De Unie „Een school met de Bijbel"
Enkele weken geleden kon men in de dagbladen o.a. lezen:
„De komende Uniecollecte, die van 7 tot 12 oktober gehouden zal worden, staat in het teken van de koerswijziging. De opbrengst ervan zal voor het grootste deel - men kan globaal zeggen voor 70 tot 80 procent - naar het buitenland gaan, naar het christelijk onderwijs in emigratie-en ontwikkelingslanden."
Dit is zeker in zoverre een koerswijziging, dat aan de Unie-collecte een bredere bestemming wordt gegeven. Altijd was deze collecte gehouden tot steun voor het chr. onderwijs, maar meer in het binnenland dan in het buitenland, nu wordt dit: veel meer in het buitenland dan in het binnenland.
Maar wellicht is het niet onnodig iets meer over deze Unie en haar collecte te zeggen. Reeds eerder werden in De Waarheidsvriend artikelen geplaatst over de Onderwijs en Onderwijzers-organisaties. Nu willen we de geschiedenis van de Unie eerst volgen.
1878! Minister Kappeyne van de Capello komt met een nieuwe onderwijswet. De wet van 1857, die zo'n pijnlijke verwijdering had teweeg gebracht tussen Groen van Prinsterer en Van de Bruggen, moest nodig op de helling. De minister wilde het onderwijs zo goed mogelijk doen zijn. Een loffelijk streven: betere lokaliteiten, beter opgeleide leerkrachten, enz.... maar:
- voor de openbare scholen werd 30% van alle kosten uit 's rijks kas ver goed - voor de bijzondere scholen niets;
- voortaan alleen bevoegde onderwijzers als leerkracht, geen kwekelingen. Dat betekende meer kosten. Maar: voor de openbare scholen werden deze door de gemeenten gedragen. De dhr. scholen moesten dan maar weer het schoolgeld verhogen tot een niet te betalen bedrag, terwijl op de openbare scholen weinig of geen schoolgeld werd geheven.
De Standaard schreef: „De slag, die onze scholen dreigt, is groot. Niet aanstonds zal dit gevoeld worden, maar op de duur wel. Door laag schoolgeld te heffen trekt men de kinderen; door hoge traktementen te betalen, de onderwijzers." Maar men moest mee, omdat ze anders door de concurrentie werden doodgedrukt. Trouwens, dat was nu juist de bedoeling van de wetgever. Was hij het niet, die voor een paar jaren (1876) had gezegd: „Dan zou ik bijna zeggen: Welnu, dan .moet de minderheid maar onderdrukt worden, want dan is zij de vlieg, die de ganse zalf bederft en heeft zij in onze maatschappij geen bestaan."
Wat moesten, wat konden de voorstanders van de chr. scholen hiertegen doen? Dat de wet, door dr. Kuyper genoemd: De Scherpe Resolutie, zou worden aangenomen, was zeker: dat was een kwestie van neuzen tellen. Daarom was er maar één mogelijkheid: een beroep op Oranje; hier: Koning Willem III. Had de geschiedenis al niet meer voorbeelden doen zien van een beroep op Oranje en was men ooit beschaamd uitgekomen?
Op de jaarvergadering van C.N.S. in 1878 kwam natuurlijk de nieuwe wet ook ter sprake. Hoe kon het anders: Was het bestaan der chr. school ooit zo bedreigd als nu? Een commissie moest de beraadslagingen in de Tweede Kamer nauwlettend volgen en zo nodig het petitionnement opzetten en leiden. Het smeekschrift werd gedrukt en in een oplaag van 200.000 exemplaren verspreid en in alle mogelijke dagbladen en periodieken gepubliceerd. Toen de wet was aangenomen, verzamelde Chr. Nederland zich eerst in de kerken (goede oude tijd ! !) voor een bidstond. En toen aan het werk om handtekeningen te verzamelen. In totaal werden 350.000 handtekeningen geplaatst, verzameld in 18 delen. Daarbij kwamen nog de adressen van de kerkeraden van verschillende kerken, terwijl reeds eerder door Patrimonium een smeekschrift t was aangeboden en 164.000 r.k. hoofden van gezinnen hadden geadresseerd.
Zaterdag 3 aug. werd het geheel in audiëntie de koning aangeboden. Niettegenstaande de waarderende woorden van de koning bleek de overtuigingskracht van de minister zo groot, dat de koning de wet tekende. Chr. Nederland was geslagen, maar niet verslagen. Zoals de drukking der melk boter voortbrengt, zo veerde ook na de eerste teleurstelling de veerkracht van dit volksdeel op om zich met meerdere kracht te gaan ontplooien.
Wat geschiedde? Door deze machtige beweging stond de Sch.m.d.B. in het centrum van de belangstelling van ons christenvolk. En men dutte niet meer in, want de gevolgen van de wet werden aan de lijve gevoeld. Het volk besefte weer, dat de godsdienst op het spel stond. Financiële offers moesten worden gebracht en men bracht ze. Men deed echter nog meer. Er waren vele scholen, die onmogelijk konden betalen. Men wist het. En daarom werd vanuit deze commissie een organisatie in het leven geroepen tot steun van het christelijk onderwijs.
23 januari 1879! Een historische datum! Driehonderd jaar geleden was een andere Unie gesticht: De Unie van Utrecht. Nu weer een Unie: „De Unie: Een School met de Bijbel". „Zij werd geboren in dagen van bange bezorgdheid en rouw; maar niet van moedeloosheid".
Art. 1 der statuten bepaalde:
De Unie heeft ten doel:
- om aan de verenigingen ter bevordering van het Chr. onderwijs, zonder op haar terrein te treden, zedelijke en geldelijke steun te verlenen;
- plaatselijk de bloei der vrije school te bevorderen;
- de tijdens het volkspetitionnement verkregen organisaties te behouden, allengs vaster gestalte te laten aannemen en in zodanig onderling verband te zetten, dat ze, zo dikwijls de belangen van „De School met de Bijbel" dit vergen, onverwijld dienst kunnen doen.
Zij onthoudt zich van alles, wat niet in onmiddellijk verband met het onderwijs staat".
De Unie grijpt dus niet in het werk van de andere organisaties, is er ook niet mee te vergelijken. Ook nu in de eenheidsbeweging blijft de Unie haar zelfstandige plaats behouden. Deze is in het kort gezegd:
- propaganda voor het christelijk (lager) onderwijs en
- financiële steun via de Uniecollecte (afdracht van 15% van de opbrengst van de plaatselijke collecte).
In het Gedenkboek van de Chr. Oud. Ver. in 1904 omschreef de toenmalige voorzitter van de Unie haar betekenis als volgt (verkort): „Vooreerst als symbool van de eenheid. In dagen van nood als de eerste jaren, maar ook als de nood voorbij is en geschillen gaan dreigen. Dan: als administrateur van de jaarcollecten. Niet alleen om het geld, maar de ijver, volharding, toewijding, liefde voor de zaak. En daarin ligt de grote zedelijke kracht, die voor veel afdwaling kan behoeden. Vooral in dagen van voorspoed. De financiën baren door de subsidies minder zorgen. Hij, die meent, dat ons dit in zedelijk opzicht sterker maakt, tenzij wij zeer waakzaam zijn, vergist zich. Het Christelijk gehalte onzer scholen zal door de staatshulp niet gebaat worden, al behoeft het er met Gods genadige hulp ook niet door te lijden."
Om dit doel te bereiken greep de Unie nog andere middelen aan: de jaarvergadering ter bespreking van vraagstukken van allerlei aard, die zich op het Chr. onderwijsgebied aandienen; het verspreiden van Unieblaadjes en propagandablaadjes; de stoot geven tot de uitgave van de Unie-almanak; uitgave van het blad „School en Huis"; niet te vergeten het organiseren van de actie Schoolslag (die ƒ1.700.000 opbracht). Ook de samenstelling van het Unie-rapport (1895; vandaar de naam), eveneens het Gewijzigd Unie-rapport, is geschied door een commissie van de Unie.
In de loop der jaren kreeg de Unie meer in het gezichtsveld. Vooral toen de wet van 1920 financiële gelijkstelling van het Chr. met het openbaar onderwijs bracht. Er gingen toen n.l. stemmen op om de Unie nu maar op te heffen. Terecht werd dit afgewezen. Daarvoor werd als motief aangevoerd, wat Jhr. de Savornin Lohman in 1906 had gezegd: „'t Is een grote vergissing te menen, dat de strijd is geëindigd. Wel de politieke strijd, maar de strijd voor het christelijk onderwijs zal nooit eindigen . . . We moeten wakker blijven, opdat niet over een kwart eeuw ook onze onderwijzers weer zijn ingeslapen — want de sluimer is ons van nature allen lief. De strijd begint thans. Niet meer tegen de liberalen. Niet meer, gelukkig om aan recht te komen. Maar de eigenlijke strijd is: het volk aan te tonen, waarom het Christelijk onderwijs, waarom het goed onderwijs moet hebben".
Enkele punten worden dan genoemd:
- de Unie heeft geld nodig om de propaganda voor het Chr. Ond. te blijven voeren;
- de organisatie voor de opvoeding der rijpere jeugd dient krachtig gesteund om de invloed te laten doorwerken;
- het Chr. bewaarschoolonderwijs is nog niet geregeld;
- de Chr. scholen hebben nog bijzondere uitgaven, die niet onder rijks- of gemeentelijke subsidie vallen;
- er is behoefte aan een leerstoel voor Chr. opvoedkunde.
In een tweede artikel hopen we weer te geven, wat de Unie nu zal gaan doen. Met alle aandrang willen we echter nu reeds opwekken de collecte, die van 7-12 oktober gehouden zal worden te steunen. In de pers zult ge daarover wel het een en ander kunnen lezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's