de wet de Geest der dienstbaarheid is, die het geweten met angst benauwt, zo is onder het evangelie de Geest der aanneming, die, door getuigenis te geven van onze zaligheid, onze zielen vrolijk maakt. Zonder het bloed van Christus echter toegepast aan de ziel is er de verschrikking, omdat de wet, door een jammerlijke ongerustheid de zielen pijnigt en kruisigt zolang wij niet door de wet aan de wet gekruisigd zijn en overgegaan in Christus. Hier wordt de rust geschonken, het geluk, de vrede, de blijdschap.

En bestaat dan toch het leven van een christen in een kinderlijke vreze? Inderdaad! Reeds in Deut. 10 lezen we: „Nu dan, Israël! wat eist de Heere van u dan de Heere uw God te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hébben, en de Heere uw God te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel? " De lezer ziet, dat het centrale, dat God eist, wordt aangeduid met: de Heere vrezen. Doch vreze Gods is hier het omgekeerde van: voor Hem vluchten .De mens ontvlucht God niet uit “vrees", het is geen angstige schuwheid, die oorspronkelijk in 't Latijnse woord religio ligt opgesloten, maar de wedergeborene volgt Hem, blijft in Zijn nabijheid, zo dicht dat er sprake is van „aanhangen". Dit laatste woord drukt een dichte verbondenheid uit, soms moet het vertaald worden met: „op de hielen zitten". De vreze des Heeren betekent: wandelen in Gods wegen, met God te rade gaan, zich aan Gods gezag onderwerpen en Zijn bevelen opvolgen.

Uit welke motieven? Uit vertrouwen, liefhebben van God, geloven dat Zijn wil recht is en goed. Geeft dit veel pijn? Neen, Gods kind volgt 's Heeren bevelen op met blijdschap en liefde. De Heere vrezen is het aanvaarden van de consequentie van tot Zijn volk te behoren. Gelijk liefhebben een overgave des harten is, zo is de kinderlijke vrees het ook. Vanwaar dan het woord „vrees"? Als de gelovige God ziet in zijn hoogheid, heerlijkheid en heiligheid kan het niet anders of het hart bevindt zich in een heilig beven van ontzag voor God en in een nauwkeurige omzichtigheid om toch niets te doen, dat tegen Zijn wil is. Wie zulk een groot God liefheeft, wil de liefde van die God niet verliezen. God is niet een mens. Hij is de gans Andere. Wie zou, bij alle innige liefde, niet voor Zijn aangezicht beven? De God, die de Israëliet, de ware, wel moest liefhebben, omdat Hij in de geschiedenis Zijn liefde aan Israël betoonde, is tevens de God, die men moet vrezen om Zijn grootheid en goddelijke majesteit. De vreze Gods is dan een eerbiedige liefde en ootmoedige aanhankelijkheid. Bij de „vreze des Heren" moet men ook piet het meest of alleen aan een gevoel denken. Het gaat vooral om de handel en wandel van het volk en van de mens voor Gods aangezicht. Soms is de vreze Gods een eerbied voor het goede, die ook bij de heiden wezen kan, een gepaste vrees voor de Rechter van hemel en aarde. Daarom lezen we niet alleen: Vreest de Heere, gij Zijn heiligen" (Ps. 34 : 10), maar ook: Laat de ganse aarde voor de Heere vrezen; laat alle inwoners der wereld voor Hem schrikken”

(Ps. 33 : 8). De „vreze Gods" moet de mensen terug houden van het kwaad, waar onder de mensen deze vrees niet gevonden wordt moet men bedacht zijn op allerlei boosheden.

Van Amalek staat in Dt. 25 : 18: en hij vreesde God niet". Abraham was beducht voor een plaats zonder Godsvreze. Hij sprak: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden." Gen. 20 : 11. Wat is dus de „vreze des Heeren"? Dat is het leven overeenkomstig de geboden waarbij men te allen tijd met Gods eis rekening houdt. Het is echter niet het opvolgen van een getal voorschriften, doch een vragen naar de wil Gods om die te doen uit dankbaarheid.

De vreze des Heeren is dus niet een plichtmatige gehoorzaamheid, die de humanist of de heiden zou kunnen betrachten. God aanhangen is de kern, de gemeenschap met de Eeuwige is het hart van de vreze Gods. Gelijk het hart van de wereldvernieuwing, die de wereldse en de Godsdienstige mensheid van onze dagen nastreeft, gelegen is in de vernieuwing van het hart van de enkelingen, zo is de vreze des Heren alleen mogelijk als wij God hebben ontmoet. Het gaat om een adembenemende werkelijkheid. Toen Saulus van Tarsen in Jezus God had ontmoet, vroeg hij: Wat wilt Gij, dat ik doen zal?" God vrezen deed Noach, nadat hij God ontmoet had. Hij was door het geloof bevreesd geworden. God vrezen is toch nog iets meer dan eerbied en diep ontzag. Daar zit ook iets in van Ps. 68 : 17: “Hoe , groot, hoe vreeslijk zijt G' alom." Wie eens in werkelijkheid God heeft ontmoet, weet wat het wil zeggen: God te vrezen. De God van de liefde en de verlossing is immers ook de God der vergelding. Gods toorn kan als een onweer losbarsten. Tegenover het heilige wezen blijft een gevoel van vrees en beven, maar de spanning tussen vrezen en liefhebben, wordt overbrugd door het geloof, het vertrouwen. Job zegt: Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? "

De gedachte aan de liefde Gods mag ons de heilige rechtvaardigheid en de goddelijke majesteit niet doen vergeten. Wee, als wij met de liefde en de vergeving alles goed willen maken en ons leven niet de navolging Gods openbaart.

Zullen wij zeggen: laat ons het kwade doen, opdat het goed daaruit voortkome? Dat zij verre. Op allerlei wijze moet de distantie tussen God en mens in prediking en leven gehandhaafd blijven. Het leven met God, gezien "als liefde tot en gehoorzamen aan God, sluit de vrees niet uit, maar in. Ook de meest vertrouwelijke omgang met God, de meest innige verhouding in liefde en geloof kent de vrees, niet als angst, maar als een heilig beven. Het is niet waarlijk een liefhebben van onze grote God, als men Hem niet terzelfder tijd vreest. „Want de Heere is groot en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden" (Ps. 96 : 4). „Dat zij uw grote en vreselijke Naam loven, die heilig is" (Ps. 99 : 3). We kunnen het dus zo zeggen: kinderlijke vreze is een heilige beweging des gemoeds, van God in de harten der kinderen Gods verwekt, waardoor zij uit ontzag voor God zorgvuldig wacht houden, God niet te mishagen, en ernstig trachten. Hem in alles te behagen.

Wij spreken van een kinderlijke vrees. Deze veronderstelt de wedergeboorte. De mens van nature wordt in Rom. 3 getekend met de woorden: Er is geen vreze Gods voor hun ogen" (Rom. 3 : 15). Daarentegen bidt de wedergeborene: Verenig mijn hart tot de vreze Uws naams" (Ps. 86 : 11). Waarvoor mag men ieder wel waarschuwen? Hiervoor, dat men over z'n geweten heenleeft. Velen weten, dat God te vrezen is. Hij is een rechtvaardig Rechter. Het is een kwaad ding als men vergeet, dat de Heere geducht is in Zijn toorn, en als men allerlei begeerlijkheden laat opkomen en koestert. De vreze des Heeren maakte Jozef bevreesd Gods gebod te overtreden. Nehemia sprak: ik heb alzo niet gedaan om der vreze Gods wille (Neh. 5 : 15).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's