De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MIJN AANGEZICHT!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MIJN AANGEZICHT!

8 minuten leestijd

„Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons van hier niet optrekken." Exodus 33 vers 14 en 15.

De Heere is een God met een aangezicht. Hij laat Zich kennen en Hij wil gekend worden. U kunt het beeld naar believen uitbreiden: Hij heeft ogen, waarmee Hij ziet, oren waarmee Hij hoort, een mond waarmee Hij spreekt. Hij is de levende God, Die zich in verbinding met mensen wil stellen. Zijn aangezicht, dat is de weldaad van Zijn verbond. Wie daar erg in krijgt - de H. Geest is ons daartoe nodig - kan zich met minder niet tevreden geven. Alles goed en wel, maar daarom gaat Zijn aangezicht nog niet mee. Dat is geen algemene voorzienigheid, dat is een bijzondere voorziening. Dat is niet vanzelfsprekend, zodat we het ieder zouden kunnen zeggen: Natuurlijk, maak u maar niet ongerust. Zijn aangezicht gaat mee, wat dat dan ook zijn mag. Vanzelfsprekend is het niet, dat lezen we bier. Dat beseft trouwens ieder, die zijn zonden ontdekt, de vervreemding van God, die met geen vrome woorden te verbergen valt. Wat kan er dan een onrust in ons hart heersen, een vage onrust, dat er iets niet in orde is. Wat? De Heere kijkt ons recht in de ogen: Mijn aangezicht. Zou het dat zijn? Moet dat meegaan?

Dat is het. Wat staat mij te wachten als u niet meegaat. In tegenspoed, maar even goed in voorspoed. Als u mij niet naar U toehaalt en verklaart: Het is goed tussen ons en Ik maak alles goed met u. Dat is Mijn aangezicht gaat mee. Zou dat moeten? Een indringende vraag, u moet die beantwoorden. Op een tweesprong, bij een keerpunt. Op hoogtepunten en dieptepunten wordt de vraag gesteld en het antwoord gegeven. Metterdaad gegeven. Uw aangezicht zegt die jongen. Dat zal mij een zorg zijn, ik red mij wel. Uw aangezicht, zegt dat meisje, dat zit wel goed, ik red me wel. Kinderen, niet zo onverschillig, vermaant vader. En vader dan? En moeder? Als het maar meeloopt hè. En als het tegenloopt, wat dan?

Nee, ik ga u daar echt niet over doorzagen, de Heere doorziet ons. Willen wij, wij bidden toch - wel wat van Hem, maar Hém niet. Weten wij niet eens wat dat is: Hem! Zwijg maar, voegt u mij toe. Dat moet wel, maar dat kan niet. Gods aangezicht gaat niet mee, en daar hebt u het naar gemaakt, net als Israël. Onder dat oordeel ga ik gebukt. Bent u daaronder gerust? O nee, de onrust knaagt aan de wortels van mijn bestaan. Hoe kom ik er door en waar kom ik aan, zonder Hem? Zonder Zijn aangezicht. Hij wil mij niet meer zien; Hij is te rein van ogen om het kwade te zien, en wat kan Hij anders in mijn leven zien dan het kwade. Zijn aangezicht met mij mee gaan. Daar kan geen sprake van zijn. En dat brengt de Heere hier nu net ter sprake.

Verbaasd over zoveel begrip voor zijn diepste bedoeling speelt Mozes open kaart: Indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Al zegt U, Heere, dat wij bewaard zullen worden, dat wij in Kanaän zullen komen, laat ons dan maar niet vertrekken. Dan durven wij niet verder, echt niet. Wij, Uw volk en ik. Ik spreek hen voor, ik spreek namens hen. Zij zijn toch Uw volk. Wat zijn ze zonder Uw aangezicht, Heere. Wie zijn wij? Opstand en afval. Heere, kom er over heen, verzoen de zware schuld, laat het licht van Uw aangezicht over ons schijnen.

Mag iemand het zo stellen? De Heere lokt het uit. Toe, kom er eens mee voor de dag, met wat u beweegt en benauwt. Heere, dat is het, dat wat U zegt. Als Uw aangezicht niet meegaat dan ... Daar moet ik niet aan denken. Nu hebben wij de schepen achter ons verbrand, wij die zo vaak trachten te schipperen. Wij die vaak nog een slag om de arm houden. Stelt de Heere het zo, dan kan ik er niet omheen. Zo was het eens, in mijn jonge jaren; zo was het toen ik trouwen ging, zo was het... zo is het nog. Dat Uw aangezicht meegaat is een levensvoorwaarde. Hoe heb ik het verbeurd, hoe begeer ik het. De Heere zorgt er voor dat zijn vragen beantwoord worden.

Niemand is daarbij zo ver gegaan als de Middelaar. De Israëlieten mogen het wensen, ze kunnen het niet bewerken, al zijn ze er bij betrokken. Mozes legt het de Heere voor, ronduit. Wij buigen ons in de deur van onze tent. Daar, in de tent der samenkomst wordt er over onderhandeld, wordt er om geworsteld. Er liggen verbindingen tussen die tent der samenkomst en de tenten van Israël, waar harten gebroken werden en knieën gebogen. Zo is het nog. Want als iemand dat voor elkaar krijgt, ben ik het niet en bent u het niet. Dan is de Middelaar het.

Zo komen wij weer bij Christus terecht, met vraag en antwoord beide. Hij raakte verwikkeld in onze schuld, in ons oordeel. Vrijwillig en van heler harte. Hij sprak er over met God, de Heere. Wij konden er niet over beginnen, wij wilden het niet, wij durven het niet. Eigenlijk begon de Heere er met Hem over en Jezus Christus sprak het met Hem dóór. Dat was heel wat: dóórspreken tot in de dood, de smadelijke dood van het kruis. Daar werd de zonde verzoend, en in die verzoening ging het om het aangezicht. Wie kan dat beschrijven. Mijn aangezicht gaat niet mee, toch moest Hij verder, de nacht in, de hel in. God verborg Zijn aangezicht voor Hem, dat is de nacht, dat is helse angst en smart. Daar weten alle ware gelovigen maar iets van, zij doen er belijdenis van: het is hun bitterder dan de dood. Christus kwam er alles van te weten aan het kruis: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten. Toch hield Hij aan God vast, toch hield Hij aan Zijn schuldig volk vast. Zo volbracht Hij het. En de Heere zeide tot Mozes: Ook deze zaak waarover gij gesproken hebt zal Ik doen. Omdat gij genade gevonden hebt in Mijn ogen en Ik u bij name ken. Daar moet Mozes weer achter Christus terugtreden, hoe ver hij hier ook naar voren geschoven wordt. Om Uwentwil, mijn Zoon. Om Uw dood, om Uw bloed. Om het welbehagen, dat Ik in U heb. Daar gaat Gods aangezicht lichten.

Het volk Israël is er goed mee geweest, dat de Heere Mozes kende, en dat Mozes genade vond in de ogen des Heeren. Ze kunnen het van zijn gezicht lezen: het straalt. Ze zullen het uit zijn mond horen: De Heere gaat mee. Dat bericht gaat van tent tot tent; het is de blijde boodschap van de herstelde gemeenschap. Wat tussen de Heere en Mozes besproken werd, mag onder Israël bekend gemaakt worden.

En wat tussen de Heere en de Middelaar besproken wordt, dat mag verkondigd worden in, de gemeente, neergeschreven in dit weekblad: Het evangelie van de genade Gods, van het aangezicht dat toch meegaat. Hoe neemt u het op? U laat het voor wat het is, tenzij ... Er zijn toch mensen die zich aanklagen, en toch de Heere achter aan klagen. Die smeken: Keer eind’lijk Heer' toch weder. Verlos ons, toon ons 't liefelijk licht van Uw vertroostend aangezicht. Die het niet kunnen, en het tegelijk niet laten kunnen. Hoe zal de uitslag zijn? Zag u dan de Middelaar niet gaan? De uitslag wordt u in Zijn Naam medegedeeld. Het verlossende woord in Christus Jezus wordt uitgeroepen door heel de legerplaats. Zou mijn aangezicht moeten mee gaan. Echt? Hoopt u daarop. Hoopt op de genade, die u toegebracht wordt in Christus Jezus. Door het Woord, gaat de Heilige Geest uitdelen, wat Christus verworven heeft. De grote schat der genade: Mijn aangezicht gaat mee. Hij doet dat van geslacht tot geslacht.

Die het vernamen, verheugen zich in den Heere. Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent: o Heere, zij zullen in het licht van Uw aangezicht wandelen. Wat waar is wordt bestreden en bevestigd. Meer dan eens neemt de Heere ons onder vier ogen: zou Mijn aangezicht moeten mee gaan. In allerlei omstandigheden, bij allerlei beslissingen. Meer dan eens spreekt de duivel er ons over aan: Nu zal het niet meegaan. Heere, maak Uw woord waar. En Hij maakt het waar. Zo kunnen wij verder, tot onze onuitsprekelijke rust, tot onze onuitputtelijke troost. Zien we terug op ons levenspad, dan vielen er schaduwen, maar er speelde licht doorheen: Gods aangezicht wierp Zijn schijnsel er over. Het ging mee. Het gaat mee. Het zal ons daarom niet aan licht en kracht ontbreken. Hebben wij het verbeurd, Christus verdiende het. Wat Hij bewerkte kan niet ongedaan gemaakt worden. Meegaan.

Als wij verder gaan, meegaan als wij heengaan. In vrede heengaan. De Heere zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

MIJN AANGEZICHT!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's