Proeve van een nieuwe grondwet 4
Processievrijheid.
Het gevolg van de in het bovenstaande genoemde gelijkschakeling komt al primair tot uitdrukking in het standpunt dat in de proeve doorklinkt ten aanzien van de processievrijheid. In artikel 5 sub 3 wordt gesteld: het recht om openbare godsdienstoefeningen te houden wordt erkend. De wet regelt de bevoegdheid om een voorgenomen godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen te verbieden indien dit ter handhaving van de openbare orde is vereist.
In een additioneel artikel (opgenomen na de eigenlijke wetsartikelen) wordt dan nog gesteld: Totdat de wettelijke regeling bedoeld in artikel 5, derde lid zal zijn getroffen blijft de volgende bepaling van kracht: Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de nodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust. Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten.
Dit additionele artikel is het artikel 184 van de huidige grondwet dat ongewijzigd is overgenomen. Maar zoals in het begin van dit additionele artikel wordt gesteld, het is slechts geldig totdat bij gewone wet de bevoegdheid is geregeld om een voorgenomen godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen te verbieden, indien dit ter handhaving van de openbare orde is vereist.
Met andere woorden, de hele zaak van (o.a.) de processievrijheid, die in de loop van jaren zo'n heet hangijzer is gebleken, is vanuit de grondwet verhuisd naar de gewone wet. De heer Mateman wijst er in het C.H. tijdschrift van junijuli 1967 op dat dit geen wijziging is van louter technische aard — want zo hadden de opstellers van de proeve de veranderingen die erin voorkwamen geduid — maar van zeer principiële aard.
In de Vrije Natie (febr. 1968) heeft ds. J. Swijnenburg het principiële van deze wijziging als volgt toegelicht: „Onder de huidige grondwet wordt het houden van processies in het algemeen ongewenst geacht en dus verboden, behalve daar waar het vanouds is toegestaan. In het vervolg zal de processie zijn toegestaan tenzij ze verboden wordt in het belang van de openbare orde."
We moeten weliswaar opmerken dat de beslissing inzake het toelaten van processies niet in handen wordt gelegd van het bevoegd gezag — een verantwoordelijkheid die voor b.v. een burgemeester wel zeer groot zou zijn — maar van de wetgever, maar anderzijds krijgt de wetgever dan ook alleen maar de bevoegdheid om op bepaalde plaatsen zo nodig de processie te verbieden. Het houden van processies is bij grondwetsbepaling al toegestaan.
Het verbieden van processies wordt bij regeling van gewone wet echter alleen mogelijk indien de openbare orde dat vereist. We vragen ons af of het dan ooit een keer nodig zal zijn. De processie is immers een bij uitstek ordelijke gebeurtenis?
De rooms-katholieken, voor wie de processie ten diepste een sacramentele aangelegenheid is, zullen er de openbare orde bepaald niet mee verstoren. Maar de zaak ligt dan ook veel dieper.
De Rooms-Katholieke kerk doet met de processie een claim op de straat, vordert de straat als het ware op voor wat wij als nazaten van de Reformatie pure, ja zelfs vervloekte afgoderij plegen te noemen. En daarom wordt een grondrecht binnen onze samenleving met voeten getreden wanneer deze afgoderij expansiemogelijkheden krijgt. We zeggen deze dingen niet vanuit een soort anti-papistisch gevoelen, maar louter om de zaak waarom het hier gaat scherp te benadrukken. We kunnen niet nalaten in dit opzicht dan ook Van Ruler te citeren, omdat we niet de indruk hebben dat zijn gedachten over deze kwestie ooit afdoende zijn weerlegd. In Religie en Politiek schrijft hij: „Waar het om gaat, dat is de publieke uitoefening van de eredienst. Dat is het terrein van de overheid, het terrein waarop de overheid met gezag optreedt: het publieke openbare leven. En op dat terrein heeft de overheid ook gezag ten aanzien van de religie; zij is van Godswege, als Gods dienaresse gehouden de ware religie, de ware dienst van God als de enig geldende in het openbare leven te erkennen en te handhaven".
„Als de mis een afgoderij is, dan wordt, wanneer de mis in de openbare godsdienstoefening wordt bediend, het gekerstende gelaat van het sociale leven geschonden; de orde van het heilige gemenebest verstoord; dan treedt er naast het enige heil dat er is een ander heil op als mythisch magisch centrum des levens."
En tenslotte: „Ter illustratie kan men vragen met welk recht de overheid de polygamie, één van de religieuze leerstellingen van het mormonisme verbiedt. Men antwoordt: omdat de polygamie maatschappelijk ontoelaatbaar is. Dan vraag ik of men dan zo oppervlakkig denkt dat men zou durven beweren dat de mis geen maatschappelijk gevaar in zich bergt? "
Men kan ten aanzien van dit alles tegenwerpen dat deze dingen alleen zo worden gezien door een (slinkende) groep protestanten.
Maar we mogen anderzijds toch van de overheid verwachten dat ze de straat niet prijsgeeft aan zodanige ceremoniën dat een deel der onderdanen zich daar niet zal willen ophouden, omdat het diepste van hun religie daar met voeten wordt getreden? We erkennen weliswaar dat we van het Nederlandse rooms-katholicisme allerminst gewetensdwang verwachten, maar de zaak is niet hoe Nederlandse rooms-katholieken hun processie presenteren of interpreteren, maar hoe het Roma Aeterna in de processie het gelaat van de samenleving schendt, omdat ze er openlijk mee demonstreert hoe het enige offer van Jezus Christus aan het kruis volbracht door haar wordt geloochend.
Het argument dat bij de rooms-katholieken de opvattingen over de processie gewijzigd zijn, of ook dat de processie zijn uitdagende en triomfantelijke karakter verloren heeft, bracht een aantal kerken, waaronder de Nederlandse Hervormde Kerk (!), de Gereformeerde Kerk (!!) en de Christelijk-Gereformeerde Kerken (!!!), ertoe om uit te spreken dat ze geen overwegende bezwaren hebben tegen processievrijheid. Terecht yoert ds. A. A. Spijkeriboer, blijkens een «tuk in Trouw, hier tegen aan dat het idan goed zou zijn wanneer het Nederlandse episcopaat dit duidelijk zou uitspreken en dat het zou verklaren dat de opvatting van het concilie van Trente over de processie, als zijnde „een overwinning van de waarheid op de leugen en de ketterij", voor de Nederlandse kerkprovincie van nul en generlei waarde is.
Hij verwijst in dit stuk ook naar een uitspraak van de generale synode van de N. H. Kerk van 1950, waarin gezegd wordt dat de processie iets totaal anders is dan straatevangelisatie of een politieke optocht en dat het de vorm is waarin een reeds gevallen beslissing de ruimte van het politieke leven wil vullen.
Met ds. A. A. Spijkerboer zouden we er onze teleurstelling over willen uitspreken dat de kerken in deze kwestie belijdenis, kerkorde en eerder genomen besluiten met voeten treden, waarbij overigens nog komt dat het kennelijk mogelijk is dat een aantal woordvoerders uit de diverse kerken deze uitspraken doen zonder dat er sprake is van één of andere synodale beslissing, of zonder intern beraad. Je vraagt je af wat synodeleden gedacht hebben toen ze door deze mededelingen voor een soort fait accompli werden gesteld. Of zouden er toch nog zijn die, ten aanzien van deze materie de koe bij de synodale horens willen vatten? In ieder geval leren kwesties als deze ons hoe de stroomversnellingen van oecumenisme en religieus humanisme de kerken danig in hun greep hebben. Misschien zal de wal het schip nog keren?
Koningschap.
Een laatste kwestie die nog onze aandacht vraagt is die van 't koningschap. De Proeve geeft er ons aanleiding toe om ons rekenschap te geven van de betekenis van het koningschap voor onze samenleving. Van Calvijn hebben we geleerd dat het koningschap niet persé een door God gewilde orde is, die als zodanig in de Schrift is voorgeschreven. Of we leven onder een republikeinse of monarchale regeringsvorm is niet van principiële betekenis. Bovendien dateert het koningschap onder ons ook niet uit de veel geroemde tijd der Reformatie. Maar wel mogen we met dankbaarheid constateren de band, de historische band die er binnen onze samenleving is tussen volk en Oranjehuis. Een band die duurzaam gebleken is, niet alleen in dieptepunten van ons volksbestaan, maar een band die zijn hechtheid kreeg in de wordingsperiode van onze natie, waarin we dan ook bepaald de leiding Gods met de geschiedenis van ons volk mogen opmerken. Vooral omdat die band ten diepste een band van de religie was, om niet te zeggen een band des geloofs. Het mag in een tijd waarin de hand Gods in de geschiedenis steeds meer wordt ontkend, nog wel eens worden gezegd dat het Oranjehuis aan ons volk als een geschenk Gods gegeven is in de worsteling om geestelijke vrijheid in de tachtigjarige oorlog.
Daarom mag het tot blijdschap strekken dat het Oranjehuis - grosso modo -in de lijn van het protestants belijden bleef tot nu toe. Want - we erkennen het eerlijk - het zou voor ons nog de vraag zijn of ons vorstenhuis blijvend zou mogen rekenen op ons pleidooi voor de monarchie, wanneer zij de protestantse traditie verbrak. Deze zaak is momenteel niet actueel, maar we willen onze keuze voor de monarchie motiveren vanuit de religieuze band die in het verleden gelegd is tussen volk en koningshuis.
Dat we deze dingen hier aan de orde stellen vindt zijn oorzaak o.a. in artikel 20 sub 2 van de Proeve, waarin gezegd wordt: „Indien bij overlijden van de koning een troonopvolger ontbreekt besluiten de Staten Generaal binnen twee maanden omtrent de benoeming van een koning. In de toelichting wordt gezegd dat zo'n benoeming - de gekozen formulering wijst daar al op - niet verplicht is, omdat men wel gevoelt dat zo'n troonopvolger van het enthousiasme van het volk verzekerd moet zijn. We zien dat we hier dus ten diepste geplaatst worden voor de vraag: waarom de monarchie?
In ieder geval, ondanks vele stemmen die de laatste jaren geklonken hebben om de monarchie af te schaffen, mogen we gelukkig constateren dat ons Oranjehuis onder ons volk nog een zodanige meerderheid van sympathisanten vindt, dat in de Proeve de monarchie onverzwakt is bepleit. In dit opzicht raken heden en verleden elkaar gelukkig nog. En artikel 14 van de Proeve luidt dan ook: „De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Willem Frederik, Prins van Oranje Nassau en zijn wettige nakomelingen", waarna niet minder dan 19 artikelen volgen die het koningschap regelen.
Besluit.
Voor zover het in het kader van dit blad verantwoord is, hebben wij enkele hoofdmomenten van de „Proeve van een nieuwe grondwet" bezien. Die beoordeling viel niet onverdeeld gunstig uit. We misten er te zeer in de „grote gedachte" waaraan ons staatkundig leven, mede gezien haar historische ontwikkeling, onderworpen dient te zijn. We constateerden in de proeve een duidelijke vermindering van het theocratisch gehalte. Daarbij dienen we wel te beseffen dat ook de vigerende grondwet een neutrale grondwet is, maar de theocratische elementen die daarin nog aanwezig waren, zijn in de proeve of verzwakt of geëlimineerd.
Dat wil niet zeggen dat de proeve ook niet veel goeds bevat. Als geheel van rechtsregels die in onze samenleving voorhanden zijn is het een goed stuk geworden, in een duidelijke taal geschreven en van veel „dood hout" ontdaan. En bijv. artikelen, waarin bepaald wordt dat een lid van de Staten-Generaal niet tevens kan zijn minister, onder-minister, lid van de Raad van State, lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad, noch lid van de Algemene Rekenkamer (art. 40), of dat het telefoongeheim nu grondwettelijk is vastgelegd (art. 12), of dat vrijheidsontneming voortaan onder rechterlijke controle valt (art. 10, sub 2), of dat de S.E.R. de regering van advies dient omtrent sociale en economische aangelegenheden, zijn pluspunten van de proeve.
Zo zou meer te noemen zijn, maar het meeste ligt op zakelijk terrein, hetgeen voor dit orgaan minder relevant is.
Veel moest ook blijven liggen, o.a. wat gezegd wordt over de regeling van het onderwijs, over de vrijheid van drukpers en meningsuiting, over het afleggen van de eed of de belofte (de eedsformule is in de proeve weggelaten), of over de vrijstelling van dienstplicht voor gewetensbezwaarden.
Wat echter de hoofdlijnen betreft achten we de Proeve een stap terug, reden waarom we moeilijk adhesie aan deze proeve kunnen bepleiten.
Huizen.
Proeve van een nieuwe grondwet. Staatsdrukkerij en Uitg. bedrijf, Den Haag (1966), 300 blz., ƒ 4, —.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's