De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Aannemelijke vragen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Aannemelijke vragen

5 minuten leestijd

Hoe heeft een zondaar weet van zijn rechtvaardiging? Is dit een proces, dat gedurende het gehele geloofsleven rijpt, of is het een eeuwige daad Gods in de zogenaamde vierschaarbeleving?

De rechtvaardiging van de zondaar is dat God Hem, die geen zonde heeft gekend of gedaan, zonde heeft gemaakt, opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem. Door het éne offer eeuwig volmaakt!

De grote vraag, die menigeen soms jaren angstvallig bezig houdt is: Hoe weet ik dit of hoe kom ik aan de weet hiervan?

Graag geef ik het woord aan onze belijdenis. „Wij geloven dat, om ware kennis van deze grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt." Dat is heel duidelijke taal.

Maar ik verwacht een volgende vraag. Namelijk: Hoe weet ik dat ik geloof? Die vraag is me al dikwijls gesteld. Een mens moet het ook weten dat hij gelooft, zegt men immers. Ik heb dan altijd heel bevreemd gekeken. Want het is toch een wonderlijke constructie, dat men weten wil dat men zeker weet. Wij mensen zijn als de argwanende, die niemand en niets vertrouwt dan zichzelf en niets overneemt dan waar hij zelf bij is.

We moeten echter juist uitschakelen, wat we graag extra willen laten fungeren, indien het bij ons werkelijk tot geloof komt. We hebben zoveel vertrouwen in die oude mens van ons, dat die zou moeten uitmaken en beslissen of er een nieuwe mens bij ons in het spel zou zijn. En wel bepaald vertrouwen in de oude mens, wanneer die zich uitermate vroom en engelachtig voordoet. De natuurlijke mens, die zich met zijn verduisterd verstand toch wat godsdienstige opvattingen heeft eigen gemaakt, zou moeten verstaan dat heerlijke ding dat de Geest Gods werkt? U moet toch begrijpen dat zoiets beslist niet kan.

Wij kunnen het met de beste wil van de wereld, die tussen haakjes helemaal niet zo best is, maar nooit te pakken krijgen. Het pakt ons. Onder tranen mogelijk, in elk geval bewogen, van hogerhand bewogen, roepen we op een gegeven moment: Ik geloof, omdat we gedreven worden als door een wind die ons voortblaast. De Geest ontsteekt. Het werd me te machtig, zeggen we wel eens. Welnu, zo ligt het. Het Woord wordt ons te machtig. „Niet omdat ik het zo in mijzelf gevoel, maar wijl God zegt dat ik zo in Zijn Zoon ben."

Het geloof heeft niet zijn vastigheid in het feit, dat wij het in onszelf ook zo goed weten, maar is veeleer bevestigd in het secure weten Gods. In de trant van de Petrus overweldigende erkentenis: Heere, Gij weet, dat ik ...

Nu over het proces. Onze catechismus vraagt hoe wij rechtvaardig zijn voor God. Niet hoe wij rechtvaardig werden, maar hoe we rechtvaardig zijn, bij de voortduur rechtvaardig.

Men zegt wel eens dat het - ofschoon het tegenwoordig lang niet meevalt om vele redenen - geen kunst is om boer te worden, maar om boer te blijven. Mutatis mutandis is het in bepaalde zin niet zo moeilijk om rechtvaardig te worden - dat wil zeggen je op een extra vroom moment je in te beelden dat je rechtvaardig bent - maar wel is het een genade en gave om rechtvaardig te wezen voor God. Voor God dat betekent wandelend voor Zijn aangezicht.

Natuurlijk is de eerste klap een daalder waard. Het goede begin is in dezen het hele werk. Het heugt en vertroost als we ons te binnen brengen, hoe die vergeving en toerekening ons voor het eerst werd bijgebracht, waarbij niet de mate en de eigen wijze beslissend is. Door de verkondiging van het Woord en de toepassende kracht van Gods Geest werd de vrijspraak medegedeeld in het hof van onze consciëntie. Dat zal de vrager wél bedoelen met de „vierschaar-beleving". Maar we moeten die ervaring natuurlijk niet al te zeer verzelfstandigen en verheffen tot een categorische instantie. We moeten belevenissen niet tot afgoden maken. Maar natuurlijk is dat eerste belangrijk en onvergetelijk. In Openbaring lezen we een uitdrukking: Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde. Ik ga nu niet exegetiseren. Ik wil er slechts op wijzen, dat men niet op zijn lauweren - geschonken en toegerekende lauweren - mag gaan rusten. De rechtvaardiging is een van de vele werken Gods, die Zijn hand niet laat varen.

Luther beweert, dat Gods volk gedurende de ganse geloofsweg bezig is met het zoeken van zijn justificatie.

Het is geoorloofd om te denken aan een rijping, aan groei en toename.

De catechismus formuleert in zondag 23: „In zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem." Het geloof is en blijft hierop gericht.

Als sprake is van de vraag: Hoe zijt ge rechtvaardig voor God is het de bedoeling niet dat we worden afgesteld op een bepaalde datum in het verleden, maar dat we worden afgestemd en dat bij de voortduur op de golflengte van het eeuwig Evangelie.

De belijdenis zegt dat het geloof houdt in gemeenschap met Christus en Zijn goederen. Een belangrijk goed nu is de rechtvaardiging.

Allicht zullen twee gelieven nimmer vergeten het moment, waarop ze elkaar wederzijds hun innige genegenheid voor elkaar schuchter uitspraken.

Maar ze kunnen met dat onvergetelijk moment niet toe. We willen dat toch graag steeds weer elkaar vertellen. Je krijgt er niet genoeg van en je haalt het niet in je hoofd om te zeggen, dat je andere daar nu maar eens mee moet ophouden, omdat het al zo vaak is gezegd en omdat je dat allang weet.

Die deugniet van ons vraagt wel tien keer op een dag: Ben ik stout? Welneen, zeggen vader en moeder om beurten: Je bent lief. Ik zou zo denken, dat ge de Heere kinderlijk moet vrezen. Kinderlijk moogt vrezen ook. Van die kinderlijke vreze geldt eveneens: Welzalig, die gedurig vreest.

Met de rechtvaardiging moogt ge uw leven vullen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Aannemelijke vragen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's