LEGE HANDEN .. VOLLE MANDEN
Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen. Luk. 9, 13.
Zo, nu is de dag voorbij. Nu moet je maar eens ophouden. Je hebt de gehele dag gewerkt, houd nu maar op, het is welletjes. Je houdt het niet uit als je nog langer doorgaat.
Er zijn nogal wat mensen die dit nogal eens te horen krijgen. Vooral in de vrije beroepen. Ze gaan maar door. Geen bel meldt het einde van de dagtaak. Dit moet nog gebeuren, en dat moet nodig af. Er is dikwijls geen tijd om te eten. En als hun vrouw dan niet zegt: houd nu maar op, dan zouden ze nog langer doorgaan.
Zo maakten de discipelen zich ook zorgen over Jezus. Hij had met hen rust willen nemen. Maar er was niets van gekomen. Heit was een zeer inspannende dag geworden. Jezus had veel gesproken over het Koninkrijk Gods en vele zieken maakte Hij gezond. De discipelen zien het met zorg aan. Hoe houdt Hij het vol? Ze zijn ook bezorgd om de schare. Want de dag begint te dalen. De zon is ver over zijn hoogtepunt heen. En waar blijven die mensen? En ze moeten toch ook nog zorgen dat ze wat te eten krijgen. Ja, nu is het welletjes: Laat de schare van U, want ze moeten nu heengaan en een herberg opzoeken en eten kopen, want hier is niets, het is hier stil en eenzaam, ze kunnen hier niet blijven. Laat de schare van u. Het klinkt als een bevel aan de Meester. Nu zijn - er mensen die je inderdaad een bevel, moet geven anders doen ze het niet. Een verzoek is niet voldoende. Het is allemaal zo begrijpelijk wat de discipelen doen. Maar al dat begrijpelijke wordt door het doen en laten van Jezus telkens doorkruist. Al het menselijke wordt door het Koninkrijk Gods doorkruist. En zo is het ook hier.
Jezus sprak tot hen van het Koninkrijk Gods. Maar in zijn spreken is het Rijk er ook. In zijn spreken regeert God. In zijn spreken is God bezig mensen te redden en ze ingang te verlenen in zijn Rijk. Door zijn spreken mogen velen ontdekken dat God hen zoekt. Vele herderloze schapen ontdekken in Jezus de Herder, omdat Hij met hen sprak over het Koninkrijk Gods. Daarin maakt de Here zijn reddende macht openbaar. In dat spreken is het Rijk er reeds. En wat er verder gebeurt, ligt in dezelfde lijn. Ook dat maakt openbaar dat het Rijk er reeds is. Het is nog niet ten volle openbaar, maar toch wel zo, dat zij die geloven er zeker van zijn. Dat wat nu reeds openbaar is, geeft zekerheid dat het Rijk van God op Zijn tijd voor iedereen, voor vriend en vijand, aan de dag zal komen. Het voorjaar kondigt de zomer aan. Reeds de eerste sneeuwklokjes kondigen de rijkdom van de zomer aan. Zo zijn het woord en het wonder van Jezus voortekenen van de grote zomer van het Koninkrijk van God. Die sneeuwklokjes kun je zien bloeien terwijl het nog meer winter is dan zomer. Maar ze zijn er, onweerstaanbaar. Met nog meer kracht breekt nu het wonder door, dat ons hier verhaald wordt.
De discipelen zeggen: Laat de schare van u ... en spijze vinden, want hier is het niet. Dat is winter. Maar Jezus zegt: Geeft gij hun te eten. Hij wil al die mensen, het waren er vele duizenden, te eten geven met behulp van zijn apostelen. Dat weten zij nog niet. Doch Jezus wil dit teken stellen om het Rijk Gods aan te kondigen. Hij wil tonen dat het er is, onweerstaanbaar, en dat het daarom komen zal. De zomer is niet tegen te houden.
Geeft gij hun te eten. Met dat woord stuurt Jezus de discipelen geheel in de war. Hoe kan dat nu? Hoe kunnen ZIJ zovelen te eten geven? Wat is dit nu weer voor dwaasheid? Ze begrijpen het niet m welk een wonderlijk ambt ze door de Here zijn gesteld. Wat Jezus vraagt kunnen ze niet. Dat is typerend voor alle kerkelijke ambten, Geen ambtsdrager .kan wat van Hem gevraagd wordt. De discipelen staan met lege handen Ja er zijn vijf broden, platte broodkoeken, en twee vissen, maar wat is dat voor zovelen? Dat is niets. Ja, ze zouden kunnen heengaan en voor al dat volk spijs kunnen kopen. Maar dat is meer een zuur grapje, dan een reëel voorstel. Want er waren ongeveer 5000 mannen. Hoe kan de Meester nu zeggen: Geeft gij hun te eten? En dan nog met zo’n nadruk op gij? Met dit ene woord, kort en krachtig, heeft de Here hun machteloosheid openbaar gemaakt. En hun opmerkingen duiden er niet op dat ze daarvan erg onder de indruk zijn. Het is alsof ze de woorden van Jezus niet helemaal ernstig nemen. Ze hadden bijvoorbeeld kunnen zeggen: Meester, wij kunnen het niet, maar we geen zicht op. Toch hadden ze zo iets kunnen zeggen, omdat ze reeds ervaren hadden, welke macht Jezus hun geven kon, om wonderen te verrichten.
Al staan zij met lege handen, Jezus blijft bij zijn woord. Hij gaat verder, nu wat eenvoudiger: Doe hen neerzitten in groepen elk van vijftig. Toen werd het duidelijk dat er wel vijfduizend Waren.
De discipelen deden nu wat Jezus van hen vroeg. Met dit woord is hun duidelijk geworden dat Jezus een teken van het Rijk gaat geven. En zij worden daarbij ingeschakeld. Dat is niet de hoofdzaak, maar wel belangrijk in het plan van God. In onze tijd is het ambt niet geacht. Dat zal wel allerlei oorzaken hebben, die we hier maar niet gaan noemen, maar we moeten niet vergeten dat het ambt door Christus is gegeven en een belangrijke plaats heeft in het komen van zijn Rijt. Dat komt ook in deze geschiedenis uit. Elke ambtsdrager moet zeggen: Ik kan niemand te eten geven, ik heb lege handen, maar hij moet doen wat Jezus van hem vraagt: de mensen vragen om in groepen voor Jezus te zitten, gereed om de maaltijd te gebruiken. En dat terwijl er voor het oog nog niets is. Het is dwaasheid, maar niet voor het geloof dat op Jezus ziet. Zo kunnen ambtsdragers met lege handen iets doen, als ze maar weten dat Jezus het van hen vraagt. Want Hij laat niets voor niets doen. In zijn Rijk is niets tevergeefs.
We doen het wel verkeerd als we reclame maken voor een predikant, zo in de zin van: die moet je eens horen, het is geweldig, nu hebben we er een die de moeite waard is.
Als we op onze plaats staan als predikant, weten we wel beter. Wat hebben we te bieden? O, je denkt wel eens wat van jezelf, maar dan ben je het meest verwerpelijk. God geef je er trouwens geen plezier van, en daarvoor kun je dankbaar wezen. Neen, als we anderen nodigen, moeten we denken aan die vijf broden en twee vissen. Wat is het voor zovelen? Onze handen zijn leeg. Zo nodigen we tot de maaltijd, zo gaan we de kansel op. Onze hoop is op het Koninkrijk van God.
Jezus neemt de vijf broden en twee vissen. Hij legt ze voor zich. Een schamel beetje. Maar dan. Dan ziet Hij op naar de hemel. Zoals een vader in zijn gezin een gebed uitspreekt om God te danken voor zijn gaven, zo bidt Jezus. Maar het staat er zo: Hij zag op naar de hemel. Hij slaat vol verwachting zijn oog omhoog. Zijn oog richt zich op de Vader. Hij weet dat Hij de wil van Vader doet. Daarvoor is Hij gekomen en ook dit teken dat Hij gaat doen, is een teken van Gods ontferming over de schare. En zijn Vader verhoort en ziet zijn Zoon aan. Hij geeft de krachten om brood en vis te vermenigvuldigen. De zegen daalt neer, en het brood wordt onder de handen van Christus gezegend. Door zijn zien naar de hemel worden brood en vis tekenen van het Rijk Gods. En Hij die tot hen sprak van het Koninkrijk, mag nu de tekenen daarvan uitdelen. Hij brak ze en gaf ze aan de discipelen om aan de schare voor te leggen. Groot en klein wordt deelgenoot van de zegen van het Koninkrijk. Eerder kan Hij de schare niet laten gaan. En weer zijn het discipelen die worden ingeschakeld. De mensen komen niet in een lange rij langs Jezus om hun deel in ontvangst te nemen, zodat de discipelen het toekijken hadden. Dat had ook gekund, maar Jezus wilde het perse anders. Hij brak het brood al maar door, zonder dat er een einde aan kwam. We denken even aan de weduwe met haar oliekruik die al maar bleef schenken, ten tijde van Elisa. Die God werkt ook hier. Jezus breekt mandenvol brood en geeft die aan de discipelen en deze gaan de honderd .groepen langs, al maar uitdelend wat ze van Jezus hebben ontvangen, beschaamd over hun eigen houding, verblijd over zoveel goedheid. Door Jezus zijn ze toch in staat om een zo grote schare te voeden, omdat Jezus machtig is vijf broden en twee vissen te vermenigvuldigen. Maar ze vallen er zelf geheel buiten. Zij mogen uitdelen, maar Jezus is het alleen die het voedsel aanreikt. Eigenlijk is het God zelf die, hen voedt. Dat maakt het gebed van Jezus duidelijk. Daarom werden allen verzadigd. Er was genoeg voor een ieder. Ook voor de discipelen zelf. En om dat te onderstrepen, was er zelfs veel over: Er schoten twaalf volle korven over. Daar staan ze, voor elke apostel een, als tekenen van het Rijk, dat met Jezus gekomen is en met Hem komen zal. En daarmee is de tijd tussen Jezus hemelvaart en wederkomst aangegeven.
De vraag is groter dan het aanbod. Wat ambtsdragers hebben te bieden kan niet zovelen verzadigen. Maar dit woord wordt waar bevonden. Ook nu bidt Jezus en zegent het brood. Het woord der prediking, en de tekenen daarbij, wondt tot voedsel voor alle hongerigen. En uit zijn hand mogen we het doorgeven, beschaamd en verblijd, wetend dat we onderweg zijn naar zijn Rijk. Is het geen wonder dat we gebruikt worden om het door te geven? En anderzijds, verstaan we het dat God mensen gebruikt om ons door te geven wat Hij hen geeft om ons te voeden? Onze handen zijn leeg, maar Jezus maakt dat korven vol over schieten. Hij wil dat we overvloed hebben. Als wij moeten klagen over magere tijden, het kan niet aan Jezus liggen. Komt het soms omdat de discipelen van nu menen dat zij de schare wel kunnen voeden met wat ze hebben en er geen biddende Jezus meer nodig is? Immers, waar is de hemel, zo vragen velen.
Huizen L. Zwanenburg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's