De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

De bisschoppelijke brief over Maria.

Onlangs hebben de bisschoppen van Nederland een herderlijke brief gericht tot de leden van de r.k. kerk waarin zij ingingen op de plaats die aan Maria toegekend moet worden. De r.k. kerk gaat immers een weg tussen verwarring en vernieuwing. Dat heeft ook consequenties voor de Maria-devotie. „In de verwarring" zo wordt gezegd, „raakt zij op de achtergrond, in de vernieuwing verdwijnt zij geheel uit de verering".

Duidelijk is dat aan de herderlijke brief een bepaalde ontwikkeling ten grondslag ligt. Bereikte de Maria-verering omstreeks 1950 een hoogtepunt (afkondiging van 't dogma van Maria's lichamelijke ten hemel-opneming) en werd er in de jaren daarna aangedrongen op verdere afkondiging van de mariale dogma's (o.a. Maria als medeverlosseres), op het tweede Vaticaans concilie was een duidelijk streven de mariale vroomheid in te dammen.

Tot afkondiging van een nieuw mariaal dogma kwam het niet. Maria werd behandeld in het slothoofdstuk van de constitutie over de kerk. En de toekenning van de titel „Moeder der kerk" door de paus op 21 nov. 1964 ging toch min of meer in tegen de strekking van de conciliedebatten.

Een en ander staat ongetwijfeld niet los van de ontwikkeling van de Bijbelse theologie binnen de r; k. kerk. Ook r.k. exegeten erkennen dat de plaats van Maria in de Schrift een geheel andere is dan welke de volksvroomheid haar toekende. Hoe ligt het nu in de bisschoppelijke brief?

Prof. dr. A. J. Bronkhorst geeft in Hervormd Nederland van 5 oktober de volgende samenvatting:

Wanneer we de pastorale brief wat nader bekijken, dan treft ons het sterk Bijbelse karakter daarvan. Alle nadruk wordt gelegd op het geloof van Maria. Met name gedurende de stille zaterdag. We lezen: „De Heer was gestorven. De kleine kudde was verstrooid, ontmoedigd. Twijfel en onzekerheid deden de leerlingen moedeloos naar huis terugkeren. Het geloof bleef in ieder geval levend en ongeschokt in één mensenhart: het hart van Maria. Zij stond onder het kruis, samen met enkele vrouwen en met de trouwe Johannes. Haar geloof heeft de anderen versterkt. Van haar staat immers geschreven, dat zij “de woorden bewaarde in haar hart". In de zwaarste beproeving, in de nacht van de geest en de leegheid van de zaterdag bleef Maria als de onwankelbare gelovige overeind staan ... In haar moest de verwachting van Israël stand houden ... Dit was haar geloof, waardoor zij zich een waardige dochter toonde van Abraham, vader van de gelovenden... Het is goed onze bezinning op de persoon van Maria steeds te beginnen met na te denken over haar geloof."

In de loop van het betoog worden dan alle dogma's, die de BJK. Kerk in de loop der eeuwen inzake Maria heeft vastgesteld, gememoreerd. En de vraag wordt nu gesteld of Maria als de spits van het gelovige Israël in deze tijd van de Oecumene ons niet eerder tot elkaar zou kunnen brengen dan ons scheiden? Al wordt ook uitgesproken, dat we hier met elkaar en met onze broeders en zusters uit de Reformatie nog meer over moeten nadenken.

In sobere bewoordingen gaat het over de Mariadevotie: „liever dan te klagen over vertrouwde zaken, die in onbruik raken, zoeken wij met u naar nieuwe vormgeving; door ons in ons geloofsgesprek ons ook bezinnend te spiegelen aan Maria's geloof; door In onze Eucharistische viering haar voorbede in te roepen; door onze kinderen naar haar te vernoemen. Wij kunnen dat doen door haar feesten, wellicht niet meer als vroeger te vieren als zondagen die in de samenleving van nu vreemde elementen kunnen worden, maar door op dergelijke Mariadagen in de avond bijeen te komen en het eucharistisch liefdemaal van de Heer te vieren." In gelijke geest wordt dan over de bedevaarten naar de plaatsen, waar Maria verschenen zou zijn, gesproken.

U merkt terstond: De Bijbelse bezinning is aan deze brief niet voorbij gegaan. Terwijl daarnaast de dogma's onverkort gehandhaafd worden en de Mariavroomheid tegen de achtergrond van het geloof van Maria, dat de anderen versterkt zou hebben, een nieuwe betekenis krijgt.

Hoezeer we dankbaar mogen zijn voor de invloed van de H. Schrift binnen de r.k. kerk op dit punt, uiteindelijk stelt toch ook deze brief teleur. Aanpassing en verschuiving van accenten betekenen niet een radicale heroriëntering tot de Schrift. Daarom blijft er inzake dit onderwerp een controverse tussen Rome en de Reformatie, een controverse die toch samenhangt met een anders verstaan van de genade. Ook in de sterke nadruk op het geloof van Maria, waaraan mensen zich zouden moeten spiegelen en waardoor zij versterkt worden, schemert de gedachte van de medewerking van de mens aan het 'heil door.

Ook prof. Bronkhorst stelt enkele kritische vragen. Hij schrijft aan het slot van zijn artikel:

Wanneer de brief „onze broeders en zusters uit de Reformatie" niet nadrukkelijk genoemd had, zou ik het het liefste bij deze aankondiging hebben gelaten. Maar nu wij er als het ware ook een klein beetje in betrokken worden, maak ik enkele kantttekeningen:1) naar ik hoop ten overvloede moge ik nog eens duidelijk zeggen: het gaat in de Reformatie werkelijk niet tegen Maria, maar tegen een wereld van R.K. Mariarverering, Mariadevotie, Mariatheologie, die wij met de beste wil van de wereld niet als legitiem deel van de apostolische overlevering konden en kunnen beschouwen.

2) Wij zijn dankbaar voor de gehele ontwikkeling, die de Maria-verering in de laatste tien jaar binnen de R.K. Kerk genomen heeft. De hoop hierover tot een vruchtbaar gesprek te kunnen kamen, is daardoor inderdaad opnieuw gewekt. Dat wij hierbij niet vrij zijn van een zekere voorzichtigheid als wij aan grote delen van de R.K. Kerk buiten ons vaderland denken zal naar wij menen te mogen verwachten, wel begrip ontmoeten.

3) Dan moeten we ook nadrukkelijk zeggen: als het hier om vrijblijvende overtuigingen van onze broeders en zusters uit de Rooms-Katholieke Kerk ging, zouden we ons misschien wel eens verbazen, maar ons er verder buiten houden. Maar het gaat hier om officieel vastgestelde dogma's van de R.K. Kerk en we zijn ketters (al wordt dit woord tegenwoordig liever vermeden) als we ze niet aanvaarden. Dat blijft een uitdaging, die ons tot in de kern van ons geloof raakt en die we ten volle au serieus moeten nemen.

4) Zelfs na lezing van deze pastorale brief blijft het mij moeilijk om mee te komen. De passage over het geloof van Maria op de stille zaterdag kan ik vanuit het geheel van de lijdens-en opstandingsverhalen toch werkelijk niet meemaken. Wordt hier toch niet door de bril van de gangbare vroomheid in het Nieuwe Testament gelezen, wat er nu eenmaal niet staat?

Waarom geeft het Bijbelse Paasverhaal ons geen enkele aanduiding van dat onwankelbare geloof van Maria, dat de anderen zou hebben versterkt? De vraag blijft voor mij onbeantwoord hoe het mogelijk is, dat Paulus in al zijn brieven maar eenmaal (in Gal. 4 : 4 - en hoe dan nog) over de Moeder des Heren spreekt en dat Petrus haar al evenmin vermeldt. Kan men dat als louter toeval beschouwen?

Woord en daad in het evangelisatiewerk.

In het blad „De Wekker" (van 25 oktober) gaat prof.dr. W. H. Velema in op de in het huidige evangelisatiewerk dikwijls gelanceerde gedachte dat de kerk het beeld van Christus heeft te vertonen. Z.i. kunnen we deze nadruk op de kerk als gestalte van 'Christus niet los maken van de praktische instelling van onze tijd, waar alles cirkelt rondom de vraag: Wat levert het op? Maakt de kerk haar boodschap waar? etc.

Nu stelt ook de Apeldoornse hoogleraar voorop dat we woord en daad niet van elkaar los mogen maken.

Door een onchristelijke levenswandel kunnen we mensen van het evangelie vervreemden in plaats van ze tot Jezus te leiden. En het werk van de kerk kan maar niet alleen bestaan in de prediking. Wij hebben de liefde van Christus niet alleen te prediken, maar ook te betonen.

Geen scheiding dus van woord en daad. Geen onzuivere reactie, die van elkaar losmaakt, wat naar Gods bedoeling bijeen hoort.

Toch maakt prof. Velema een aantal kritische kanttekeningen bij de door hem gesignaleerde tendensen.

Het is namelijk opvallend dat de nadruk op de gedachte dat de kerk de gestalte van Christus te vertonen heeft gepaard gaat met een terugdringen van de aandacht voor de boodschap die de kerk te brengen heeft. Het komt er minder op aan wat de kerk zegt, maar veelmeer op wat de kerk doet. Wat ze te zeggen heeft, is niet het belangrijkste, maar of ze waar maakt wat ze zeggen wil.

De enige betekenis die de kerk voor de wereld in onze tijd nog hebben kan, is dat ze iets doet. Ze heeft deel te nemen aan de politieke en sociale strijd in deze wereld. Ze heeft zich daarin te mengen, en haar boodschappen daarover — concreet politiek handelen — van de daad vergezeld te doen gaan. Dan alleen heeft de kerk nog kans gehoord te worden en recht om iets te zeggen.

De hierboven gegeven karakterisering is een globale samenvatting. Onder degenen die deze gedachten voorstaan is er allerlei nuancering. Duidelijkheidshalve wil ik er graag aan toevoegen dat u deze gedachten zo in bovengenoemd studierapport niet vindt. Dat spreekt voorzichtiger en genuanceerder.

Het lijkt me duidelijk dat de hier geschetste gedachtengang op de achtergrond ligt van het politieke en sociale handelen van de Wereldraad van kerken, zoals die in Uppsala bijeengeweest is en zijn koers voor de komende jaren heeft uitgezet.

Ons bezwaar gaat tegen de verschuiving van de accenten. De daad krijgt groter betekenis dan het woord. Wat de kerk doet is belangrijker dan wat ze krachtens de genade van God is.

Als de kerk deze verschuiving in de verhouding van woord en daad meemaakt, betekent dit dat de beslissing van de ongelovige niet meer genomen wordt tegenover het woord des kruises, maar tegenover het leven van de kerk. De grote ergernis voor het ongeloof is de boodschap van de gekruisigde Christus. Men zie 1 Korinthe 1 en 2. Die boodschap is dan niet meer het scheidende beginsel in deze wereld, maar het leven van de kerk, of beter het niet beleven van de kerk. Hiermee worden de zaken essentieel scheef getrokken.

De kerk heeft de wereld niet in de eerste plaats met haar eigen leven, met het waar maken van haar boodschap te confronteren, maar met het woord van het kruis, met Christus die gestorven is en opgewekt is. Paulus heeft Hem zo gepredikt. Dat is de kracht van zijn boodschap geweest. Wanneer de aandacht van de gekruiste (Christus wordt afgeleid en gericht wordt op het leven van de kerk, op haar ernst maken met haar boodschap, dan verliest de kerk juist datgene wat haar kracht is. Al zal ze dat niet willen, ze krijgt dan zelf meer aandacht dan Hij Dien ze te prediken heeft.

We menen dat hier inderdaad de vinger gelegd wordt op een gevaarlijke tendens in het theologisch denken en praktisch handelen van de kerk. De in ander verband veel gehoorde leus: „Geen woorden maar daden" dreigt ook in de kerk tot een slogan te worden die met Bijbels gezag omgeven wordt. De kracht van de kerk ligt niet in haar daden, maar in de door haar verkondigde Christus.

We zouden er aan toe willen voegen: De tendens om alle nadruk te leggen op het doen van de kerk leidt tot een krampachtigheid die in wezen door en door wettisch is. De gemeente ontvangt dan niet het zicht op haar evangelisatorische roeping vanuit het Evangelie, maar wordt voortgejaagd door de zweep van de Wet. En de geschiedenis van de kerk laat dan duidelijk zien dat een dergelijk wetticisme de geloofsblijdschap uitholt en doet wegebben en ten diepste schadelijk is voor de evangelisatiearbeid.

Prof. Velema noemt aan het slot van zijn artikel nog een bezwaar tegen de huidige tendens: De kerk wordt z.i. veeil te zwaar belast.

Het tweede bezwaar is dat de kerk hier veel te zwaar belast wordt. Nergens wordt in het N.T. de volmaaktheid of de volmaaktbaarheid van de kerk geleerd. Wel wordt de kerk in vermaning er op gewezen daarnaar te staan. Maar we weten ook dat het voor de kerk een strijd is.

Wanneer nu het geloof in de boodschap van de kerk afhankelijk wordt gesteld van de volmaaktheid van de kerk, verwacht men van de kerk teveel. Zij is kerk op weg naar het einde; zij is kerk onderweg. Daarom kan het beslissende punt voor de wereld ook niet liggen in het leven van de kerk zelf, maar moet dat liggen in de boodschap van de kerk. Wie de accenten verlegt, zoals hier naar onze mening geschiedt, verlegt het zwaartepunt van de rechtvaardiging naar de heiliging.

Ik schrijf - dit niet om zonden van de kerk goed te praten. Na de tweede inleiding tot dit artikel zou zulk een verwijt wel heel onrechtvaardig zijn. Maar het lijkt me wel nodig om de Bijbelse accenten en verhoudingen vast te houden. Wie van Christus afwijst en het leven van de kerk naar voren schuift, verliest die dimensie waaraan de kerk de boodschap der eeuwen en der eeuwigheid heeft ontleend. De kerk is dan tenslotte niet anders dan een menselijke zaak onder de mensen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's