ER IS EEN PLAATS BIJ MIJ
„Toen zeide hij: toon mij nu Uw heerlijkheid." Exodus 33 : 18.
Wat een stoutmoedig verzoek legt Mozes in weinig woorden de Heere voor. Wat brandt in deze vraag het vuur van de liefde, van het hartstochtelijk verlangen om God te kennen. Daarom wordt het niet koelweg van de hand gewezen. Het wordt echter ook niet ingewilligd zonder meer. Hierin is de wijsheid des Heeren.
Gij kunt Mijn aangezicht niet zien; want Mij zal geen mens zien en leven! Zo verschrikkelijk is de heerlijkheid des Heeren. Wat Hij er van vertoont, het laatste niet; dat kan niet, dat is dodelijk. Daar krijgen we plotseling een diepe indruk van; wij, die vaak niet zo van God onder de indruk komen. Die wat over Hem praten, gemoedelijk praten en soms met Hem spelen. Die denken: Laat Hij maar eens bewijzen, wie Hij is. Dat wij het zien! Wat zien? Zijn heerlijkheid? Het ongetemperde licht? Dankt Hem, dat Zijn openbaring in verborgenheid plaats vindt, anders zouden wij het immers besterven. U God, Gij zijt vreselijk in Uw heiligdom.
Het kan niet, het mag niet. En toch... Het is als aarzelt de Heere. Hij houdt het verzoek nog in beraad. Wat een verrassing: de Heere komt Mozes zover mogelijk tegemoet. Het zal niet bij het zien van al Zijn goedheid blijven. Mozes zal iets van de heerlijkheid zien. Het licht, niet in het brandpunt, maar het licht, dat zich spreidt waar God voorbij gaat, waar zijn heerlijkheid voorbij trekt. Een glimp, een spoor van licht zal Mozes opvangen, zodat hij het zal overleven. Wij worden getuigen van een hoogtepunt in de geschiedenis der openbaring.
Mozes zal met Gods heerlijkheid in aanraking komen, zonder dat die hem tot as zal verteren. En in Mozes, de middelaar, zal gans Israël, dat schuldige volk, toch de heerlijkheid Gods mogen aanschouwen, zonder dat het vernield wordt. In het louterende vuur van die heerlijkheid zal het verbond tussen God en Zijn volk gesmeed worden, hechter dan ooit. Zulke geweldige dingen komen hier aan de orde. Het wordt een aanschouwen. Maar hoe?
Nu komt de geschiedenis wat dichter naar ons toe. Gód aanschouwen? Met Hem in Zijn heerlijkheid omgaan, verkeren, spreken? Zijn aangezicht zien? Het is mij allemaal te hoog, ik kan daar niet bij. Zal Mozes zijn verzoek maar met intrekken, er zit te veel aan vast, het kan met ingewilligd worden Let er eens op: als wij er met bij kunnen, buigt de Heere Zich neer en zoekt ons op. Zo doet een vader met zijn kleine jongen: Kunje er nu bij? Zo doet de Heere bij allen die Hem vrezen; zij behoeven met op hun tenen te staan, zij mogen een plaats bij de Heere vinden. Dat staat hier: Kom maar bij Mij: Er is een plaats bij Mij. Een plaats waar wij de ontmoeting met deze God overleven. Zou de heerlijkheid Gods tegen u en mij uitvaren, dan is het verloren. Nee, zegt de Heere; zij zal langs u heengaan. Za ze ons dan met verzengen, als vuur dat langs vlas strijkt? Waar zullen wij ons opstellen? Zullen wij met liever wegkruipen? Want, beste lezers, Gods heerlijkheid, dat is geen kleinigheid. Waarvoor dan toch? Voor het aangezicht van de Heerlijke!
Als dauw valt het over de uitgedroogde grond: Er is een plaats bij Mij! De Heere wil erin voorzien. Hij neemt hem in Zijn hoge en genadige bescherming, onder de schaduw van Zijn grote hand. Daarna zie hij er iets van Hij ziet dat heerlijkheid tegelijk goedheid is en lankmoedigheid en barmhartigheid. Dat is Mozes overkomen. God ging voorbij; hij mocht Hem niet in het gezicht zien, hij zag hem van achteren. Het hemelse licht was toen nog zo hevig, dat Mozes' huid straalde van de weerglans en dat hij een doek over zijn gelaat moest werpen, als hij tot het volk sprak. Zo heeft God Mozes verhoord, zo toonde Hij hem Zijn heerlijkheid.
God aanschouwen, dat deed er maar Eén! Dat deed de Middelaar van het nieuwe verbond Jezus Christus. Niet, dat iemand de Vader gezien heeft, dan die van God is. Deze heeft de Vader gezien - Joh. 6 : 46. Hij is zelf God uit God, Licht uit Licht. Hij deelt in de heerlijkheid Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid. Ere zij de Zoon. Hij is mens. Hij is vlees geworden. Toen verborg zich de heerlijkheid Gods in Hem. Zij was heerlijkheid gezien, zingt Johannes. Gezien tot onze vreugde, tot onze vrede. Gezien als een heerlijkheid vol van genade en waarheid. Wat liggen er toch een schatten in het Woord, wat schittert Christus in dat woord: eerlijkheid. Hoe lezen we daarin de geschiedenis van het heil.
Niemand heeft ooit God gezien, zelfs Mozes niet. Dat is ook niet nodig. Als we heerlijkheid Gods in Christus aanschouwen mogen. God heeft Hem ons verklaard, verhelderend, bevrijdend. Enerzijds zo verborgen, dat er geen heerlijkheid aan te bekennen was. Het kruis haalt een streep door Zijn heerlijkheid. Nee, toch niet, door de verlichting van de Heilige Geest herkennen wij deze genaderijke heerlijkheid. En: zo gij in Hem gelooft, gij zult de heerlijkheid Gods zien.
Hem mag ik als middelaar der heerlijkheid voorstellen. In Wien we Gods heerlijkheid aanschouwen. Dan dorst uw hart naar God, het hijgt als een hert naar de waterstromen. Heere, toon mij nu Uw heerlijkheid. O wee, wat vraag ik daar, ik huiver soms terug voor mijn eigen vraag. Ver van u moet ik vergaan, en vlak bij u kan ik niet bestaan. Wat een spanning, wat een leven, de spanning is er in de echte kennis van God.
Naarmate wij vervolgen de Heere te kennen, gaat het meer spannen. Er zijn ravijnen, die ik niet kan overbruggen. Hier klappen immers alle bruggen in elkaar. De brug van mijn verstand en mijn gevoel. Hier zijn alle wegen versperd, de weg van mijn vroomheid en mijn ervaring.
Er is een plaats bij Mij! God houdt in Christus een plaats vrij voor de aanschouwers van Zijn heerlijkheid. Voor hen, die Hem niet kunnen benaderen en toch Zijn nabijheid zo innig begeren. In Christus strekt Hij Zijn hand over hen uit. Christus is de vrijplaats, naar Hem werd Mozes reeds verwezen. In Hem is het mij goed nabij God te zijn. Goed, omdat genade verheerlijkt wordt. Geest en Woord willen ons geleiden, en naar die plaats brengen, waar de bange ziel op de berg der heerlijkheid, door Gods gunst verblijd wordt. De heerlijkheid Gods wordt gekend, gesmaakt.
Maar het laatste van dit verhaal wordt pas in de toekomst verteld. Het grijpt eigenlijk op die toekomst vooruit. Johannes wist er van: want wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is - 1 Joh. 3 : 2. En Paulus kent er de voorsmaak van: En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest - 2 Cor. 3 : 18. Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. Daar staat het ons vrij, om te hopen: dan zullen wij zien, aangezicht tot aangezicht. Dat zal alle voorstellingen te boven gaan. Het geloof is er zeker van. God heft dan geloof en hoop op, zij worden verwisseld met aanschouwen. Blijft de liefde. De liefde, die fluistert: toon mij Uw heerlijkheid. En die beantwoord wordt door de liefde Gods in Christus: Er is een plaats bij Mij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's