UIT DE PERS
In memoriam Prof. Dr. W. J. Kooiman.
Woensdag 18 september overleed nog vrij onverwachts, de Lutherse kerkhistoricus Prof. Dr. W. J. Kooiman. Zijn heengaan heeft ook in de kerkelijke pers vele reacties opgeroepen. Reacties, die enerzijds getuigen van weemoed om het verlies wat zijn familiekring, de kerk en de universiteit geleden hebben.
Reacties die anderzijds getuigen van diepe dankbaarheid voor wat God ons in deze mens en theoloog gegeven heeft.
Enkele biografische gegevens, die we aantroffen in het Evang. Luthers weekblad geven we hierbij door: Prof. Kooiman werd 3 september 1903 geboren als zoon van een Hervormde predikant. Na zijn studie in Groningen en Amsterdam ging hij over tot de Lutherse kerk en diende deze kerk als predikant in Wildervank, Deventer en Amsterdam. In 1945 werd hij hoogleraar aan de Gemeentelijke universiteit en aan het Lutherse seminarie in Amsterdam.
Het was de bedoeling geweest dat hij 5 oktober afscheid had genomen als hoogleraar. Echter veertien dagen eerder heeft God hem afgelost van zijn aardse post.
Prof. Kooiman heeft vooral de laatste jaren veel met ziekte te kampen gehad. Toch heeft hij gewerkt en meegeleefd met de gang van zaken in kerk en theologie zolang hem dat maar enigszins mogelijk was. Zelfs vanaf zijn ziekbed leidde hij nog besprekingen.
Wij danken aan Prof. Kooiman vele belangrijke publicaties. We denken aan zijn boek over Melanchton, vooral aan zijn publicaties over Luther. Immers, wie Kooiman zegt, zegt Luther. Dat is zijn levenswerk geweest: De persoon en het werk van deze Reformator onder onze aandacht brengen.
Bekend zijn o.a. zijn radiolezingen over Luther, die veler aandacht trokken en ook die aandacht verdienen. Voor wie ze nog niet gelezen heeft, in handige pocket-vorm kunt u ze voor weinig geld in uw bezit te krijgen (Carillon-reeks!).
Wij willen in deze persschouw ook uiting geven aan onze weemoed om dit verlies en aan onze dankbaarheid door een gedeelte over te nemen uit een artikel van Prof. Dr. J. T. Bakker uit het Geref. Weekblad (Kok, Kampen) van 27 september. Bakker schrijft daar onder meer:
Het was deze zelfde menselijkheid, die hem in zijn radiolezingen zo populair gemaakt heeft, met zijn serie over Melanchton, maar meer nog met die over “Luther, zijn weg en werk". In die lezingen over Luther, zoals in alles wat hij over Luther geschreven heeft kwamen ze heide naar voren: Luther en Kooiman. De lutherse kerk in Nederland is niet zo groot; met onze grote hervormde en gereformeerde kerken verliezen we wel eens het perspectief uit het oog en voor velen ia het een openbaring, dat er zo'n 80 miljoen lutheranen op de wereld zijn. Maar dat is het ergste niet. Velen kenden en kennen Luther alleen als de man van de stellingen van 1517, de eerste van de Reformatoren. Maar wat hij nu wérkelijk was: doctor der H.S. en één van de grootste — als ik dat woord hier gebruiken mag — christenen en theologen, die God aan de kerk gegeven heeft, ja, dat geloven we wel, maar daar houdt het dan ook mee op. Kooiman is het geweest, die ons hier in Nederland geleerd heeft iets van de wijdheid en de diepte van Luthers theologie te verstaan. Niemand raakt ooit op Luther uitgeleerd. Maar wie hem werkelijk wil verstaan heeft een bepaalde golflengte nodig om op te vangen wat hem werkelijk dreef. En Kooiman had niet enkel de goede golflengte, hij kon wat hij opgevangen had ook doorgeven, zodat roomsen en protestanten samen zeiden: ja, dat is het, dat is het Evangelie, dat is de schat van de kerk, van de héle kerk. Ik denk aan wat prof. Kooiman geschreven heeft in de beide bundels „Maskerspel" en „Spelregels", die door de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam zijn uitgegeven. Telkens weer komt hij daar terug op de centrale thema's van Luthers theologie: de verborgenheid van Jezus Christus; de overmacht van het schijnbaar weerloze woord der genade; Jezus Christus als het ene blijvende middelpunt van de Schrift en ons bestaan; het spel, dat God met zijn kinderen speelt om hen des te dichter bij Zich te brengen.
Dat kunnen allemaal mooie onderwerpen worden voor alweer een proefschrift. Het wordt anders, wanneer al die woorden in het leven getrokken worden. Men wordt, zei Luther reeds, theoloog niet maar door te studeren en te speculeren, maar al levend en aangevochten en stervend. Vooral in de laatste jaren heeft prof. Kooiman dat geweten en aan den lijve ervaren. En misschien was het mee daarom, dat hij het meest geboeid was door wat Luther doorverteld en doorleefd heeft van wat Paulus noemt het aan Christus gelijkvormig worden door de dood heen tot de verrijzenis. Daar worden geloven, leven en theologiseren één.
Kerk zonder illusies.
Een aantal weken geleden is in ons blad het boek van Hans Heinrich Brunner onder bovenstaande titel besproken. In Hervormd Nederland van 14 september wijdt Ds. H. A. Visser een bespreking aan deze publicatie. Na een weergave van de strekking van dit boek (rigoureuze herstructurering van het kerkelijk leven in Zwitserland) maakt Ds. Visser een aantal opmerkingen ten aanzien van de situatie in ons land. Ook Visser acht een drastische herstructurering nodig en geboden.
Huisbezoek in oude vorm heeft zijn tijd gehad. De catechese zal via de scholen moeten geschieden. Over het pastoraat schrijft Visser.
Het pastoraat zal in de toekomst niet meer in het huisbezoek functioneren (dit zal hoogstens als eerste contactmogelijkheid enige zin behouden), maar in het gesprek „onder vier ogen", dat met de predikant op neutraal terrein (een goed ingerichte spreekkamer is hierbij conditio sine qua non) met de garantie van volledige anonimiteit en geheimhouding plaats moet kunnen vinden. De predikant zal hiertoe terdege geschoold moeten worden en de mogelijkheid èn bereidheid moeten hebben voor verwijzing naar arts, jurist, maatschappelijk werker en bureau geestelijke volksgezondheid.
De vraag is dan wel: Wat blijft er over van het ambt en de ambtelijke zielszorg als gebeurt wat Visser zich voorstelt. Wordt de predikant op deze wijze niet een maatschappelijke functionaris.
Maar Visser ziet nog meer dingen gebeuren. Ten aanzien van de gemeente schrijft hij:
Inderdaad zullen er in de toekomst veel grotere gemeenten moeten ontstaan. De gedachte, dat men als team van predikanten in een bepaalde regio samen gaat werken is verleidelijk, maar zal m.i. moeilijk te realiseren zijn, omdat de moderne mens heel bewust (veel bewuster dan vroeger misschien) zijn eigen kerk en zijn eigen predikant zal willen kiezen. Daarom zie ik in de toekomst kerken ontstaan, die een grote gemeente rondom zich hebben waarbij anderen, ook als zij buiten deze gemeente wonen, zich kunnen aansluiten. Men wordt in de eerste plaats lid van de gemeente rond een bepaald kerkgebouw, waaraan men ook zijn financiële bijdrage voor allerlei lokaal, kerkelijk en internationaal werk afdraagt, pas via die bepaalde gemeente wordt men lid van een bepaald „kerkgenootschap". Zo is het mogelijk, dat men lid wordt van een plaatselijke gereformeerde, remonstrantse of zelfs R.K. gemeente, omdat men zich er „thuis" voelt. Verhuist men echter naar een ander deel van het land, dan is het best mogelijk, dat men Hervormd wordt. Dat hangt helemaal af van de gemeente bij wie men zich in een bepaalde streek „lekker" voelt. Duidelijk is het, dat de viering van het avondmaal en de bediening van de doop voor ieder open staat. Pas vanuit een levend contact met een bepaalde kerk (en hierbij denk ik met name aan het kerkgebouw!) zal het diaconaat, het apostolaat op eigen wijze gaan functioneren. Het werk van de predikant zal anders, maar niet minder worden. Allerlei bezoeken, die hij nu met een gevoel van „zinloos" meent te moeten brengen, omdat het er nu eenmaal bij hoort, zullen vervallen. Veel uren zal hij echter moeten geven voor het houden van zijn spreekuur. Hij zal bijzonder hard aan de voorbereiding van zijn preken moeten gaan werken. Allerlei sociaal werk moet hij resoluut overdragen, maar het vormingswerk zal veel voorbereiding en avonduren vragen. De vóór-en nazorg van de kerkelijk gehuwden zal veel meer tijd opeisen dan vroeger. Hij zal (als hij de kans en de capaciteiten ertoe heeft) veel uren aan het godsdienstonderwijs op de openbare scholen (niet de lagere!) moeten geven, zich veel meer dan vroeger voor nationale en internationale problemen moeten interesseren en, als hij er de kwaliteiten voor bezit, in de openbare discussies hierover zijn mond roeren en de, gemeenteleden tot vaak bijzonder wereldse activiteiten moeten oproepen (vredesvragen; internationale hulpverlening; enz.).
De kerkeraadsvergadering zal veel meer een braintrust moeten worden. Uitsluitend de afgevaardigden van bepaalde werkgroepen dn de gemeente zullen er zitting in moeten hebben. In de toekomst zullen er geen ouderlingen en diakenen meer kerkeraadslid zijn, omdat zij toevallig voor dit ambt gekozen werden, maar diegenen die voortkomen uit jeugd-, bejaarden-en vormingswerk, uit de voorbereidingscommissie voor morgen-en avonddienst, uit culturele of diaconale werk, alsmede de cantor-organist, de koster en vooral de penningmeester. Wat mij betreft mogen zij zichzelf dan ook nog ouderling en diaken noemen.
We vrezen dat op deze wijze de kerk haar karakter als kerk van Christus gaat verliezen, als de nadruk zo gelegd wordt op de eigen keuze.
Kan men hier nog volhouden dat Christus Zijn gemeente vergadert rondom het Woord, als men zich kan voegen bij de gemeente of groep die men zelf verkiest. Mag men deze ontwikkeling, die toch samenhangt met de verbrokkeling van ons kerkelijk leven en met de ongeestelijke houding waarin wij leven, stimuleren door een herstructurering. We vrezen dat de kerk ophoudt kerk te zijn.
Geen gemeente naar keuze.
In het volgende nummer van Hervormd Nederland is dan ook van de hand van Ds. A. A. Spijkerboer een kritisch weerwoord gekomen op Visser's overwegingen. Hij bestrijdt de gedachte dat men zich naar keuze voegen kan bij een bepaald kerkgebouw met een bepaalde predikant. Hij schrijft o.m.
Niet goed lijkt me ds. Visser’s idee, dat in de toekomst ieder gemeentelid voor een bepaald kerkgebouw met bijbehorende predikant zou moeten kiezen. Tot op zekere hoogte gebeurt dat in de grote steden toch al, maar waarom moeten we daar een systeem van maken? Als het waar is dat een mens eigenlijk daar is waar hij woont, dan doet hij er goed aan om met zijn buurtgenoten naar de kerk te gaan. Natuurlijk kan dat bezwaren opleveren: je kunt het met de dominee, met het gebouw of met het orgel in meerdere of mindere mate treffen. Meestal „ligt het aan de dominee", maar daar moet je je niet te gemakkelijk van, afmaken. Als de dominee en de gemeente samen de weg willen gaan, als ze samen willen werken aan de preek, de liederen en de gebeden, dan gaan ze niet de gemakkelijkste weg, maar wel een weg die een belofte heeft. Het moet al heel gek lopen als die weg onbegaanbaar blijkt te zijn.
Nog veel te veel wordt er over de dominee gedacht als over een standwerker, die optreedt en wiens optreden al dan niet in de smaak valt. De kerkgang heeft dan meer van een tocht naar de kermis dan van een gang naar de gemeente van Christus. Het idee van ds. Visser zou dit alles alleen maar in de hand werken. Daar komt nog iets heel anders bij: als iedereen zou kiezen voor een bepaald kerkgebouw plus predikant, dan zou de gemeente binnen de kortst mogelijke tijd uiteenvallen in clubjes, „betere" en wat minder „betere" standen, fijnproevers en simpele zielen, liefhebbers van „meezingertjes" en mensen die pas gelukkig zijn met een melodie die niemand te pakken kan krijgen. „Organisatie van geestverwanten is het wezen van de secte" heeft Hoedemaker eens gezegd.
Vorming van aparte groepen in de gemeente is altijd een noodmaatregel en eigenlijk alleen maar gerechtvaardigd als het gaat over nomaden, zoals gevangenen, soldaten en studenten. De gemeentestructuur van ds. Visser doet mij denken aan een enorme zelfbedieningswinkel - het enige waar je echt langs heen moet is de kassa en verder is alles vrijblijvend.
Ronduit fantastisch vind ik het idee van ds. Visser dat je je bij een verhuizing ook bij een gereformeerde, remonstrantse of rooms-katholieke gemeente zou moeten kunnen aansluiten. Welke acrobatische toeren verwacht hij van ons? Torsen we in Leeuwarden de last van de Gereformeerde Oecumenische Synode om in Rotterdam te horen dat ons aller ongebondenheid nog het enige is dat ons bindt? Beleven we in Amsterdam de mis als een offer dat wij aan Christus brengen om dan in Balk te horen dat dat echt niet de bedoeling is?
Dat is raak en scherp gezegd: Een enorme zelfbedieningswinkel, waar men vrijblijvend in verkeert. Laat de gemeente van Jezus Christus zich laten dienen door Hem, die haar Hoofd en Here is. Hoe meer we leven uit Zijn dienst. Zijn offer. Zijn werk, hoe meer we ook verbonden aan Hem en elkander waarlijk gemeente zijn; Gemeente van Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's