JEUGDDIENSTEN (II)
Vorige week zagen wij, dat aparte diensten de eenheid van de gemeenten in gevaar brengen en aantasten en dat de dienst van het Woord voor ouderen en jongeren bestemd is. Onberekenbaar en onnaspeurbaar zijn de wegen van de Heilige Geest met het Evangelie in de harten van jonge mensen.
Een volgend bezwaar tegen de jeugddiensten is, dat het evangelie dreigt aangepast te worden aan een bepaald soort mensen, in dit geval aan jonge mensen. Dan heeft men zijn standpunt verlegd vanuit de Schrift naar de jonge mensen. Dit uitgangspunt deugt niet. Wanneer een dienaar lang genoeg in de Schrift graaft en lang genoeg vurig bidt, komt hij allerlei mensen tegen: jonge en oude mensen; rijke en arme mensen; ontwikkelde en eenvoudige mensen; mannen en vrouwen, enz.
Achter dit verkeerde uitgangspunt zit het kwalijke en kwaadaardige misverstand, dat het evangelie alleen maar op de toenmalige situatie is afgestemd en dat het nu door ons via allerlei uitlegkundige regels in deze tijd dient te worden overgezet. Maar dan is het evangelie geen eeuwig evangelie meer. Eeuwig betekent in dit geval zeker niet: buiten de tijd, maar in en bij de tijd. Men hoort nogal eens smalen op tijdloze preken. Wanneer daarmee bedoeld wordt, dat de prediker zijn eigen tijd niet kent, zich niet inspant om het Woord Gods bij de mensen te bezorgen, is dat een niet onbelangrijke beschuldiging. Maar meestal bedoelen deze smalers en smaders iets anders. Zij vinden, dat de vragen van de tijd - welke die dan ook mogen zijn - de toon in de prediking moeten aangeven.
Het komt blijkbaar niet in hun hoofd op, dat het evangelie vragen aan de orde stelt, die nooit in een mensenhart, ook niet in het hart van jonge mensen, opkomen. Waarom komen veel vragen, die God stelt, niet in een mensenhart op? Omdat wij - ook jonge mensen - vervreemd zijn van het leven Gods en dood in de zonden en de misdaden. Ook vandaag heeft de ontwikkelingshulp niet de hoogste urgentie, maar de verzoening met God door het geloof in Christus. Waar de Christus van de redding aan de orde komt, komt ook de arme, vlakbij of ver weg aan de beurt. Maar waar de inzet niet meer is: de Christus voor een verloren zondaar, daar bedenke men dat er geen weg loopt van de arme naar Christus.
Paulus zegt: Ik wil van niets anders weten dan van Jezus Christus en dien gekruisigd. Hij had zich dit voorgenomen. Dat wijst op verzoeking en aanvechting om ook nog van andere dingen te weten. Die verzoeking en aanvechting is er ook nu. Langzaam maar zeker infiltreert ook onder ons de geest dezer eeuw. Maar wij doen er goed aan bij alle wensen, die ook op de tafels van de kerkeraden gelegd worden, te bedenken, dat het Evangelie niet is naar de mens. Het strookt niet met de wensen van oude èn van jonge mensen, maar het is een kracht Gods voor een ieder, die gelooft.
Derhalve hebben wij niemand naar de ogen te zien dan Christus. Derhalve mogen wij het Woord Gods in al zijn rijkdom en verscheidenheid prediken aan de gehele gemeente. De toepassing is niet ons werk, maar het werk van de Heilige Geest. Het is alleen de Geest, die levend maakt. Onze eigen tijdgebonden inzichten, doen hierin niets dan kwaad. Zij belemmeren het werk van de Geest.
Ook op de geschiedenis der kerk kan men zich moeilijk beroepen om de-aparte godsdienstoefeningen te verdedigen. Van het begin af komen de kinderen in de godsdienstoefeningen. Luther en Calvijn stonden erop, dat ook de kinderen aanwezig waren. De synode van Dordt sprak uit, dat het tot het ambt der ouders behoort om de kinderen mee te nemen naar de dienst van het Woord.
De dienaren des Woords, die zich met hart en ziel geven aan de hun opgedragen taak, krijgen contact met de gezinnen, met de ouders en de kinderen. Zij zijn dan op de hoogte van de werkelijke noden, ook van de jeugd. Het catechiseren slaat de brug naar het verstandelijk verstaan van de prediking. Wie intens catechiseert, bouwt aan zijn gemeente. Het is een halsmisdaad, wanneer de ouders hun kinderen niet trouw naar de catechisatie zenden, zoals het een misdaad van een dienaar is, wanneer hij niet met al zijn krachten zich inspant de leer des heils de jongeren bij te brengen.
Wie de kern der zaak verwaarloost en zich met veel organisatorische drukten op de omtrek richt, verliest de kern van de gemeente èn ook de rand. Hij houdt tenslotte niets over. Alle middelen, die dan nog worden aangewend, zijn erger dan de kwaal. Wij moeten deze dingen eerlijk onder de ogen durven zien en geen verstoppertje met onszelf gaan spelen.
Van de dienaar des Woords mag worden verwacht, dat hij de realiteit van de macht en de invloed van de zonde op de gezinnen, op de jonge mensen kent en hen met het Woord, Gods in de consciëntie grijpt. Van hem mag worden verwacht, dat hij de ontferming Gods aan jong en oud predikt.
Dan hebben ouderen en jongeren één zielenood, n.l. verloren te liggen voor God en één behoefte, n.l. Christus tekennen als eigen persoonlijke Verlosser. Wie daaraan voorbij is en zioh met andere dingen bezighoudt, die is er nog nooit aan toegekomen.
En het is het ergste, wanneer wij dit niet meer zien. Wie in deze dienst met jong en oud bezig is en blijft, wordt een verzorger van het huisgezin van God.
Een verzorger heeft te rekenen met de jongeren. Zij behoeven niet in elke dienst afzonderlijk aangesproken te worden. Het is op zijn tijd zeer nuttig en nodig. Het is een kwalijke zaak, wanneer de jongeren het gevoel hébben er bij te hangen in plaats van er bij te behoren. De gemeente een huisgezin. En een huisgezin dient in de prediking verzorgd te worden. Daarbij dient de prediking èn het gemeentelid eenvoudig te zijn. Eenvoudig wil niet zeggen: zeggen wat iedereen weet. Het wijst veeleer op de nederigheid en de ontvankelijkheid van de prediker en de hoorder. Zij beiden behoren als een kind het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Wat voor de wijzen en verstandigen verborgen is, dat is aan de kinderen geopenbaard.
Tegelijk dient de prediking vol onderwijs te zijn. Het doel is en blijft de opbouw van het huisgezin, van 't lichaam van Christus. Dit onderwijs heeft betrekking op het geheel van de Schrift. Dat geeft de dienaren handenvol werk. Zij moeten in de Schriften doorkneed, thuis zijn. Hun prediking moet er op uit zijn de veelkleurige wijsheid Gods in Christus door de Geest te openbaren. De gemeente dient ruggegraat te hebben en te houden.
Daarom is het een onmogelijke eis, dat een preek van het begin tot het eind door alle gemeenteleden, dus ook de jongeren kan worden verstaan. Een kind, dat een stukje van een preek kan meenemen heeft niets te mopperen. Een jongen en een meisje, die een wat .groter stuk kunnen opnemen, hebben niets te klagen. Wanneer deze stukken /biddend worden verwerkt en op de catechisaties de fundamenten van de leer worden bijgebracht, is de toegang naar de prediking geopend.
Een schriftuurlijke preek kan door een ieder gevolgd worden, die het onderwijs niet verzaakt, de bijbel leest en onderzoekt.
Heel wat klachten over de onverstaanbaarheid van de preken komen voort uit lauwheid, ongeïnteresseerdheid en erger.
Men bouwt niet aan de gemeente, wanneer men uit deze motieven jeugddiensten instelt. De verschraling en de verarming van de gemeente zet zich - ondanks deze jeugddiensten - voort en de ontbinding van de gemeenten is er niet door gestuit.
Deze ontbinding van het grote gezin (de gemeente) zet zich door ondanks de in de dertiger jaren georganiseerde jeugddiensten. Ongetwijfeld zijn er mensen, die in een bepaalde fase van hun leven iets of veel aan jeugddiensten te danken hebben. De Heere is en blijft vrij met Zijn Woord te doen naar Zijn welbehagen. Maar dat is iets anders dan dat de jeugddiensten in het geheel van het kerkelijk leven tot een zegen zouden zijn. Integendeel, de versnippering van de gemeente is er door toegenomen. De kerkgang van het gezin is uiteengereten. Vader en moeder kerkten in een gewone dienst, de kinderen in 'n jeugddienst. Het gezamenlijk horen van de zelfde prediking is er dan niet meer bij. Dat is een ernstige zaak.
Ook hebben de jeugddiensten niet bijgedragen aan een trouwe kerkgang van de jeugd. Soms gaat de jeugd alleen naar de kerk, wanneer er een jeugddienst, een dienst voor hen wordt gehouden. Wanneer eindigt de kerkgang van de jongeren in de jeugddienst? Wanneer gaat men naar de „gewone" diensten? Er zijn er, die dit meemaken. Er kunnen er wel eens meer zijn, die dit niet meemaken en zo goed als nooit meer in de gewone diensten komen.
Mogen wij vragen of de gewone diensten via de jeugddiensten beter bezocht t worden dan vroeger? Is het catechisatiebezoek via de jeugddiensten toegenomen? Bloeien de jeugdverenigingen nu meer dan vroeger via de jeugddiensten? Of gaat de afbraak van het verenigingswerk hand in hand met het bevorderen van jeugddiensten?
Op grond van het bovenstaande raden wij de kerkeraden aan zich niet te begeven op deze weg, maar alles te doen om langs wegen, die beproefd gebleken zijn, oud en jong te vergaderen onder de bediening van het Woord Gods.
Tegelijk dienen wij begrip te hebben voor situaties in z.g. „gemengde" gemeenten, waarin jeugddiensten zijn. Soms worden enkele beurten toegewezen aan Herv. Geref. predikanten, die deze zo goed mogelijk vervullen en ze zoveel mogelijk als een gewone dienst laten verlopen. Dat in zo'n dienst bijzondere aandacht geschonken wordt aan de jeugd, is vanzelfsprekend.
Die aandacht voor de jeugd mag ook bepleit worden in de gewone diensten. Ook de jeugd heeft soms bijzondere aandacht nodig. De Schrift geeft ons een rijkdom van teksten en pericopen die het leven van jonge mensen belichten.
Een godvrezende vrouw was steeds bijzonder blij, wanneer in de prediking aandacht aan de kinderen van de gemeente, waaronder ook haar kinderen, werd besteed. Zij was gewoon te zeggen: Ik luister vaak voor mijn kinderen. Wanneer vanuit het Woord het leven van oud en jong wordt belicht, hebben wij geen behoefte aan jeugd-en gezinsdiensten. Wij houden elke week gezinsdiensten. Wanneer er in een gemeente behoefte blijkt te bestaan aan z.g. oppasdiensten en er tegelijk of afzonderlijk voor de jongere kinderen wordt verteld, is dat alleen maar te prijzen.
Tenslotte geldt: laten wij de instellingen des Heeren hooghouden en ze met onze kinderen gebruiken in biddende afhankelijkheid. En de Heere zegene de dienaren met de gemeenten.
Katwijk aan Zee G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's