De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 5 — Artikel 12.
Doch zoverre is het vandaar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware gelovigen hovaardig en vleselijk zorgeloos zou maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in alle strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige beoefening van dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt.
Ware godzaligheid.
De Dordtse synode verwierp de dwalingen van hen die leren: Dat de leer van de verzekerdheid der volharding en der zaligheid uit haar eigen aard en natuur een oorkussen des vleses is en voor de godvruchtigheid, goede zeden, gebeden en andere heilige oefeningen schadelijk; maar dat het daarentegen prijselijk is te twijfelen". Hiertegenover stelt de synode, dat de leer der volharding een ware wortel is van ware godzaligheid. Wat wordt er bedoeld met godzaligheid? In de Bijbel komt het voor in Hand. 3 : 12, waar Petrus zegt_: „wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid deze hadden doen wandelen? ". Hier betekent het wel godsdienstigheid of vroomheid. Petrus zegt: enk niet, dat wij zo geweldig vroom zijn, dat wij zulke macht hebben. Bij de heidenen in de hellenistische wereld wordt het grondwoord veelvuldig gebruikt ter aanduiding van godsdienstigheid. Het is niet bepaald een eigenschap, die alleen voor wedergeborenen wordt gebruikt. Het is vaak een algemene aanduiding. Daarom spreekt ons artikel van ware godzaligheid. In Hand. 10 : 2 wordt van Cornelius gezegd, dat hij godzalig is. Bij hem is het wel ware godzaligheid. Het woord wijst op de wijze van leven van Cornelius. Hij leefde nauw, biddend, gaarne gevend, hij zocht God met heel zijn hart. Godzaligheid is dus een wijze van leven. In 2 Tim. 3 : 12 lezen we: En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden". Ware godzaligen zijn mensen, die maar geen naam-christenen zijn, doch met de navolging van Christus ernst maken. Deze mensen zullen altijd weer de vijandschap hunner medemensen opwekken en moeten ondergaan. Het lijden en de vervolging zijn niet een voor het christenleven toevallige zaak, waaraan men zich zou kunnen onttrekken. Daar is ook een godzaligheid, die niet echt is. In 2 Tim. 3 : 5 lezen we: Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben".
Godzaligheid is dus een beoefening van het christelijk geloof.
Wanneer heeft iemand een schijn van vroomheid of godzaligheid? Als hij de vorm vertoont, doch de kracht, het innerlijk beginsel, de band aan Christus en de Heilige Geest mist. In 1 Tim. 6 : 6 wordt gezegd: Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging". Dit woord moeten we in verband lezen met het vorige vers, waar staat, dat er mensen zijn, die menen, dat de godzaligheid een gewin is. Dat zijn vast de ware godzaligen niet. Hier wordt wel op dwaalleraars gedoeld, die geen ander belang bij hun leraarschap hebben dan dat het hun geld opbrengt en eer. Eerst zegt de apostel dan: wijk af van dezulke". Dan vervolgt hij: daar is inderdaad een grote winst uit de ware godsvrucht te halen nl. geestelijke en onvergankelijke schatten. Wat is een godzalig man zoals Cornelius gelukkig, als hij God zoekt en al zijn doen en laten op de Allerhoogste gericht is. De ware godzaligheid betekent een vol zijn van het verlangen naar God, een begeerte om naar al zijn geboden te leven, een kiezen van de weg des levens en nog veel meer. De godzalige is een mens, die van zichzelf afziet en zijn lust heeft in de kennis des Heeren.
De godzaligheid is dus een religieuze, niet zozeer een morele zaak. Het is een zaak des harten, meer dan een zaak des handen. Maar de laatste zijn toch ijverig in actie, want de ware godzaligheid is ook een overeenkomen van eer en leven. De psalm zegt: „In God is al mijn heil, mijn eer". Dus niet in mijn werken of vroomheid. De godzaligheid najagen levert veel winst op en nog een zeer mooi iets: die winst gaat gepaard met een innerlijk vergenoegen, een tevredenheid met armoede of rijkdom. Voor de godzalige is alles uitstekend: hij heeft altijd genoeg. Hij heeft aan God genoeg.
De godzaligheid vereist wel oefening. Veel strijd, veel gebed, veel kruis en al maar oefenen. Daarom staat er in 1 Tim. 4:8: en oefen uzelf tot godzaligheid". Welke oefening zou dit zijn? Allereerst in geloof, dan in gehoorzaamheid en niet minder in gebed. En maar oefenen. Want, zo zegt de apostel, de lichamelijke oefening is tot weinig nut. Hier hoeft men niet aan gymnastiek te denken, maar aan het zichzelf op lichamelijk gebied allerlei beperkingen opleggen. Calvijn wil niet denken aan de jacht of de wedloop of zo iets maar aan alle uitwendige handelen, die uit hoofde van godsdienstige overtuiging ondernomen worden: doorwaakte nachten, op de grond slapen, niet eten enz. De godzaligheid, zegt Calvijn, is de geestelijke dienst van God, die gelegen is in een zuiver geweten. Het komt dus bij de godzaligheid aan op het Gode welgevallige leven, zoals ik zei: geloof, gehoorzaamheid, gebed. De apostel schreef: onder geloof is het niet mogelijk Gode te behagen.
Lijdzaamheid in alle strijd.
De levende vis zwemt tegen de stroom op. De levende mens heeft een strijd op aarde, lezen we in het boek Job. Het gedicht zegt: aar moet veel strijd gestreden zijn; maar dat is voor de eeuwigheid bedoeld. Zo zegt ook de Heere Jezus: strijdt gij om in te gaan door de enge poort". Het leven van een waar gelovige is het leven van een soldaat van Christus, van een - mens, die zich uiterst inspant. Het is een bijzondere, ook een bijzonder moeilijke strijd. Wij lezen in Efeze 6 : 12: ij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen geestelijke boze machten. In de grondtekst staat een woord, dat de worsteling aanduidt, de inspanning dus van alle krachten. De duivel en de boze geesten, verzoekingen en aanvechtingen zijn de vijanden. Het zijn geen zichtbare vijanden, die men met handen en voeten te lijf kan gaan. Zij zijn helaas geheimzinniger, verborgener, sterker. De zonde, het radicaal kwade, is een grote macht.
Wat houdt het in, dat het leven en werken van een christen een strijd genoemd wordt? Wel ten eerste, dat het leven van de Christgelovige een doel heeft: het hemelrijk. Omdat te bereiken mag hij niet traag zijn noch zijn krachten sparen. Het is een strijd, een hartstochtelijk worstelen om anderen en zichzelf te behouden. Paulus sprak het evangelie „in veel strijds" (Thess. 2:2) om een iegelijk mens volmaakt te stellen in Christus Jezus. „Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar zijn werking, die in mij werkt met kracht." (Col. 1 : 29). Paulus spande zich voor zijn gemeente op allerlei wijze in ook door spreken en bidden, zo doet een christen voor zijn gezin en voor anderen.
Ten tweede vordert deze strijd niet alleen de inzet van alle kracht, maar ook het uiterste van soberheid. Al de behoeften van ons (vleselijk) ik moeten opzij. „En een iegelijk, die om prijs strijdt onthoudt zich in alles" (1 Cor. 9 : 25). Wij onthouden ons niet van onze wensen, eisen en bindingen om een monnikenleven te lijden, maar wij onthouden ons in alles om in de strijd der mannen te overwinnen. „Wees nuchter (wakker) in alles", lezen we in 2 Tim. 4:5. Dat betekent: onthoud u in alles wat de waakzaamheid en geschiktheid tot de arbeid doet verslappen en ook: onttrek u aan de bedwelming van de dwaalleer. Het gaat niet om wereldmijding, maar om het verstandig inzien, dat iets goeds een vijand kan zijn van het (veel) betere. Daarom heeft het zin, dat ieder christen zich ook onthoudt van dingen, die op zichzelf goed zijn.
Ten derde is het een strijd, omdat er bij duivelen en mensen en bij eigen vlees zoveel tegenstand is. Daar zijn zoveel gevaren en dreigende catastrofen, door welke heen een christen de weg naar de stad moet vinden. Als het goed is, zeggen we: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden". (2 Tim. 4 : 7)
Ten vierde is toet een strijd, omdat het martelaarschap dreigt. Op één of andere wijze moeten we onverwachts voor ons geloof lijden. Daarop wijst Hebr. 10 : 32 „Doch gedenkt der vorige dagen, in de welke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen".
Ten vijfde is het een strijd, omdat het einddoel niet ligt in de eigen zaligheid alleen, maar niet minder voor de vele anderen. Daarom vermaant de apostel in Rom. 15 : 30: En ik bid u, broeders, door onze Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijd in de gebeden".
Dit is een moeizame strijd. Vandaar dat er zoveel lijdzaamheid nodig is. Wat is lijdzaamheid? Zo op het eerste horen een nogal rustig iets. Men zou haast denken aan lijdelijkheid en stil zitten. Maar het omgekeerde is bedoeld. Met lijdzaamheid is bedoeld, dat men de strijd niet opgeeft, doch doorvecht. Het is de standvastigheid, die betoond wordt in het dragen van moeite en leed. Rom. 5 : 3, zegt, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt. Wat is die verdrukking! Het is de toestand, waarin de gemeente van Gods genade en geest niets ziet, doch door allerlei machten angst aangejaagd wordt en in duisternis gezet. Waar is deze verdrukking nuttig voor? Om te leren te blijven geloven zonder te zien. Lijdzaamheid betekent volharding. Jairus bleef geloven ook toen zijn dochtertje gestorven was. Dit bij wijze van voorbeeld.
En als men op deze wijze het uithoudt komt de bevinding van het geschonken uithoudingsvermogen voor de dag. In die volharding openbaart zich de echtheid en deugdelijkheid van het in de verdrukking beproefde leven. Men kan ook zeggen, dat de gelovige de kracht van zijn geloof bevindt. Hij weet nu uit ervaring, dat zijn geloof het uithoudt. Men kan zeker zeggen door Gods kracht. Maar het is ook een bevinding van de echtheid van ons geloof. Bevinding bevat immers een ervaringskennis. Als de man van mijn buurvrouw gestorven is, weet ik van horen zeggen, wat het is weduwe te zijn. Als mijn eigen man gestorven is, weet ik het uit bevinding. Bevinding van zonde betekent, dat ik niet slechts van horen zeggen weet, dat ik een zondaar ben, maar dat de ogen van mijn zieleleven geopend zijn door de Heilige Geest om mijn zonde te zien, te gevoelen, te betreuren en te weten, dat ik de grootste der zondaren ben.
In Rom. 15 : 4 wordt gesproken van lijdzaamheid en vertroosting der Schriften. Daarmee is bedoeld hetgeen de Schriften aan volharding en vertroosting te zien geven in het leven dergenen van wie zij vertellen èn in de directe aansporingen daartoe. In vers 5 is sprake van de God der lijdzaamheid en der vertroosting. Die eensgezindheid moge geven. Het is dus God, die de volharding schenkt. Voor die volharding moge het leven van Christus tot voorbeeld zijn, zegt de apostel ook nog. De lijdzaamheid of de volharding heet in 2 Cor. 6 : 4 verdraagzaamheid: Paulus was een voorbeeld van uithoudingsvermogen. Al maar bidden en strijden, niets vorderen en toch volharden. In 1 Thess. 1 : 3 wordt gesproken van de verdraagzaamheid der hoop op onze Heere Jezus Christus. De mannen en vrouwen van Thessalonica blijven dus maar hopen op Christus. Zij houden de tegenkanting, de aanvechting en de verzoeking uit zonder deze hoop los te laten, vers 4 zegt, dat het blijven hopen dezer gelovigen een vrucht is van de verkiezende God, Die niet laat varen wat Zijn hand begon. Wie het vorenstaande gelezen heeft begrijpt nu ook 2 Thess. 1 : 4: Alzo dat wij zelve van u roemen in de gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt".
Hier is dus de gelovige de man, die alles te dragen krijgt en toch volhardt. Die lijdzaamheid is een zeer begeerlijk goed. Wat helpt het al zijn wij begonnen God te zoeken, maar we houden het niet vol. Dan is het verloren. Want alleen die volharden zal tot het einde, zal zalig worden. Daarom vermaant de apostel in 1 Tim. 6:11 „Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid", Timotheus moet geen aardse schatten najagen doch hemelse. Voorts merken we nog op, hoe menigeen zich bevreesd afvraagt of hij dan wel zij tenslotte niet verloren zal gaan vanwege gebrek aan volharding. Menig kind Gods staat te trillen op zijn geestelijke benen uit vrees voor de uiteindelijke ondergang. Vandaar de vele vermaningen tot lijdzaamheid d.i. volharding en ook de vertroosting dat God de God der lijdzaamheid is, die dus volharding schenkt. Ps. 68 : 17b.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's