De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VREES EN VERTROUWEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VREES EN VERTROUWEN

Het eerste gebod

11 minuten leestijd

Slaafse en kinderlijke vreze.

Reeds heel vroeg in de geschiedenis van de kerk heeft men bemerkt dat het begrip „de Here vrezen" meer dan één betekenis heeft. Reeds Augustinus onderscheidde tussen de reine vrees en de slaafse vrees ^). Deze onderscheiding heeft de middeleeuwse kerk steeds gehandhaafd. Het is dan ook een bruikbare indeling. Geheel anders moeten we de middeleeuwse waardering van de slaafse vrees en van haar verhouding tot de kinderlijke beoordelen. Daarmee zijn we dan meteen op het praktische, dat wil zeggen, actuele vlak beland.

Men meende in de middeleeuwen dat de slaafse vrees een onmisbaar voorstadium was voor de kinderlijke ^). Voor deze opvatting beriep men zich op het woord van de Heiland: „Weest bevreesd voor Hem die ziel en lichaam kan verderven in de hel "). Als men het goede deed zou de slaafse vrees langzamerhand verdwijnen. Nog heden ten dage beoordeelt de rooms-katholieke kerk de vrees voor straf als een „onvolmaakt berouw". Dit kan als een zedelijk goed een „heilzame voorbereiding op de rechtvaardiging" betekenen. Op een soortgelijke hoge waardering van de slaafse vrees in het protestantisme van de zeventiende eeuw komen we straks nog terug. In de middeleeuwen meende men dan dat de slaafse en kinderlijke vrees zo weinig verschilden dat er een geleidelijke overgang van de ene naar de andere mogelijk was. Hiertoe kwam men doordat de reine vreze des Heren niet op Bijbelse wijze werd gewaardeerd. Men achtte de liefde tot God de oorzaak van de vrees 4).

Deze gedachtengang hing samen met de leer van de goede werken en de rechtvaardiging. Men verkeerde naar men dacht, steeds in gevaar de liefde Gods te verliezen. Het volgende beeld geeft de bedoeling van deze zin weer: Een liefhebbende echtgenote vreest door haar man te zullen worden verlaten (reine vrees), de overspelige blijft haar man uit angst voor ontmaskering uiterlijk trouw (slaafse vrees). Dit voorbeeld duikt telkens weer op in de middeleeuwse theologieën 5).

Waarde van slaafse vrees.

Ongetwijfeld heeft de slaafse vrees betrekkelijke waarde: ze kan de mens weerhouden van het bedrijven van allerlei zonde. Ze kan één van de elementen zijn die God gebruikt om de mens te drijven tot die andere en betere vrees die uit ware liefde voortkomt. Wat de Heilige Geest door middel van de slaafse vrees in het leven van de mens kan doen, weten we niet, maar er is en blijft een principieel verschil en een diepe kloof tussen de slaafse en kinderlijke vrees. Dat hebben vooral de Hervormers allerduidelijkst aan de kerk voorgehouden.

De Hervormers en de vreze Gods.

Luther heeft uit eigen ervaring geleerd, dat de vrees voor God niet gelijk te stellen is aan de vrees voor de dood. De vrees voor God wortelt in de afstand die er bestaat tussen de goddeloze mens en de heilige God °). Wie ooit onder de indruk is gekomen van de majesteit Gods, kan geen vrede verkrijgen bij een stelsel van berouw, belijdenis van zonden en boetedoening zoals de rooms-katholieke kerk dat heeft ontwikkeld. Dit gehele systeem houdt geen stand voor de mens die door God wordt overweldigd.

Terecht concludeerde de Apologia Confessionis dan ook dat er geen geleidelijke overgang bestaat van de slaafse vrees naar de kinderlijke vrees. De eerste brengt de mens tot een vlucht in de werken, die echter niet kunnen baten. Alleen het gelovig vertrouwen op het werk van Christus kan deze vrees overwinnen. Treffend noemt Luther de echte vreze Gods: „von Gott zu Gott fliehen" (van God naar God vluchten).

De Hervormers dachten over deze belangrijke leerstukken eender. Als voorbeeld een woord van Calvijn: „Niets wekt ons zozeer op om ons vertrouwen en de zekerheid des gemoeds op de Here te werpen dan wantrouwen jegens onszelf en benauwdheid, die ontstaat uit onze ellende"7).

Geloofsvertrouwen.

Vluchtend van de rechtvaardige God, die te duchten is als Wreker van het kwaad, nadert de berouwvolle zondaar met ootmoedig gebed tot diezelfde God — in Christus. Wij kunnen (dat is één van de kernpunten van het christelijke geloof) nergens redding vinden dan bij Hem tegen wie we gezondigd hebben.

In Christus is God barmhartig en genadig. Wie gelovig tot Hem de toevlucht neemt, wordt bekleed met de gerechtigheid van de Verlosser, van wie reeds door Jesaja was voorspeld dat op Hem zou rusten „de Geest der kennis en vreze des Heren" 8). Hij gaat de zijnen voor in gehoorzaamheid aan de Vader 9).

Vreze Gods als vroomheid.

Bij het geloof hoort de kinderlijke vreze Gods, die berust op de onzekerheid van de verlossing. Geloof en vrees wisselen elkaar in de gelovige af. „Niet alleen de vroomheid brengt eerbied tot God voort maar ook de zoetheid en liefelijkheid der genade schenkt de mens die in zichzelf ter neder geworpen is, tegelijkertijd vrees en bewondering, opdat hij God aanhange en zichzelf nederig onderwerpe aan zijn macht". Toch wil Calvijn, aan wie dit woord is ontleend, niet dat men het geloof met twijfel vermengt. Het is niet zo dat twijfeling en goede hoop beurtelings in het gemoed heersen, zegt hij. Dit is een ander geluid dan men heden ten dage veelvuldig kan vernemen van sommigen die zich overigens graag op Calvijn beroepen. Wel erkent deze hervormer dat het geloof onder allerlei hevige aanvallen heen en weer gebogen wordt en „enige onderbrekingen ondervindt". Maar het staat vast dat de verdoemenis, die de gelovigen in zichzelf verdienen, door de zaligheid van Christus is verslonden 10).

Zo wordt de vreze des Heren, opbloeiend uit het rechtvaardigend geloof, weer naar Bijbelse trant opgevat: het dienen van God uit liefde met eerbied en vertrouwen.

Vreze Gods in het piëtisme.

Als reactie op een verstenende orthodoxie dook in de zeventiende eeuw een stroming op, die sterk de nadruk legde op persoonlijke beleving van de heilswaarheid. We noemen baar het piëtisme. In het piëtisme nu en meer nog in het ermee verwante puritanisme ") treffen we soms een ontzag voor God aan, dat vermengd is met veel slaafse vrees. Het gevolg daarvan is een wettische levenshouding. Zo ontstaat een terughoudendheid voor het bijna magisch beschouwde Heilig Avondmaal, grote schroom voor het bidden van het Onze Vader, het vieren van de rustdag als ware het de joodse sabbat, enz.

Hiermede hangt samen dat de slaafse vrees evenals in de middeleeuwen wordt gewaardeerd als middel tot bekering. Zo schrijft Brakel: „De slaafse vrees is nuttig als iemand daardoor tot bekering wordt gebracht" ^). Een bekeerde behoeft niet bekommerd te zijn over de vraag of zijn bekering oprecht is, omdat hij tot Christus is gedreven uit vrees voor de verdoemenis en niet uit liefde tot God...13).

Bij een dergelijke voorstelling van zaken moest het geestelijke leven zich wel kenmerken door een bekommerdheid zoals de middeleeuwen te zien hadden gegeven. Wij moeten leren, dat het anker niet in het schip, maar in de diepte moet worden uitgeworpen.

Mysticisme en vreze des Heren.

In kringen waarin de geestelijke ervaring, in de binnenkamer opgedaan onophoudelijk het onderwerp van gesprek en voorwerp van verering is, treft men soms een diep besef aan van Gods hoogheid en majesteit. Zulk een mysticistisch getinte vroomheid heeft vaak een wettische inslag. Tegelijkertijd wordt er op de ordinanties van God voor het zedelijke leven minder gelet; zij worden van hun algemene geldigheid beroofd. Tot grote verbazing van hen die voor een dergelijke scheefgegroeide vroomheid nog grote achting hebben, gebeuren er dan soms plotseling vreselijke dingen en komen er gruwelijke zonden openbaar. We behoeven daarover niet verwonderd te staan: buiten de paden van God worden we licht een prooi van de Boze. Zodra men nu de godsdienst tot een zaak van de binnenkamer en tot een leer voor louter ingewijden gaat beperken, handelt men in strijd met de Schrift. Zij die bij uitstek godvrezend heten, tonen in hun gedrag soms weinig ontzag voor de majesteit en verhevenheid van God waarover zij de mond vol hebben. Het ware geloof is echter niet aanwezig waar de vreze Gods ontbreekt, die bestaat in het dienen, liefhebben en eren van Hem, die van het bederf heeft gered. Een geloof zonder werken is dood.

Samenvatting.

  1. Het verschil tussen slaafse en kinderlijke vrees voor God betreft het wezen van beide, zodat er geen geleidelijke overgang tussen beide bestaat.
  2. Vrees voor God wordt veroorzaakt door de afstand die de zondaar scheidt van de Heilige.
  3. De vreze des Heren komt voort uit de ware liefde tot God; ze bestaat in de lust om God te dienen, te eren en lief te hebben.
  4. Wij moeten ervoor waken dat het ontzag hetwelk wij voor God behoren te koesteren niet wordt vermengd met slaafse en wettische vrees.

Aanvulling of tegenspraak wordt gaarne ingewacht; adres: Mathenesserlaan 244c, Rotterdam.

1) Timor castus, Ps. 19 : 10, en de vrees die door de liefde wordt uitgedreven, 1 Joh. 4 : 18.

2) Deze positieve waardering van de slaafse vrees werd algemeen door Petrus Lombardus met zijn Normal-dogmatiek.

3) Matth. 10 : 28. Deze tekst kan op verschillende wijzen worden opgevat. Sommigen lezen erin dat de discipelen bevreesd moesten zijn voor God, als ze zich uit mensenvrees lieten weerhouden de hun gegeven opdracht om het evangelie te prediken uit te voeren (zo o.a. H. N. Ridderbos, dn de Korte Verklaring, Mattheus 1, Kampen, 1952, blz. 208). Anderen denken aan de ware eerbied voor God, die de vrees voor de mensen uitdrijft (zo o.a. Calvijn).

4) Oorzaak in de zin van „causa", bewerkende oorzaak.

5) Zie H. J. Iwand, Gottesfurcht, in Religion in Geschichte und Gegenwart II, 1795ff. In het Nieuwe Testament vinden we echter evenmin de vrees dat God in toorn de gelovigen neerwerpt als de vrees dat Hij zijn genade van hen zal wegnemen. Iwand suggereert dat de vrees voor God de liefde van God en de liefde tot God als een schaduw begeleidt; hij treedt daarmee op het spoor van de middeleeuwen. Ook Calvijn erkent wel: „Wie bij zichzelf overweegt, hoedanig een Vader God voor ons is, heeft genoeg reden, ook al zou er geen hel zijn, om zijn ongenade erger te vrezen dan welke dood ook" Inst. III, ii, 26. Maar bij Calvijn ligt dit alles toch anders dan bij de Middeleeuwers, omdat hij niet meent dat de gelovigen Gods genade kunnen verliezen. De vreze des Heren is bij ham steeds het leven in vertrouwen op God en in liefde tot Hem.

6) De zonde verwekt altijd vrees, zodra de mens ter verantwoording wordt geroepen. Men denke aan Adam (Gen. 3 : 10), aan Sara die haar ongelovig lachen ontkent (Gen. 18 : 15. Zie verder Ps. 76 : 8w., 90 : 7-11). Een groot probleem voor de oudtestamentische gelovigen ontstond als iemand zich onschuldig wist en het kwaad trof hem toch; God bewerkte dit kwaad: oe kon dat? Job. 23 : 15.

7) Institutie III, ü, 23; hij schrijft dit bij de verklaring van Fil. 2 : 12, „bewerkt uw behoudenis met vreze en beven".

8) Jes. 11 : 2.

9) Gehoorzaamheid is een belangrijk element in de vreze des Heren, zoals in het vorige artikel is uiteengezet. Zo getuigde o.a. de gehoorzaamheid van onze Heiland bij het inslaan van de weg naar Golgotha van zijn vreze des Heren.

10) Institutie III, ii, 24. Calvijn spreekt elders (I, iii en iv) van de sensus divinitatis (besef van een godheid) als een semen religionis (zaad der godsdienst) dat in ieder mens is ingeplant, doch dat de revelatio (openbaring) behoeft om zich te ontplooien. Door het geloof ontstaat zo de ware godsvrucht. Daarom is het gewone woord voor de religio subjectiva (innerlijke godsdaenst) in het Nieuwe Testament: geloof. Zie een uiteenzetting hierover in verband met de ethiek door W. Geesink, Gereformeerde Ethiek, I, Kampen, 1931, blz. 237v.

11) Zie over de verhouding van puritanisme en piëtisme Prof. Dr. S. v. d. Linde in de Chr. Encyclopedie, V, blz. 547 en de daar vermelde literatuur. Hoewel men niet een wettische levenstrant voorstond, kwam het er in de uitwerking vaak wel van, is zijn conclusie.

12) W. a Brakel, Redelijke Godsdienst, II, iii, 2. Hij noemt hief twee teksten als bewijsplaatsen, nl. Am. 4 : 12, die niet bijzonder goed past en Matth. 3 : 7, waar Johannes de Doper tot de Farizeeërs zegt: Wie heeft u aangewezen te ontvlieden de toekomende toorn? Hier hebben we er echter juist een voorbeeld van dat mensen die wel bang waren voor het oordeel toch volgens Johannes geen vruchten overeenkomstig de bekering voortbrachten.

13) Verder betoogt Brakel dat het vrezen voor Gods straf, zoals dat in de slaafse vrees voorkomt, wel goed is en zoals hij zegt „eigen aan de kinderen Gods". Hier onderscheidt hij niet zuiver tussen de wortel waaruit de slaafse vrees opkomt en die waaruit de kinderlijke vrees voortkomt. De beduchtheid voor Gods straf draagt bij de kinderen des Heren een geheel ander karakter dan bij hen die slechts slaafse vrees voor God kennen. Bij de gelovigen is de vrees voor straf van een totaal andere aard, omdat zij is vermengd met geloof en liefde. Dat hebben niet alle theologen van de Nadere Reformatie altijd klaar beseft en scherp geformuleerd. Voetius daarentegen vermeldt in zijn Catechisatiën de slaafse vrees niet bij de behandeling van het eerste gebod. Hij vraagt: „Hoedanig moet onze vrees zijn? " en antwoordt: „Een kinderlijke vrees, die met geloof, hoop en liefde vergezelschapt is".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VREES EN VERTROUWEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's