BOEKBESPREKING
HET WERK VAN DE HEILIGE GEEST IN DE GEMEENTE. Ing., 78 blz., Prijs ƒ 2,90; 20-40 ex. ƒ 2,70 en 50 en meer ƒ 2,50. Kok - Kampen.
Wij hebben hier te doen met een voorlichtend geschrift over de Pinkstergroepen en het is uitgegeven in opdracht van de Gen. Synode van de Ger. Kerken.
De vragen, die de Pinksterbeweging aan de kerken stelt, hebben de Gen. Syn. van deze Kerken bewogen dit geschrift — opgesteld door Ds. H. C. Endedijk, Ds. A. G. Cornet, Ds. G. IJ. Vellinga en de adviseur Prof. Dr. H. N. Ridderbos — uit te geven.
Er wordt in kort bestek in dit boekje veel gegeven.
Na een inleiding, waarin een algemene oriëntering wordt gegeven van de situatie in de kerk en in de Pinkstergroepen, wordt eerst een hoofdstuk gewijd aan het werk van de Heilige Geest, dat aan alle Christenen gemeen is. Daarna volgt een hoofdstuk over het bijzondere werk van de Heilige Geest (de gaven). De verscheidenheid, het doel van de gaven, de gewone en buitengewone gaven met de mondigheid van de gemeente wordt besproken.
Na de verhouding van ambt en charisma; enkeling en gemeenschap nagegaan te hebben, worden de z.g. spectaculaire gaven (tongentaal, genezing, profetie) besproken.
Het derde hoofdstuk geeft een verdediging van de kinderdoop. Het slot is een korte geschiedenis van de Pinksterbeweging plus enige uitspraken van synodes.
Een waardevol boekje, dat veel en indringend materiaal geeft. Al lezende denk je: Was de praktijk overal ook maar zo. In de verdediging van de kinderdoop komt uiteraard de volwassendoop aan de orde. Welke moeilijkheden er met de kinderdoop ook theologisch zijn, de moeilijkheid lijkt mij de ineenvloeiing van de Bijbelse gegevens over volwassendoop èn kinderdoop in de praktijk. Ik kan mij maar niet onttrekken aan de indruk, dat de doop als sacrament der inlijving in het Lichaam van Christus hierin niet alleen als voorkomende genade en verzegeling van Gods beloften wordt gewaardeerd, maar ook als een begin van de inlijving in Christus. Dit wordt dan wel geïllustreerd met Joh. 15 (de Wijnstok — dode en levende ranken) maar het is mij niet duidelijk geworden hoe hier het-dn-Adam-aan-de verdoemenis-onderworpen wezenlijk nog gehanteerd wordt. Wordt hier het tot genade aangenomen worden niet: in genade aangenomen worden? En ligt juist hier niet de oorzaak van de huidige malaise, dat, terwijl men de goedkope genade niet wil, het in de praktijk toch wordt. Zonder alle afdwalingen van bepaalde personen in de praktijk terug te projecteren op verkeerde uitgangspunten, moet hier toch m.i. veel meer over nagedacht en gesproken worden. Ik denk hier vooral aan de passage van blz. 62-63, vooral de zin: „Hetgeen voor de volwassenen terstond bewust is, is voor de kinderen eerst nog onbewust!"
Hetzelfde geldt voor de verhouding gemeente-enkeling (b.v. blz. 18). Daarover is al veel geschreven, maar wij raken daar elkander te weinig, omdat de zaken zo sterk heilshistorisch worden benaderd.
Graag willen wij u dit geschrift voorleggen en met alle klem aanraden er gebruik van te maken. Aan de schrijvers onze dank voor deze hulp in het omgaan met Pinkstermensen.
Katwijk aan Zee G. Boer
Dr. J. Firet: HET AGOGISCH MOMENT IN HET PASTORAAL OPTREDEN, 388 blz., ing. ƒ 22, 50, J. H. Kok N.V., Kampen, 1968.
Het onderwerp van deze lijvige studie ligt op het terrein van de praktische theologie: de leer van het pastoraal optreden, waarbij de schrijver zich beperkt tot drie gestalten van de kerkelijke praxis: de prediking, catechese en zielzorg. De auteur tekent het pastoraal optreden als intermediair van het komen Gods in Zijn Woord. Dit Woord is nabijheidsgestalte des Heren, openbaring van de Naam, openbaring van de Waarheid, realisering van het heil. Als modi van het pastorale optreden gaat de schrijver in op kerygma, didache en paraklese. In dat gedeelte worden in een hoofdstuk over de Heilige Geest en het pastoraal optreden, antwoorden gezocht op vragen als: Is de mens een werktuig? Hoe ligt het met synergisme in dit verband?
Het agogische definieert de schrijver als het zakelijk geestelijke functioneren in zuivere receptiviteit, discretie en creativiteit. Dit wordt uitgewerkt in het derde deel: het pastoraal optreden als agogische situatie. Hier lezen wij over zelfbeeld van de pastor, over het gevaar van suggestieve beïnvloeding; het pastoraal optreden moet gekenmerkt worden door het bewaren van distantie. De pastor moet kritisch staan tegenover een eventuele neiging tot psychagogie. „Pastor kan slechts hij zijn, die in eerbied voor de medemens diens evenmens is."
Het geheel is een boek van formaat met een grote rijkdom van gedachten en uiteenzettingen. Gaarne beveel ik het werk ter bestudering aan alle pastors en aan allen, die pastoraal werk doen aan: hoe verder u met de lezing komt, hoe minder gemakkelijk zult u het uit handen leggen.
Utrecht H. Bout.
Dr. W. Aalders: In verzet tegen de tijd; Uitgave J. N. Voorhoeve, 's-Gravenhage; 183 pagina's; 2e druk, ƒ 8,90.
Het is een verheugende zaak dat van dit bekende boek van dr. W. Aalders nu de tweede druk verschenen is. Ongetwijfeld heeft de verschijning van de Open Brief van de 24 predikanten de verkoop van de eerste druk in niet onbelangrijke mate bevorderd. Sindsdien werd immers dit boek ook in vele toonaarden aangehaald. Dr. H. J. Langman weidde er b.v. in Trouw een heel artikel aan.
Welnu de inhoud van dit boek is van dien aard dat het waard is om gelezen en herlezen te worden. De schrijver heeft met zijn boek willen geven „een protest tegen de verwereldlijking van God en de vergoddelijking van de wereld".
Direct al in het eerste hoofdstuk treffen we eigenlijk de toon aan waarin het hele boekje is gezet. Dr. Aalders wijst daarin op het feit dat we leven in een teken-arme tijd. Vroeger openbaarde Christus zijn kracht en heerlijkheid op tal van terreinen, b.v. op het terrein van de politiek, het sociale leven, de kunst en de wetenschap. Maar deze sprake van wereldse tekenen wordt zwakker. Christus heeft het kleed der tekenen afgelegd en is in onze tijd het kleed der schande en der verachting gaan dragen. Leven in zo'n teken-arme tijd vraagt daarom geestelijke heroriëntatie. De consequentie van het feit dat het christendom van meerderheid tot minderheid is geworden is dat we het zullen moeten aandurven om een mening te hebben die afwijkt van die van de meerderheid en die niet populair is, dat we een eigen levensgedrag trouiw zullen moeten blijven en non-conformistisch durven zijn. Onze weg voert naar beneden en niemand kan zeggen tot hoe grote diepte onze trouw op de proef zal worden gesteld.
Door het hele boek heen treffen we dan ook een bewogen roep om waarachtig geestelijk leven, en wel op een zo actuele wijze dat het niet nalaat indruk te maken. Uit alles blijkt hoe dr. Aalders het moderne leven in zijn vaak diepe noden en in zijn leegte heeft gepeild maar ook hoe hij uit het oude Woord schatten weet op te diepen ook voor onze tijd en aan op zichzelf bekende Bijbelwoorden diepte en glans weet te geven door de context waarin hij ze plaatst. Bij dit alles staat centraal het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Scherp wordt het mes gezet in de ingezonken situatie van het geestelijk leven der gemeente. Maar overal is de toon bewogen, pastoraal. Duidelijk klinkt door de drang om te behouden én niet om te wonden. Wat dat betreft is het hoofdstuk over de verwereldlijkte tempel een aanklacht en een appèl. Dr. Aalders zet dit hoofdstuk in het raam van de geschiedenis van de tempelreiniging en eindigt dit hoofdstuk met te zeggen dat het belangrijk is of de vreemdelingen van verre in de voorhoven des Heeren, temidden van het geluid van koeien en schapen, nog ergens een Simeon en Anna treffen die hen op weg helpen om de liefde Gods te vinden.
In verschillende bewoordingen is dr. Aalders al tegengeworpen dat hij voor de kerk in de wereld nauwelijks meer taken ziet weggelegd. Dat hij alleen maar aandacht heeft voor het persoonlijk geestelijk leven. Ik heb begrip voor deze kritiek voor zover deze niet bedoeld is om de geladen inhoud van dit boekje krachteloos te maken.
Anderzijds geeft dr. Aalders zich wel terdege rekenschap van zijn gevoelen in deze. Want hij zegt dat onze tijd van de Gemeente vraagt de moed te hebben haar kerkelijk verleden van zich af te schudden en de consequenties te trekken uit de nieuwe situatie van haar diaspora. Hij stelt dan dat de gemeente eerlijk haar onmacht, onkunde, en onbekwaamheid moet erkennen t.a.v. de politieke, sociale, economische en wetenschappelijke vragen. Hij stelt dat het wereldse gezag van het kerkelijk ambt steeds meer aan betekenis zal inboeten en dat de plaats van de leek steeds belangrijker wordt. Dr. Aalders verlegt dus de roeping van de gemeente naar de taak van het gemeentelid. En die taak omschrijft hij indringend. Dan blijkt duidelijk dat hij de Christen niet ziet met een boek in een hoek, maar profetisch ingaande in de situatie waarin men in de wereld is gesteld. Dat hij daarbij het zicht op het Koninkrijk Gods centraal stelt en waarschuwt tegen versecularisering van het leven is een goede zaak.
Ik ga geheel akkoord met de schrijver wanneer hij stelt dat de gemeente haar onbekwaamheid moet erkennen t.a.v. zaken die op het praktisch politieke vlak liggen en dat hij opkomt voor de profetische roeping van de kerk en van het individuele gemeentelid. Maar toch blijven hier wel enkele vragen achter. Dr. Aalders lijkt in dit opzicht wat meer verwantschap met Luther te hebben dan met Calvijn. De zaak van een christelijke politiek b.v. wordt bij dr. Aalders dachten we toch een dubieuze. Het zou daarom een goede zaak zijn wanneer hij in een apart geschrift zijn visie op deze materie wat nader zou uitwerken. Dan zou hij ook aandacht kunnen besteden aan de theocratie. Want de vraag blijft wel achter of in een apocalyptische tijd de theocratie om herwaardering vraagt of zelfs niet meer gesteld mag worden. Maar dan denk ik b.v. aan de perikoop uit Openbaringen 21 (vs. 24 t.m. 27).
Deze vragen willen overigens niets in mindering brengen op de voortreffelijke inhoud van dit boekje. We hebben uit de inhoud slechts enkele passages belicht, maar je moet de neiging onderdrukken om niet telkens te gaan citeren. Daarom wensen we dit boekje ook een ruime lezerskring toe.
Huizen J .v. d. Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1968
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's