De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ZENDING IN HET MIDDEN-OOSTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZENDING IN HET MIDDEN-OOSTEN

7 minuten leestijd

IV.

De Arabische protestantse christenen zijn samengebracht in de Nationale Evangelische s5aiode van Syrië en Libanon. Deze kerken tellen ongeveer 20.000 leden, verdeeld over 65 kerken met 40 predikanten en evangelisten. Zij onderhouden 22 christelijke scholen en dragen de zorg voor drie ziekenhuizen. Ook met deze kerk is het werk van de Morgenland-zending geïntegreerd, zoals zij dat is met de Unie van Armeens Evangelische kerken in het Nabije Oosten. Zij dient deze kerken, die onder een groot tekort aan predikanten en evangelisten lijdt, door vier vrouwelijke zendelingen ter beschikking te stellen.

Toen mej. Hartmann (een Zwitserse) in 1954 door de Syrische regering uit Aleppo werd uitgewezen omdat zij naar de mening der regering te zelfstandig optrad in de evangelisatiearbeid daar, kon zij haar werk voortzetten in samenwerking met de Evangelisch-Arabische kerk in Libanon. Zij vond haar werkterrein in de dorpen in de bergen en in (de Békaa-vallei waar kleine gemeenten van de Arab. Evang. kerk waren, die jarenlang van voorgangers verstoten waren geweest. Daardoor ontstond een zendingscentrum in Saghbine, een dorp in deze vlakte, die ligt tussen het Libanon-en het Anti-Libanongebergte. Met drie andere dames, waarvan twee Hollandse, verricht zij daar nu prachtig geestelijk werk voor deze kerken vooral onder vrouwen en de jeugd. Hun voornaamste taak is het leiden van zondagsscholen en houden van kinderclubs, samenkomsten met vrouwen waar gezamenlijk bijbelonderzoek hoofddoel van is. De dames doen veel aan persoonlijk huisbezoek en colportage.

Zij openden een vormingscursus die uitgaat van de Evang. Arabische kerk waar door hen de verschillende vakken Worden gedoceerd. Hier worden meisjes na het behalen van het Mulo-diploma opgeleid voor allerlei kerkewerk.

De Maronieten.

In de talrijke godsdienstige bijeenkomsten vormen vaak de niet protestantse deelnemers het grootste gedeelte. Zij zijn lid van de Syrisch-Orthodoxe-(Jakobitische), de Grieks-Orthodoxe kerken en sommige van de met Rome geünieerde afsplitsingen van die kerken. Daarbij mogen de Maronieten niet ongenoemd blijven. De leden van deze kerk wonen juist in deze dorpen. Deze kerkelijke groepering dateert uit de 5e eeuw. In die tijd leefde op de westelijke helling van de Amonus, dichtbij Cyrus een stadje in de buurt van Antiochië, een anachoreet, d.i. een uit de wereld teruggetrokkene, een kluizenaar Marohus genaamd. Hij bezat de priesterlijke waardigheid, zodat hij ons beschreven wordt als priester-kluizenaar, die een leven van boete en gebed leed onder de blote hemel dichtbij een heidense tempel, die door hem gewijd werd aan de dienst van de ware God.

Er wordt van hem gezegd, dat hij de gave bezat wonderen te kunnen verrichten. Zijn leven van gestrengheid en zelfverloochening trok menigten van mensen naar de plaats, waar hij eenzaam leefde om zijn voorbede en zegen te vragen.

Ook al heel gauw trok hij een groot aantal leerlingen om zich, waaruit een uitgebreid monnikenwezen ontstond. Theodoretus, bisschop van Cyrus (423-457), bekend als kerkgeschiedschrijver, zegt in een van zijn geschriften, dat het grootste deel van de kluizenaars, die zich in zijn bisdom ophielden, zijn bisdom deden geuren door de reuk van hun deugden gevormd naar de godsdienstige praktijken onder de leiding van de heilige Maronus.

Bij zijn dood ontstond er een strijd tussen de omliggende dorpen om het stoffelijk overschot te mogen bezitten. De bevolking van een dichtbevolkte plaats in het diocees Aphamia (hoofdstad van het tweede Syrische rijk, gelegen in het dal van de Orontes) won de strijd en gaf het in bewaring aan de kerk in die plaats, toevertrouwd aan de wacht van de monniken. In de zesde eeuw verrees op de rechteroever van de Orontes halverwege Aphamia en Emesis een groot klooster, het klooster Sint Maronus, dat ruim 300 cellen bevatte en bewaarplaats werd van aanzienlijke schatten aan goud, zilver en edelstenen.

De monniken van dit klooster hebben geen onafgebroken rustig leven genoten. Een verzoekschrift van de Arohimandriet van Sint Maronus, Alexander, gericht aan Rome in 517, uit een bittere klacht over vervolgingen en de dood van 350 monniken hun aangedaan door keizer Anastasius I (491-518) en de monophisitische patriarch van Antiochië, de befaamde Severus (512-518).

Het klooster van Sint Maronus is w.s. in de 9e of begin 10e eeuw of door Arabieren of door monophysieten verwoest. Maar daarmee waren de Maronieten niet uitgeroeid. Uit vaststaande documenten kan worden opgemaakt dat er in de 7e eeuw al een begin was van een hiërarchische maronitische kerk of natie die de leer van Chalcedon had aanvaard.

In de leer aangaande de twee naturen van Christus stelden zij zich geheel aan de zijde van de Byzantijnse Keizer Heraclius, die er volhardend naar streefde en in 638 een edict uitvaardigde, Ekthesis genaamd, om een eenheid op politiek en religieus gebied te bewerken in de verschillende delen van het rijk. De Maronieten hebben de eeuwen door een strijd gevoerd tegen het monophystisme.

De komst van de Arabieren veranderde de situatie van de Maronieten aanzienlijk. Hadden zij veel te lijden onder de vervolgingen en bestrijdingen door de monophysieten, ook de Arabieren werden in het begin hun bestrijders. De vervolgingen van hun tweevoudige vijand werd zo groot dat de Maronieten besloten de rijke vlakten van Syrië te verlaten om hun toevlucht te zoeken op de Libanon. In het begin geconcentreerd rond Aphamia in Syrië, vestigden zij zich, na eerst rondgedwaald te hebben, in de vallei van de Orontes, nu in de noordelijke streek van de Libanon, en wel vooral in de Heilige vallei Quadischa aan de voet van het Cedergebergte. Zij trokken later ook naar het midden en zuiden zodat straks uitsluitend de Libanon het woongebied van de maronitische kerk of natie wordt.

Al dadelijk betrof hun eerste zorg de organisatie van de eredienst. Het patriarchaat nam daarbij een zeer belangrijke plaats in. Het werd zowel een kerkelijk als politiek centrum. Deze positie werd versterkt door de wereldlijke rechten, die de Arabieren toekennen aan de geestelijke leiders van de christelijke gemeenschappen. Ook tijdens de Turkse overheersing van een deel van de Arabische landen handhaafden de Ottomanen deze rechten. Het klooster waar de patriarch zetelt is nu te Kannobin een ontoegankelijk gedeelte van de Libanon.

In 1182, tijdens de kruistochten, lieten de Maronieten hun Monotheletisme varen. Zij erkenden de paus van Rome als opperhoofd van de kerk, maar bleven hun eigen oude ritus handhaven. De patriarch neemt onder de geestelijken en onder het gewone volk een bijzondere plaats in. Tot de arbitrage van de patriarch neemt men zijn toevlucht bij het regelen van een zaak en het beslechten van een ruzie, om maar niet te spreken over zaken met betrekking tot de persoonlijke status. Het godsdienstig leven van het volk der Maronieten is nauw verbonden met zijn civiel en nationaal leven. Eigenlijk vallen ze samen. Er is geen gebeurtenis van enig belang waarbij de patriarch niet verschijnt. Het gewone volk is dan ook ten aanzien van het leven des geloofs onwetend. De Heilige Schrift kennen zij alleen voor zover die in de litaniën geciteerd wordt. De velen zijn slechts nominaal christen. Men staat te boek als Maroniet omdat men tot het volk der Maronieten behoort, wat per definitie „Christen" betekent. Meestal is men wel gedoopt en men wordt straks ook kerkelijk ter aarde besteld. De priesters zijn eenvoudige mensen genomen uit het volk zonder Schriftkennis, alleen vaardig om de liturgie der kerk te verrichten. Men leeft op de ritus van de kerk mogelijk dan mystiek beleefd. De Maronieten hebben een eigen kerktaal en een van de Latijnse riten nog al sterk afwijkende liturgie. Hoe verblijdend is nu het opmerken, dat onder aanhoudende bearbeiding met het evangelie bij enkelen als 't ware een honger ontstaat naar de Heilige Schrift.

Woudenberg. H. Pol

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

ZENDING IN HET MIDDEN-OOSTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's