De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van God alleen alle goeds verwachten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van God alleen alle goeds verwachten

Het eerste gebod

12 minuten leestijd

Tussenoorzaken.

Bij al ons streven bedreigt ons steeds het gevaar ons vertrouwen te stellen op allerlei tussenoorzaken in plaats van op God alleen. De één vertrouwt op zijn geld, de ander op mensen die hem zullen bijstaan, een derde op zijn eigen kracht en inzicht. Geld, vrienden, kracht en inzicht zijn goede dingen, maar ze worden voor ons tot een strik, wanneer we er zó op vertrouwen, dat we menen Gods hulp niet meer nodig te hebben. Zo wordt ons verteld dat koning Asa zijn toevlucht zocht bij de geneesheren en niet bij de Here (2 Kron. 16 : 12).

Wie in het Koninkrijk Gods wil ingaan, moet afstand kunnen doen van hetgeen op zichzelf niet zondig is doch voor iemand in een bepaalde situatie aanleiding tot zondigen kan worden. Als uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af '). Hoe goed het is genegenheid te koesteren voor zijn familieleden — ze mogen ons niet van Christus afhouden. Wie zelfs vader of moeder liefheeft meer dan Christus is Hem niet waardig ²).

Halfslachtigheid.

Wij proberen soms aan God het bestuur over alles toe te schrijven en tegelijk min of meer op aardse dingen te vertrouwen. Wij willen een weinig christen zijn en een weinig heiden. Wij moeten evenwel bedenken, dat God zich niet geheel laat verdringen, maar ook niet gedeeltelijk. Hij duldt evenmin een andere god in zijn plaats als naast Hem.

Natuurlijk mogen we de aardse goederen waarderen. Wij mogen ons verheugen in het bezit van onze vrijheid, over het behalen van een diploma, over het verkrijgen van een goede betrekking, over het leven zelf met zijn goede gaven. Het Spreukenboek en het Hooglied spreken overvloedig over de vreugde van het leven. Maar wij - mogen op dit alles niet vertrouwen, omdat alle aardse voorrechten vluchtig en vergankelijk zijn. Wij moeten de dingen waarderen als gaven des Heren; wij moeten ze waarderen in God, de Onvergankelijke. Dan zullen ze - ons niet van God afleiden. Zo verstond Paulus de christelijke vrijheid; alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten knechten³).

Vertrouwen op Maria.

Het is hier de plaats een enkele opmerking te maken over de verering van Maria in de r. k. kerk. De Heidelbergse Catechismus bezigt bij de verklaring van het eerste gebod o.a. de woorden „dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late" *). In het Avondmaalsformulier vinden wij een dergelijke gedachtegang: „allen die verstorven heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen" mogen niet aan het Avondmaal deelnemen. Door zulke omschrijvingen veroordeelde men de verering van de heiligen, van de paus en b.v. van de hostie ^). Van de heiligen krijgt vooral Maria bijzondere eer.

Volgens de rooms-katholieke kerk kan er daarbij geen sprake zijn van afgoderij. De eer die aan God wordt gebracht, is van een andere kwaliteit en graad dan die aan Maria wordt gegeven "). In de praktijk houdt het volk zich niet aan de fijne nuanceringen die de theologen aanbrengen in de verering van God en de heiligen. Trouwens in de Heilige Schrift vinden we in het geheel geen grond voor een dergelijke indeling van eerbetoon aan God en aan zijn schepselen. De Bijbel tekent ons een totaal ander beeld, nl. dat hetwelk de Catechismus ons voorhoudt: van God alleen moeten we al het goede verwachten.

Is Mariaverering christelijk?

De Mariaverering bevat overblijfselen uit het heidendom. De godinnen van het heidendom (b.v. Isis in de oudheid) zijn samengesmolten met de moedergod. De hoogachting van de vrouw, zoals men die bij de Germaanse volken aantrof, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de verering van de „jonckvrouwe reine".

Maar wij mogen een gebruik niet uitsluitend beoordelen naar zijn oorsprong. Er zijn wel heidense gebruiken in de christelijke zede opgenomen, die daarvan later een min of meer zinvol onderdeel zijn gaan uitmaken (b.v. klokluiden). De hulde die men aan Maria brengt, leidt echter de aandacht van God af. Wij moeten niet steunen op enig schepsel, maar ons toevertrouwen aan de barmhartigheid en genade van God, geopenbaard in Christus Jezus.

De grote verering van Maria in de rooms-katholieke kerk doet soms de vraag rijzen, in hoeverre deze kerk nog waarlijk „christelijk" genoemd kan worden. Er is een stroming die Maria als medemiddelares wil huldigen. Het is te hopen dat het zover nooit zal komen '').

Laten wij, protestanten, het ons overgeleverde erfgoed trouw bewaren: de weg tot God zelf staat voor elke zondaar open, zonder tussenkomst van welke heilige dan ook! God wil niet dat wij zijn barmhartigheid wantrouwen en daarom tussenpersonen in de arm nemen, maar dat wij ons als schuldige zondaren onvoorwaardelijk aan zijn goedheid toevertrouwen.

De enige Here en Zaligmaker.

Het vertrouwen op God en het gelovig bij Hem schuilen kreeg in vele Catechismi van de zestiende eeuw de volle nadruk bij de bespreking van het eerste gebod. Calvijn vindt dat dit gebod de mens oproept tot aanbidden, aanroepen van en vertrouwen op God *). Mikron noemde God dienen en aanbidden en Hem houden voor de enige Here en Zaligmaker '). Merkwaardig is een uitspraak van Ursinus ") over het vertrouwen op God. In het eerste gebod is, volgens hem, bevolen dat wij God „naar zijn eigen woord als onze God erkennen, aan geheel zijn Woord zeer vast geloven ...". In deze woorden komt de spanning die aan het geloof eigen is, tot uitdrukking. Alles schijnt ertegen te pleiten dat wij op God vertrouwen, maar wij geloven desondanks zeer vast al wat Hij zegt. Wie zich aan God overgeeft, zich aan Hem uitlevert zoals wij het eerder hebben genoemd, leert de ware vrijheid kennen.

Liefde tot God.

Dit gebod eist dat wij ons vol liefde aan God toevertrouwen en Hem de ere geven. Dit moet niet uit pijnlijke vrees geschieden, maar uit oprechte liefde tot Hem. In de liefdevolle overgave aan God komt de mens tot de evangelische vrijheid. Toch wordt zij door weinigen bereikt. Hoe komt dat? Het komt niet doordat de mens er te dom voor is, maar hij heeft de slavernij van Egypte liever dan de vrijheid die God schenkt. Daarom verlangde het volk Israël op de woestijntocht soms terug naar het slavenhuis Egypte in plaats van uit te zien naar de vrijheid die God in Kanaan zou schenken "). Ditzelfde euvel treffen wij ook bij onszelf aan. Zo diep is de mens gevallen.

God nodigt de mens tot zijn genade en roept hem op tot overgave, want Hij wil dat zijn schepselen Hem in vrijheid en liefde zulten dienen ^). Deze liefde moet, zoals we tevoren reeds opmerkten, één en onverdeeld .zijn: er zijn immers geen andere goden! Als onze liefde zich ook maar voor een gedeelte op iets anders richt dan op God, stellen wij een afgod naast Hem — een god die er niet is.

Deze liefde vindt haar oorsprong in Christus, die de wet heeft vervuld. Hij wees de verzoeking Hem de wereldheerschappij te doen verkrijgen door aanbidding van de duivel af met de woorden: „De Here uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen". Hij bleef gehoorzaam aan de ene God, zijn Vader, ook toen Hij aan het kruis hing. „Mijn God, mijn God" sprak Hij. Uit deze woorden sprak zijn trouw aan de hemelse Vader, zelfs toen deze zijn aangezicht voor Hem verborg. Uit de trouw aan God waarin Christus heeft geleefd, welt voor de gelovigen de kracht om ook trouw te blijven. Zij volharden, onder allerlei rampen en in velerlei nood, in liefde tot God, die hen heeft gered van het verderf in het offer van zijn Eniggeborene.

De godsdienst des harten.

Als we God dienen komt dat tot uitdrukking in ons gedrag. Dit onderdeel van de christelijke godsdienst is vaak in prediking en zielszorg sterk verwaarloosd. Er is soms gesproken alsof het alleen aankwam op ervaringen in het zieleleven (b.v. bekering, twijfelingen, hoop op genade) en alsof de daden (b.v. eerlijkheid, huwelijkstrouw, mildheid) niet zo belangrijk waren.

Thans bevinden wij ons in een reactiebeweging mede beïnvloed door de existentiefilosofie, waarop wij reeds in het voorbijgaan wezen ^). Deze reactie kan heilzaam zijn voor een introvert (naar binnen gekeerd) christendom. Maar ze kan, zoals bij een reactie dikwijls gebeurt, te ver worden doorgedreven. In vele toespraken, preken en meditaties is het tegenwoordig al medemenselijkheid wat de klok slaat.

De Schrift spreekt echter van een „verborgen omgang", van een wandel met God. Jezus prijst voor bepaalde omstandigheden een gebed in een „binnenkamer" (met gesloten deuren) aan. De gemeenschap met de Here Christus wordt niet uitsluitend in de ontmoeting met medechristenen beleefd. Men kan het „heilig eenzaam, met God gemeenzaam" overdrijven tot aan een soort protestantse kloosteridee toe. Maar wee de voortgejaagde mens die nimmer in de stilte met God spreekt. Wat wij van God ervaren, beleven we doorgaans als we alleen zijn, of als enkeling in de menigte (b.v. tijdens een kerkdienst).

Wij moeten krachtig pleiten voor de godsdienst des harten en er tegelijk op letten dat de godsdienst van de daad niet wordt vergeten of verwaarloosd. In de gereformeerde ethiek onderscheidt men beginsel en daad. De daad verraadt het beginsel, maar mag niet met het beginsel worden gelijkgesteld. De boom moet goed worden gemaakt, wil men een goede vrucht verwachten "). Het gevaar is niet denkbeeldig dat men heden veel drukte maakt over de vruchten zonder een onderzoek in te stellen naar de aard en gesteldheid van de boom.

Hulp aan ontwikkelingslanden neemt tegenwoordig voor velen de plaats in van het werk der zending uit vroeger tijd. Men is geneigd de mensen wel te voorzien van voedsel, maar niet van het brood des levens.

Uit deze omwending van godsdienst naar maatschappelijke zorg (zonder veel godsdienstige gerichtheid) blijkt, dat er met de liefde tot, God iets niet in orde is.

Liefdedienst.

Komt in ons leven het gebed tot God voor, het loven en prijzen van zijn Naam zonder dat mensen het horen, omdat dit zonder meer een behoefte van ons hart is? Natuurlijk zullen we God dan ook loven, wanneer de mensen het horen. „In het midden van zijn gunstelingen zal ik Hem prijzen".

Van een zieke moest de tong door operatief ingrijpen worden weggenomen wegens een heel ernstig gezwel. Nog éénmaal sprak hij voor de operatie. Zijn laatste woord luidde: „Geloofd zij Jezus Christus"! Dat getuigt van liefde!

Samenvatting.

  1. Wij moeten om Gods wil afstand kunnen doen van wat op zichzelf goed en waardevol is.
  2. Wij mogen rechtstreeks tot God bidden zonder de tussenkomst of voorspraak van gestorven gelovigen nodig te hebben.
  3. Het eerste gebod eist vertrouwen op God alleen.
  4. Zonder liefde tot God kan er geen vertrouwen op Hem bestaan.
  5. Het is onjuist de gemeenschap met Christus die de gelovige oefent, minder noodzakelijk te achten dan een christelijk gedrag; de godsdienst des harten en de godsdienst van de daad mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld.

Reacties en kritiek worden weer graag ontvangen; adres: Mathenesserlaan 244c.

1) Mark. 9 : 43. De weg naar de grote beloning in de toekomende wereld, eist dat men zich opofferingen en verliezen getroost in het aardse leven.

2) Matth. 10 : 37. De uitdrukking duidt o.a. de gewilligheid aan om iets goeds op te geven voor iets beters, zo J. C. Fenton, Saint Matthew, London 1963, p. 165.

3) 1 Cor. 6 : 12. Het kan op bepaalde tijden wel eens niet „nuttig" zijn te doen wat geoorloofd is en het is nooit nuttig er een slaaf van te worden. Wie meent in de christelijke vrijheid te staan doch toegeeft aan zijn zinnelijke lusten, is een slaaf van zijn slechte gewoonten en in het geheel niet vrij.

4) Antw. 94; de Duitse en Latijnse tekst is korter; in plaats van „afga en varen late" staat er: übergehe, lat.: renuntiem.

5) De heilige hostie is de dunne ronde schijf van ongedesemd gebakken tarwe, die volgens de r.k. leer tijdens de bediening van de Mis geconsacreerd is geworden, d.w.z. waarin zich de zelfstandigheid van het brood heeft veranderd in het lichaam van Christus. Men knielt voor de hostie die op het altaar wordt bewaard, wanneer men haar passeert.

6) Men onderscheidt latreia, die alleen aan God wordt gebracht, hyperdulia, die Maria toekomt en dulia, die de heiligen, engelen, relikwieën, beelden en o.a. de paus wordt gegeven.

7) In de Nieuwe Katechismus wordt zeer terughoudend over Maria gesproken. Dit betekent een groot verschil met de vroegere, soms zeer zwoele, mariacultus. Toch blijft “de moeder Gods" een belangrijke persoon. „Wij kunnen vertrouwelijk tot haar spreken, als ons dit helpt Jezus daardoor nieuw te zien en te bereiken" (blz. 250). „In de christenheid van Oost en West is zij, meer dan enige mens — Christus natuurlijk uitgezonderd — aanwezig. Tot in de huiskamers toe. Niet allereerst door de ikonen met de grote sprekende ogen, en de beelden met de stille glimlach, maar doordat ze wordt toegesproken. Doordat gebeden tot haar verhoord worden door God".

8) Catechismus van Geneve (1541/42) vr én antw. 141.

9) De kleine catechismus van Martin Mikron (1559), vr. 9.

10) Summa Theologiae van Ursinus (omstr. 1560). Of hij in het hier gegeven citaat met het woord van God de Schrift bedoelt of het spreken van God is niet duidelijk. Er staat „omni ipsius verbi firmissiime credamus". In elk geval gaat het hier niet zozeer om het „Schriftgeloof", als wel om de sprake van God, die door de Schrift tot ons komt. G. Bouwmeester, De Grote Catechismus, Kampen, 1941, vertaalt „firmissime" door “vast mogelijk". Wij houden het liever op de absolutus: zeer vast.

11) Vergelijk hierover o.a. W. Lüthi, Die Zehn Gebote Gottes, Basel, 1959, S. 16.

12) De liefde, de agapé, is het beginsel van het dienen van God; zie hierover W. Geesink. Gereformeerde Ethiek I, Kampen, 1931.

13) De existentiefilosofie gaat uit van de gedachte dat de mens pas volkomen existeert (bestaat, tot zijn recht komt) in zijn ontmoeting met de andere, de medemens, met de wereld.

14) Luk. 6 : 43.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Van God alleen alle goeds verwachten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's