De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Proeve van een nieuwe grondwet 3

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Proeve van een nieuwe grondwet 3

5 minuten leestijd

Wij en de anderen.

Wat ons bij de discussies rondom een preambule opvalt is, dat telkens weer de tegenstelling wordt gecreëerd tussen wij (christenen) en de anderen, terwijl onze natie niet als een ondeelbare eenheid wordt gezien. Telkens wordt gesteld dat we de anderen niet een belijdenis aangaande God mogen opdringen. Anderzijds is het echter zo dat „ons" nu een belijdenis wordt opgedrongen aangaande de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat deze rechten van de mens zoals die in het verdrag van Rome van 1950 zijn opgenomen, naar het oordeel van de Hoge Raad „een ieder bindende bepalingen zijn". Wij hebben geen behoefte uitvoerig over de rechten van de mens te schrijven, en hebben er al evenmin behoefte aan deze „rechten" in te perken, maar voelen ons bepaald bezwaard wanneer deze rechten ons als uitgangspunt worden opgedrongen, wanneer wij niet een hoger recht dam de rechten van de mens lin de grondsilag van onze samenleving opgenomen zien.

Wat wij in dit verband nog willen opmerken is, dat het een merkwaardige zaak genoemd mag worden dat enerzijds gesteld wordt, dat een belijdenis aangaande God niet in de grondwet opgenomen dient te worden, omdat de grondwet een staatsstuk is dat voor alle inwoners gelden moet, terwijl anderzijds in de troonrede — staatsstuk bij uitnemendheid — telkenmale de beide voorkomt dat God wijsheid verlene bij het regeren der natie. Dit stuk viel door de jaren heen onder de competentie van uiteenlopende regeringspartners wat betreft de godsdienstige overtuiging. Zou het niet consequent zijn, gezien het bovenstaande, deze belijdenis aangaande God weg te laten, omdat niet ieder deze bede tot de zijne wil maken? Wat ons betreft niet, maar we menen deze vraag te mogen stellen in het licht van bovengestelde conclusies.

Om dan nog maar te zwijgen over het randschrift van onze gulden. „God met ons." Het is een belijdenis niet aangaande de gulden, maar wel aangaande degenen die met het „slijk der aarde omgaan". Het is een gedachte van theocratische allure dat deze belijdenis binnen onze samenlevinig in „het slijk der aarde" is ingegrift. En daarom vragen we: waarom op de gulden wel, en in de grondwet niet?

We aarzelen dan ook niet om een preambule te bepleiten. Haitjema's stelling, dat onze gewesten geboren zijn uit de belijdenis van de gereformeerde kerk, mag de conclusie rechtvaardigen dat onze natie verplicht is haar ontwikkeling en toekomst te stellen in het licht van de erkenning van God als bron van het welzijn der samenleving.

Zicht op de kerk(en).

Het is niet te verwonderen dat in een stuk waarin de visie op 't ontstaan van de natie (volgens Haitjema uit de belijdenis der kerk) ontbreekt en waarin de preambule wordt afgewezen, geen plaats is voor het unieke karakter van de kerk in de samenleving. In het blad de Vrije Natie van de Protestantse Unie werd in het nummer van februari 1.1. betoogd, dat de Protestantse Unie met de beklemtoning van een preambule een begin wilde maken om de kerk op een nieuwe wijze te betrekken in het samenspel van regering en parlement. Daarbij wordt een uitspraak van Van Ruler aangehaald, die luidt dat de kerk het ervoor houdt dat er meer pijpen op het orgel van de profetie staan dan door de partijen worden bespeeld.

Dat de visie op het unieke karakter van de kerk in de proeve totaal verdwenen is, blijkt allereerst uit het feit dat het artikel over de godsdienst is opgenomen in het hoofdstuk aangaande de grondrechten, in het hoofdstuk dus dat geënt is op de rechten en fundamentele vrijheden van de mens, terwijl onder de vigerende grondwet de godsdienst wordt geregeld in een apart hoofdstuk. De proeve zegt in artikel 5 dat ieder het recht heeft zijn godsdienstige overtuiging vrij te belijden. Dat is een onderdeel van de rechten van de mens. Terecht wordt evenwel in het genoemde nummer van de Vrije Natie opgemerkt dat een staat die God niet erkent als bron van alle recht, eigenlijk zelf niet uit kan maken wat godsdienstige overtuiging is. Met andere woorden, vallen daar ook onder die stromingen die hun religiositeit beleven in homosexuele gevoelens (c.f. Van 't Reve)? Of wier godsdienst bestaat uit een racistische gevoelsreligiositeit? Wat dat betreft zou­ den we in deze moderne tijd nogal een en ander tegemoet kunnen zien aan vrije expansie van wat voor religies dan ook.

In de tweede plaats mag hier gewezen worden op het feit dat nergens in de proeve meer gesproken wordt over de kerk, maar uitsluitend over godsdienstige gezindten aan wie gelijke bescherming wordt verleend. Met deze formulering zijn de kerken nu principieel onder dezelfde noemer gebracht als welke andere religieuze stromingen dan ook. De plaats van de kerken is geen andere dan die van verenigingen of instituten. In de Vrije Natie van februari 1.1. merkt ds. J. Swijnenburg in dit opzicht terecht op: „In plaats van een voorwerp van bijzondere aandacht van de overheid, is de godsdienst ineengeschrompeld tot een in Nederland beschermde en toegelaten menselijke bezigheid." Het ware te wensen dat de kerken, neen niet zichzelf zouden opwerpen als een autoriteit met politiek gezag, maar wel zichzelf zouden presenteren in het unieke van hun positie voor de samenleving. Een positie die gestempeld is door de opdracht om de profetie te laten horen ook voor volk en overheid, om de wet Gods als concrete leef-en werkregel voor de samenleving te proclameren.

We merken echter bij dit alles duidelijk hoe de strikte scheiding van kerk en staat nu resulteert in een volkomen gelijkschakelingsproces, waarbij de kerk als zodanig in de proeve in het geheel niet meer wordt genoemd.

Huizen.  J.v.d.Graaf

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Proeve van een nieuwe grondwet 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's