De liturgie in Dordrecht
De liturgie dn Dordrecht - is dat niet een drukfout? De liturgie van Dordrecht, dat is ons beter bekend. De hervormd gereformeerde groepering is daaraan verbonden, tot genoegen van sommigen, tot ongenoegen van anderen. Dat gaat hier nu niet behandeld worden. Nu willen we aandacht geven aan hoe de liturgie in de Synode van Dordrecht aan bod is geweest. Wij bedoelen met liturgie dan: de orde van de kerkdienst, met name de liturgische formulieren, de formuliergebeden, de liederen.
Is de Dordtse Synode van 1618/'19 op het punt van de liturgie bijzonder actief geweest? Ja en neen.
Neen in zoverre, dat de elementen van de liturgie van de Hervormde of Gereformeerde Kerk in Nederland over het algemeen eigenlijk reeds lang voor de Synode van 1618/'19 in gebruik waren. Ja in dit opzicht, dat deze liturgische gebruiken, voor die tijd enigszins vrijblijvend, door deze Synode in hun geheel een kerkelijk gezag hebben gekregen (Ipey en Dermout).
De liturgie had dus een voorgeschiedenis. Ook houdt de liturgie der Kerk verband met de leer der Kerk. Als de Dordtse Synode dus wat de liturgie betreft bekrachtigde wat er in feite al was, betekent dat, dat de feitelijke beslissingen, die de liturgie deden aansluiten bij de leer, al in de voorgeschiedenis waren gevallen. Daarom moeten we van die voorgeschiedenis, hoewel strikt genomen buiten ons onderwerp vallend, voor een goed begrip toch wel even kennisnemen.
De oorsprong van de gereformeerde (hervormde) liturgie is te vinden in de vluchtelingengemeente te Londen, welke vluchtelingen omstreeks 1550 daarheen gekomen waren om de wijze waarop de Spanjaarden in de Nederlanden huishielden. Details zouden te ver voeren. Er kan slechts worden opgemerkt, dat in Noord-Nederland na de bevrijding van de Spaanse overheersing een liturgie in gebruik kwam, ontstaan uit een sterke wisselwerking van de Straatsburgse liturgie (een deel van de Londense gemeente was van Straats-burg afkomstig) met de liturgie van de Palts. Deze liturgie van de Palts was weer ontleend aan de liturgie van Geneve, die wel sterk geleek op die van Straatsburg, maar waarin bijv. de genadeverkondiging niet meer voorkwam.
Zo komt dan omstreeks 1570 in onze kerk meer en meer een liturgie in gebruik, die voor het eerst als zodanig voorkomt achter het psalmboek van Datheen, waarvan in 1566 de eerste druk verscheen. Het bevatte behalve de Heidelbergse Catechismus (die evenwél geen liturgisch geschrift maar een belijdenisgeschrift is):
— een doopformuiier;
— een „kort onderzoek naar het geloof bij degenen die zich bij de gemeente willen voegen";
— een avondmaalformulier;
— een formulier voor de kerkdlijke huwelijksbevestiging;
— een aantal „christelijke gebeden".
In de periode tot aan de Dordtse Synode is aan dit geheel wel wat gedokterd. De provinciale synode van Dordrecht (1574) bepaalde inzake de liedbundel dat men met de psalmen van Datheen „mitsgaders t' gunt datter bij is" tevreden moet zijn totdat een nationale synode hierin beslist zal hebben. „Datgene wat erbij is" moeten de lofzangen van Maria, Zaoharias en Simeon zijn geweest.
Nu was de psalmberijming van Datheen in meer dan een opzicht niet bijzonder geslaagd. Omdat hij evenwel de eerste was die alle psalmen bevatte en Datheen een bijzonder gezaghebbende figuur was, maakte hij direct een enorme opgang. Een complete berijming van Utenhove, een half jaar later gereed, viel tussen wal en schip. Een veel betere berijming - ook naar het oordeel van Datheen - van Philips van Marnix van Sint Aldegonde kwam gereed in 1581, en de synoden van Middelburg (1581) en Den Haag (1586) hadden daar oren naar, want zij handhaafden wel de vroegere uitspraak dat alleen de psalmen gezongen zouden worden, maar de toevoeging „van Datheen" - die de nationale synode van Dordrecht van 1578 nog had - werd weggelaten. Het algemeen gebruik van de berijming van Datheen was echter niet meer tegen te houden - men was er al te veel aan gehecht.
De hiervoor vermelde verzameling liturgische formulieren zoals zij via Datheen dn gebruik kwam is niet ongerept de periode 1566-1619 doorgekomen. Het „kort onderzoek naar het geloof bij degenen die zich bij de gemeente willen voegen" was klaarblijkelijk te véél afgestemd op Roomsen die in de begintijd wilden „overgaan", en is verdwenen. Van de „christelijke gebeden" is dat „bij de begraving der doden", bij welke gelegenheid men roomse superstitie ofwel afgoderij vreesde, op de synode van Middelburg geschrapt, hoewel dit in de praktijk wel op tegenstand stuitte.
In het algemeen moet men wel beseffen, dat in deze tijd van opbouw en uitbouw van alles werd bepaald en geregeld, maar dat de in het algemeen verwarde en politiekmilitair „heen en weer golvende" toestanden in de Nederlanden meebrachten, dat zulke kerkelijke regels nu niet plotseling braaf overal en altijd door de gemeenten ter harte werden genomen. In het besef hiervan kleedden de verschillende synoden een en ander nogal eens voorzichtig in, zodat hun bepalingen enigszins het karakter verkregen van aanbevelingen of suggesties. Sommige zaken werden „in de vrijheid van de predikanten gelaten", zoals het doen zingen van het gezang „O Godt die onsen Vader bist"; ook over het stellen van de vragen uit het doopformulier was niet altijd eenstemmigheid. Wel wees Middelburg (1581), in veel dingen wat forser, o.a. ook de genadeverkondiging als apart liturgisch element uitdrukkelijk af, omdat „de ontsluiting en de toesluiting van het hemelrijk in de prediking genoegzaam geschiedt".
Aan de oorspronkelijke formulieren zijn toegevoegd de formulieren tot bevestiging van de dienaren des Woords en van ouderlingen en diakenen, alsmede het formulier van de ban (en van de wederopneming), alle door de nationale synode van Den Haag (1586). In 1587 is de „Ziekentroost" aan de formulieren toegevoegd - hoe, dat is onduidelijk.
In het oorspronkelijke doopformulier zijn door meerdere synoden kleine wijzigingen aangebracht.
Zoals reeds opgemerkt, is de rol van de Dordtse synode van 1618/'19 niet véél meer geweest dan de consolidatie van de toestand zoals deze langzamerhand was gegroeid. Ook enkele toevoegingen aan de formulierenverzameling zijn verzorgd, zoals het formulier voor de doop van volwassenen, en gebeden vóór en na kerkelijke handelingen.
De betekenis van Dordrecht 1618/'19 is evenwel meer geweest een bekleden van de liturgische geschriften, formulieren en gebeden, met kerkelijk gezag. Men vergete niet dat deze synode een periode van ontwikkeling afsloot; dat met de afwijzing van de remonstrantse leer de tijd voorbij was dat de Hervormden hier te lande uit een mengelmoes van lutherse, calvinistische, doperse en humanistisch getinte invloeden voorzichtig bij elkaar moesten worden geveegd.
Dit bevorderde enerzijds de mentaliteit van „nu gaan we het eens goed doen"; anderzijds wenste men zelf, blijkens het aantrekken van buitenlandse afgevaardigden, de synode een zeker niveau en daarmee een zéker gezag te verlenen, dat de genomen beslissingen te eerder zou doen respecteren.
In overeenstemming daarmee is er ook veel gedaan, en het is goed gedaan. Al spreekt dit voor de liturgie in het bijzonder niet zo sterk, het komt toch ook daarvoor wel uit. Zo werd aan ds. Hommius van Leiden opgedragen, alle oneffenheden en onnauwkeurigheden (als bijv. het nog steeds vermelden van de koning van Spanje als de soeverein, in het gebed na dé prediking! terwijl deze immers reeds in 1581 was afgezworen) in de liturgie bij te werken. En van de „Enige gezangen", waarvan vorige synoden nooit hadden gezegd welke dat eigenlijk precies waren, werd nu een lijst gegeven die dubbelzinnigheden uitsloot.
Er is op de Dordtse Synode 1618/'19 veel gedaan, en het is goed gedaan. Voor wat de liturgie aangaat, deze heeft daar voor voorlopig onbepaalde tijd zijn beslag en afronding gekregen. Het is niet het belangrijkste aspect van wat deze synode heeft verricht. Toch bleek ook dit minder belangrijke aspect de aandacht van de synode te hebben. Men besefte het verband tussen liturgie en leer, en honoreerde het apostolisch vermaan, alle dingen met orde te doen geschieden (1 Cor. 14 : 40). Zo deelt ook de liturgie in de bewondering, die het werk van de Dordtse synode verdient.
Evenwel: „veel werk", „goed werk", „goede orde", deze uitdrukkingen blijven alle wat aan de organisatorische buitenkant. „Terug naar hét Woord" was het motto van de Hervorming, waaruit een rijk geloofsleven opbloeide. Van daaruit werd naar normen gezocht, die vorm gaven aan de erkenning van Gods Woord als regel voor het gehele leven, ook voor het kerkelijk leven.
Dat verdient nog heden ten dage de waardering van ieder die het goed met de Nederlandse Hervormde Kerk voorheeft. Waar de Kerk in deze tijd van normverlies heendrijft, lokt nu toch wel allerminst aan om zich zo snel mogelijk te ontdoen van normen die uit de Dordtse gebondenheid aan het Woord zijn voortgekomen. Ook niet van liturgische normen.
Arnhem. G.B. Smit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's