Waar het eigenlijk om ging bij de veroordeling der remonstrantse dwaling
Mag ik beginnen met op te wekken om de Dordtse Leerregels eens rustig te lezen of te herlezen. Dit geschrift lezende komen we immers pas aan de weet welke schatten er in verborgen liggen.
Ik mag als bekend veronderstellen, dat deze artikelen door de Nationale Synode van Dordt zijn opgesteld ter weerlegging en afwijzing van de remonstrantse dwaling, die een vijftal punten omvatte: de verkiezing uit een voorgezien geloof; de algemene verzoening door Christus; de vrije wil ten goede; geen onwederstandelijke genade tot bekering en de afval der heiligen. Deze vijf punten hangen allen met elkander samen. Waar het één geleerd wordt, daar volgt het andere vanzelf.
Als we ons afvragen wat er nu eigenlijk in 't geding was, meen ik te kunnen zeggen: het ging de Synode om de belijdenis van
1. de volstrekte souvereiniteit Gods;
2. het radicale van de zonde; en
3. de tot zaligheid alles omvattende genade.
De belijdenis van de volstrekte souvereiniteit Gods.
De Dordtse vaderen hebben de wacht betrokken bij de openbaring Gods en daarmee beoogd wijsgerige beïnvloeding van de theologie te keren. Sommigen menen, dat zij zelf al niet geheel zuiver op de graat meer waren, doordat Aristoteles, die later ook in de gereformeerde theologie zijn duizenden weer zal verslaan, al wel een klein woordje is mee gaan spreken. Ik meen ten onrechte, maar daarop kan ik nu niet nader ingaan. Ik blijf handhaven mijn bewering, dat zij (de Dordtse vaders) principieel anders theologiseerden dan de wijsgerig geïnfecteerde remonstranten. Zij hebben heel fijn aangevoeld, dat de oorsprong der remonstrantse afwijkingen lag in een door de filosofie bepaald Godsbeeld en daardoor bedorven Godsleer.
De volstrekte souvereiniteit Gods, zoals de H. Schrift daarover licht doet opgaan, wordt door Gods Kerk gekend en ingeleefd in enige zin. Bij het licht der openbaring maakt Gods Geest de Kerk bewust van de absolute tegenstelling tussen Schepper en schepsel, terwijl zij leert buigen onvoorwaardelijk voor de souvereine God, die niet een hersenschim is, maar die zij kent in werkelijke ontmoeting.
Filosofische invloeden strekten en strekken altijd daartoe om tekort te doen aan de absolute souvereiniteit Gods enerzijds en het wezen van de mens anderzijds. Er wordt iets aan God onttrokken, wat aan de mens gegeven wordt. De remonstranten, die zich nimmer geheel hadden kunnen onttrekken aan de roomse school, die de invloed der wijsbegeerte der oude Grieken onderging, leden daaraan.
Het verstand schept zich een Godsbeeld onder invloed van het levensgevoel van een bepaalde tijd en daarom beheerst door tijdgebonden wijsgerige beschouwingen. Ik meen dat b.v. in onze tijd waar te nemen, als het dynamische van het huidige levensgevoel geprojecteerd wordt op God en zo de verkiezing Gods uit de eeuwigheid neergehaald wordt in de tijd; of als onder invloed van een modem vrijheids-idee aan de mens een speelveld wordt toegekend, waaraan God zich heeft onttrokken. Zo ontstaat er een Godsleer onder invloed van eigentijdse filosofische voorstellingen.
Hoe anders is het als de openbaring Gods in Volstrekte zin - alleen en geheel. - ons beheerst. Dan zijn de Godskennis en de volstrekte afhankelijkheid van Hem en zijn openbaring religieus gestempeld. Dat brengt een totaal ander inzicht met zich mee. Zo aanstotelijik het is voor de mens met zijn wijsheid volkomen uitgeschakeld te worden, zo vanzelfsprekend is dat voor de Kerk in het geloof - in de Godsontmoeting. Daar zijn geloof en gehoorzaamheid aan Gods Woord, en een zich geheel onderwerpen aan en afhankelijk stellen van de souvereine God. Dit is ten diepste de grond van de belijdenis der predestinatie, naar dat de H. Schrift daarover licht doet opgaan. De leer der predestinatie is belijdenis in de geloofsbeleving der volstrekte afhankelijkheid van en onderworpenheid aan de God der Schriften. Daarom wordt, als deze leer aangetast wordt, de Kerk in een slagader aangetast.
Het zal duidelijk zijn, dat in deze belijdenis in geloofsbeleving de Kerk Gods de predestinatie strikt religieus waardeert. Zij wordt niet verstaan als een verschrikkelijk besluit van een starre onbewogen God, die zelf in zijn eigen besluit zou gevangen zitten; maar ze wordt beleden in de radicale afhankelijkheid van de levende God, die als de drie-enige God de volheid van leven in zichzelf is; zij wordt beleden in de aanbidding van zijn volstrekte souvereiniteit, waarin Hij als de Eeuwige ook de tijd als zijn schepsel in handen heeft, en in zijn hart heeft - eeuwig bij zich - de bestemming der mensenkinderen. Als Calvijn spreekt van het decretum horribile, bedoelt hij daarmee niet, dat het een verschrikkelijk besluit is, maar dat siddering en huivering over de mens kunnen komen in de Godsontmoeting, in het 'buigen voor onze souvereine God, zoals we daarvan, in de H. Schrift zo vaak lezen.
In dit geloofsbelijden vormt de verhouding van volstrekte afhankelijkheid en menselijke verantwoordelijkheid tot elkaar geen probleem, want de verantwoordelijkheid wordt juist in-en uitgeleefd en verstaan in de volstrekte afhankelijkheid.
Als het verstand de weg moet wijzen, wordt de openbaring geheel of gedeeltelijk ter zijde geschoven en maakt men van wat het dierbaarst is voor het geloof een karikatuur. Nog tot op de dag van vandaag kan men beluisteren de remonstrantse aantijging, als zouden we van God een tiran maken en als zou de menselijke bestemming afhangen van een God, die onbewogen hoog gezeten is in zijn ivoren paleis.
Tegenover al deze valse beschuldigingen en misverstanden staat of valt het geloof met deze belijdenis der volstrekte souvereiniteit Gods. Daarom zijn juist nu de Dordtse Leerregels wel zeer actueel.
De belijdenis van het radicale van de zonde.
Er is niets nieuws onder de zon. De remonstranten waren bezorgd voor de menselijke verantwoordelijkheid. Een dergelijke bezorgdheid wordt heden wel aan de dag gelegd in het vragen van ruimte voor de menselijke vrijheid. Ze zijn met het mens-zijn gegeven, en het gereformeerde belijden wordt menigmaal ten laste gelegd, dat het deze echt menselijke eigenheden niet genoeg honoreert.
O.i. versperde en verspert echter een humanistisch ingesteld zijn.de weg tot een recht verstaan van het gereformeerd belijden van de totale verdorvenheid van de mens. Eerlijkheidshalve moet worden opgemerkt, dat dit ook geldt voor de dode orthodoxie, die wat strikt religieus bepaald is in het verstandelijke trekt. Ook de belijdenis van de totale verdorvenheid van de mens ligt immers in het religieuze vlak, of vlak des geloofs. „Het vraagstuk van de vrije wil ligt niet in de psychologische sector, maar raakt de kern der religie" (Dr. G. de Ru: de rechtvaardiging bij Augustinus blz. 46).
Het gaat dan ook niet om een deterministisch bepaald gedwongen zondigen, een beknotting van de psychologische vrijheid van de mens; maar om het geloofsbeleven en de geloofsbelijdenis van het vrijwillig dienstknecht zijn der zonde in de algehele afgekeerdheid van God. Zo kent en waardeert de gelovige de mens in onderwerping aan de openbaring Gods en ontvangen zelfkennis.
Hier ligt de wortel der diepe verootmoediging voor Gods aangezicht en der voortdurende boete. Want de Heilige Geest doet door de openbaring licht opgaan over het wezen der zonde als zijnde radicale opstand tegen en afval van God, in volslagen ongehoorzaamheid en ongeloof. Waarom de vervloeking gehoord, gekend en aanvaard wordt. En dat in de eenheid van het menselijk geslacht, wat in de term „erfzonde" tot uitdrukking gebracht wordt.
Dat men heden gaat struikelen over de „erfzonde" (het gaat mij niet om de term) kan m.i. dan ook alleen maar verklaard worden uit dezelfde humanistische instelling als die Pelagius leidde tot de bewering, dat Adams zonde alleen voor Adam betekenis had. En ik vraag mij af, of prof. Berkhof niet door diezelfde visie verleid wordt om uit Rom. 2 : 12-16 af te leiden dat de daar genoemde mensen barmhartigheid zouden vinden, omdat het werk der wet is geschreven in hun harten.
De Dordtse vaderen hebben het hart van de gereformeerde religie vertolkt, toen zij het wezen der zonde in deze radicale vorm open legden en in deze God-verzakende rebellie de totale verdorvenheid van het ganse menselijke geslacht beklemtoonden. Weer lieten zij daarbij alleen maar gelden de openbaring Gods in hun verkeren voor Gods aangezicht. De Kerk Gods kent haar verdoemelijkheid voor God en weet de mens van alle gaven beroofd, ook van de vrije wil om iets goeds voor God te brengen. Zij belijdt de mens „in ondergang en bederf zijnde" (N.G.B. art. 16).
Daarmee wordt ook afgesneden alle werkheiligheid, en dat in de meest verfijnde vorm. Want eigenlijk maakten de remonstranten het geloof weer tot een werk. Maar dat wordt heden niet minder gedaan door hen, die praktisch het geloof buiten de genade stellen, m.a.w. alleen maar weten te zeggen, dat het geloof zich heeft te richten of mag richten op het woord der genade of op de belofte. Men kan zich dan tooien met de naam gereformeerd, maar dergelijke predikers zijn onbarmhartige geselaars van het getroffen geweten van allen, die in him totale verdorvenheid het mea culpa (mijn schuld!) uitroepen voor God. En anderzijds bouwen ze op tot eigengereide en gearriveerde christenen, waarom ze dan ook spoedig uitgepreekt zijn. Zo'n bepaalde „evangelie-verkondiging" is eigenlijk ontzettend wreed.
We lazen ergens, dat juist Pelagius de forensische vergeving zeer sterk gedreven heeft, maar hij schreef den mens een vrije wil toe. We hebben wel te bedenken, dat door dergelijke remonstrantse infiltraties het stuk van de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen volkomen wordt ontwricht.
Gods Kerk beleeft en belijdt haar totale verdorvenheid in absolute ongehoorzaamheid, ongeloof en vijandschap tegen God. Ik haast me om er terstond aan toe te voegen, dat dit nu echter anderzijds geen lijdelijk vals quietisme werkt (zoals wel beweerd wordt en ook vaak schijnt) maar zelfveroordeling en aanroepen Gods. Nog eens, ook de leer der-totale verdorvenheid is strikt religieus bepaald, is zaak des geloofs - in Godsontmoeting. Zij is daarom in wederkerigheid verbonden aan de leer der souvereiniteit Gods, in volstrekte afhankelijkheid en aanhankelijkheid, want op de totale verdorvenheid sluit immers aan de allesomvattende genade.
Duidelijk moge zijn geworden, dat bij afwijzing van de vrije wil - ook in haar meest verfijnde verschijningsvormen - toch de 'verantwoordelijkheid diep en vol verstaan, beleden, gehandhaafd en beleefd wordt: coram Deo - voor Gods aangezicht.
De belijdenis van de tot Zaligheid alles omvattende genade.
Zoals de Kerk bij het licht der openbaring zich bewust wordt de volstrekte souvereiniteit Gods en de totale verdorvenheid van de mens, krijgt ze ook inzicht in de heerlijkheid der genade en ondergaat ze die door Geest en Woord in het geloof. Haar belijdenis van de allesomvattende genade moet dan ook verstaan worden als coram Deo - voor Gods aangezicht. Belijdende de menselijke radicale verdorvenheid belijdt zij ook, in de kennis van en verwondering over het Evangelie, de volkomenheid der genade, zonder welke er geen uitzicht zou zijn. Deze genade is juist in haar allesomvattendheid genade, gebundeld als ze ligt in Christus, in wie gevonden worden niet alleen de gaven der verzoening en vergeving, maar ook die der vernieuwing; die niet alleen de uitdelging der schuld maar ook de Geest der wedergeboorte en heiliging verworven heeft; die niet alleen de middelaar van verdienste is, maar ook van kracht. Het is de alles overwinnende, onwederstandelijk werkende en gevende genade van bekering en geloof, geloof en bekering, tot rechtvaardigheid, heiligmaking en heerlijkmaking, ja tot een volkomen verlossing.
De remonstrant zag en ziet hier de verantwoordelijkheid in het gedrang komen, alsmede de menselijke - vrijheid. Doch nog eens moet gezegd worden, dat bij deze gedachte de filosofie domineert in plaats van de openbaring. In de volstrekte afhankelijkheid leeft de Kerk Gods van en door en in de genade, die alles in allen vervult. Nu eerst wordt de verhouding van God tot mens en mens tot God zuiver, en komt het wezen van de mens tot zijn recht, zodat juist nu de vrijheid van de mens haar ware gestalte krijgt. Door de alvervullende genade wordt immers de zedelijke zelfbepaling niet weggenomen, maar komt zij veeleer tot volle ontplooiing. De leer van de souvereine en vrijmachtige, almachtige en verkiezende genade typeert immers het diepe afhankelijkheidsgevoel, dat er in tot openbaring konat en is daarom een rijke bron van geestkracht.
Van valse lijdelijkheid kan hier geen sprake zijn. Valse lijdelijkheid is slechts het bewijs van een evenzeer humanistisch geïnfecteerd zijn als het remonstrantisme, en daarom dan ook daaraan ten nauwste verwant. De prediking heeft dat wel duidelijk te maken.
Het zal ons ook duidelijk zijn, dat de religie - het geloof - zoek is, - als de genade als „goedkope genade" aan de man wordt gebracht. Daar wordt niet geleefd en geloofd in Godsontmoeting, in het belijden onzer diepe val en verlorenheid, en van de prijs, die voor de genade betaald is. Een forensisch woord zonder meer brengt ons nog maar - zoals we reeds zagen - in de buurt van Pelagius, die het dan nog wat ernstiger nam (dr. G. de Ru a.w. blz. 66).
De Heilige Schrift doet de volkomen genade verschijnen in het licht der volstrekte souvereiniteit Gods, en openbaart zo voor het bewustzijn der Kerk haar drieënige God zelf als enige grond van haar leven (Ef. 1). Aan haar wordt in diepste ootmoedige en zalige afhankelijkheid ontdekt haar eenheid met Christus in de eeuwige raad van haar drieënige God. Daarom belijdt zij de genade als particuliere genade: dat „de levendmakende en zaligmakende kracht zijns Zoons zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigend geloof te begiftigen. . .". Daarom belijdt zij ook haar verkiezing als uitverkiezing in de eeuwigheid Gods. Zij buigt in aanbidding neer en belijdt Gods predestinatie, naar de openbaring daarover licht schenkt.
Deze belijdenis der predestinatie is dus niet het resultaat van een consequente redenering. Juist omgekeerd kunnen we niet anders dan een verkiezingsleer als door Arminius voorgestaan waarderen als ontstaan onder filosofische invloeden, die aan de mens zelfstandige waarde willen toekennen.
Zo peilden onze gereformeerde vaderen bij het licht der openbaring in het geloof de diepten der barmhartigheden Gods, tegen de achtergrond van de volstrekte souvereiniteit Gods en de totale menselijke corruptie. Daarbij konden zij - omdat het hun geen filosofie was, maar levende werkelijkheid uit ontmoeting - in de bediening des Woords de mildheid betrachten die deze bediening volledig deed zijn een evangelische bediening der verzoening. De leer der verkiezing functioneerde bij hen in de prediking als dieptedimensie der openbaring Gods voor het geloofsbewustzijn der Kerk en als ruime mogelijkheid tot zaligheid voor een verloren mens; en niet - zoals bij menig predikheer in onze tijd helaas - als de logische oorsprong van de te realiseren genade in de tijd. Bij dit laatste is ook de filosofie aan het woord net als bij de remonstranten, zij het op andere wijze.
Het is leerzaam om te lezen, hoe de gereformeerde leden op de Haagse Conferentie in 1611 zich over de verkiezing uitspraken: „teghenspreekers der Gereformeerde Leere, voorbygaende de voomaemste poincten des gheschils, beginnen van dat hooghe poinct der Predestinatie, daer van nochtans in onse Kercken matichlijck ende voorsichtelijck pleeoh ghesproken te worden nae den Reghel van Gods Woort, alleen tot voorstant van Godes onverdiende ghenade, ende wechneminghe van alle menschelijcke verdiensten ende waerdigeyt, als oock tot versterkinghe vanden vasten troost der gheloovigen, in sulcker voegen, dat dien aengaende ttiet recht niemant sioh daeraen heeft te stoten".
Ouderkerk aan den IJssel J. van. Sliedregt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's