De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE SYNODEVERGADERING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE SYNODEVERGADERING

9 minuten leestijd

I.

Tijdens de driedaagse zitting van de generale synode van onze kerk, die van 18 t.m. 20 november in Hydepark gehouden werd, was voor enkele agendapunten geruime tijd uitgetrokken. Dat betrof met name het memorandum van de Raad voor Kerk en Gezin, de rapporten van de gedelegeerden naar de wereldraad van kerken te Uppsala, het rapport van de Raad voor de Catechese en de beraadslaging over het theologisch hoger onderwijs.

Kerk en Gezin.

De Raad voor Kerk en Gezin had in 'n memorandum enkele ethische kwesties aangeroerd waarover diepgaand beraad was. Ten aanzien van de vraag of geslachtsgemeenschap voor het huwelijk geoorloofd was, was het antwoord van de Raad dat niet in alle gevallen gezegd kan worden dat het zonde is en evenmin dat het „mag". Los van deze vraag stelde de Raad dat anticonceptionele middelen ook voor ongehuwden verkrijgbaar moeten blijven en wel vanaf de leeftijd van zestien jaar omdat in ieder geval geslachtsgemeenschap voor het huwelijk zonder voorbehoedmiddelen onaanvaardbaar is.

Bovendien kwamen in het rapport aan de orde de anti-conceptie binnen het huwelijk, de sterilisatie, de abortus, de echtscheidingsprocedure, en de pornografie.

De commissie van rapport die het jaarverslag van de raad van kanttekeningen voorzag, vroeg zich af of het niet zeer gewenst was dat de raad ten aanzien van de pornografie eens een duidelijk protest zou aantekenen bij bepaalde T.V. programma's. Verder stelde één van de leden van de commissie dat het leven een geschenk is van God waarom we huiverig, zo niet afwijzend, tegenover het gebruik van deze middelen hebben te staan.

Vanuit de synode vroeg drs. K. Exalto waaruit bleek dat de stukken van de Raad voor Kerk en Gezin stukken waren die uitgingen van een kerkelijk orgaan. De principes die erin aan het woord kwamen verschillen niet van die van één of andere humanistische organisatie. Hij vroeg zich ook af wat nog zonde genoemd mocht worden. Bepaalt de Heilige Schrift ons geloof en ethos? Zo ja dan dienen we eerbied te hebben voor Gods geboden. Want wordt de wet niet meer gepreekt dan vervalt ook de rechte evangelieprediking. Teveel werd naar zijn mening in het rapport gewerkt met de uitdrukking „pastorale 'benadering", waarbij hij stelde dat het geen goed pastoraat is om tegen mensen die gevallen zijn te zeggen dat zij niet gevallen zijn.

Ook ds. G. Würsten tekende ten aanzien van dit rapport aan dat het gebod Gods versubjectiveerd was. Hij vroeg zich af of we ten aanzien van het regulerend optreden met betrekking tot het kindertal wél op de goede weg zijn. Hij signaleerde een bepaalde ontwikkeling: eerst keuren we de anti-conceptionele middelen goed, dan de sterilisatie en tenslotte de abortus. Hij noemde deze weg een verwerpelijke.

Bij de afsluiting van de besprekingen op dit punt stelde de praeses, dr. G. de Ru, dat hij bezorgd was over de afstand die er tussen de Raad voor Kerk en Gezin enerzijds en de synode anderzijds in de twaalf jaar van het bestaan van de Raad was gegroeid. Waarop ds. C. J. J. Janse overigens repliceerde dat het merendeel van de synode haar gevoelens in het Rapport van de Raad vertolkt zag, getuige het feit dat er slechts incidentele kritiek was geleverd.

Op voorstel van ds. F. H. Landsman werd tenslotte besloten dat die punten die tot discrepanties aanleiding gaven, door de Raad in overleg met het moderamen van de synode zouden worden uitgeselecteerd, waarna deze dan tijdens de februari-of zomervergadering van de synode in 1969 opnieuw aan de orde zouden worden gesteld.

Uppsala.

Voor Uppsala was een hele middag uitgetrokken. Uitvoerig werd van gedachten gewisseld over de verslagen van de Nederlandse gedelegeerden die van verschillende secties deel hadden uitgemaakt.

Opmerkelijk was dat het rapport betreffende „De Heilige Geest en de katholiciteit van de kerk", waarin onder andere gewezen werd op de veelvormigheid, de diversiteit van het werk van de Heilige Geest, weinig werd gesproken. Professor Bronkhorst benadrukte dat accentuering van de diversiteit niet betekenen mag dat het zicht op wezenlijke eenheid van de diverse kerken wordt opgeheven. En professor H. Jonker tekende hierbij aan dat het zicht op het kerkbeeld niet mag ontbreken. Hij stelde b.v. dat het Nieuwe Testament ook het aspect kent van de kerk als een beslotenheid temidden van de wolven, en vroeg zich af of het moment van de gemeente als lichaam van Christus niet te zeer verwaarloosd werd.

Meer aandacht was er voor het rapport over de zending. Naar aanleiding van opmerkingen van ds. K. A. Abelsma, die primair de opdracht van de zending zag tot bekering van de enkeling omdat personen niet herhaalbaar zijn, dit in tegenstelling tot de in het rapport genoemde bekering van de volkeren, betuigde de synode op voorstel van ds. Landsman haar instemming met het zendingsbeleid dat gericht is op de enkeling en de gemeenschap en waarin de twee-eenheid van uitwendige en inwendige zending naar voren komt. Ds. Abelsma waarschuwde ook tegen een sociaal gospel, hetgeen dr. Locher, de samensteller van het rapport over de zending de opmerking ontlokte dat waar het gospel naar voren komt ook het sociale naar voren treedt.

Ten aanzien van het rapport over de economische en sociale ontwikkeling op wereldniveau stelde drs. Pronk onder andere dat de kerk pressie dient uit te oefenen op bestaande structuren zoals de overheid, het bedrijfsleven, de vakbeweging etc, en dat de kerk contact zal moeten leggen met revolutionaire bewegingen in binnen-en buitenland. Ook dr. C. P. van Andel, de samensteller van dit rapport benadrukte de noodzaak van contact met revolutionaire bewegingen en stelde zich tevens kritisch op tegenover de door minister den Toom voorgestelde verhoging van de uitgaven voor de NAVO met 225 miljoen gulden.

Deze opmerkingen ontlokten aan ds. M. Krop de opmerking dat de kerk moest oppassen niet op het terrein van de politiek te komen. Verkondiging van het evangelie is haar opdracht. Hij beluisterde in alles wat gezegd werd een nieuwe wettische ondertoon en sprak als zijn mening uit dat dergelijke geluiden niet zouden nalaten een rechtse reactie binnen de kerk op te roepen.

Prof. H. Jonker stelde ook dat de discussie die gevoerd werd verpolitiseerde en dat er alleen maar kreten werden gehoord.

Met betrekking tot het rapport over de vrede en gerechtigheid in internationale zaken werd opgemerkt dat de Schriftuurlijke basis ontbrak (ds. P. Kikstra), dat het teleurstellend was dat Uppsala zich niet uitgesproken had over Biafra en Israël (P. van Kleunen) en dat de stelling dat bij alle mensen een moreel zintuig aanwezig is waarop men t.a.v. vrede en gerechtigheid een beroep kan doen idealistisch is en blind (R. F. Ie Gras).

Concreet leverde de discussie over Uppsala weinig op. Op voorstel van ds. Landsman werden allerlei suggesties naar betreffende commissies gedelegeerd. Slechts betuigde de synode haar adhesie aan de actie van de NOVIB.

De herhaalde uiting van bezorgdheid inzake genoemde nota van minister den Toom (prof. H. Berkhof, dr. C. P. van Andel en prof. A. J. Rasker) vond niet zoveel weerklank in de synode dat deze zich in deze kwestie wenste uit te spreken.

De Catechese.

In het rapport van de Raad voor de Catechese werd o.a. ide vraag aan de orde gesteld of het Heilig Avondmaal niet moest worden losgemaakt van het doen van belijdenis des geloofs en ook voor kinderen toegankelijk moest zijn. Verder werd gepleit voor een nieuwe hedendaagse catechismus en een nieuwe formulering van het belijden „aangezien we met de oude belijdenisgeschriften weinig meer kunnen aanvangen".

Wat betreft de openstelling van het avondmaal voor jongeren voor het afleggen van belijdenis des geloofs vond het rapport bij sommigen een goed onthaal (C. Krankena, prof. A. J. Rasker). Anderen stelden zich hier kritisch tegenover, zoals ouderling P. van Kleunen en ds. G. Würsten. Ds Würsten vroeg zich, naar aanleiding van dit rapport, af of we niet bezig zijn de religie van de belijdenis kwijt te raken. De mogelijkheid bestaat dat er zoveel overhoop wordt gehaald dat de mensen inmiddels vergaan van honger omdat de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze niet meer doorklinkt. In dit kader pleitte hij voor de oude Heidelberger, omdat daarin de lijnen worden getrokken voor het in Christus zijn. Alleen vanuit dit in Christus zijn is het mogelijk om vruchten voort te brengen, waarbij het dan wel eens zo kan zijn dat de kerk terwille van de kern van het evangelie zich terugtrekt van bepaalde dingen.

Ook ouderling P. van Kleunen sprak zich uit in deze zin en wees erop dat de ergernis van het evangelie niet moet worden weggenomen. Ds. P. Kikstra merkte op dat de oude Heidelberger en de formuleringen van de belijdenisgeschriften niet kunnen worden gemist en dat als er een nieuwe catechismus komen moet dit dan in ieder geval een reformatorische zal moeten zijn.

Ook één van de jongeren, J .de Mos, die op deze synode nogal eens aan het woord mochten komen, merkte op dat we genoeg hebben aan de Heidelberger. Verder stelde hij dat de tendens bij jongeren om geen belijdenis meer te willen doen en toch tot het avondmaal te worden toegelaten niet voor zou komen als in prediking en catechese hieraan geen voet zou worden gegeven maar ertegen zou worden gewaarschuwd.

Andere jongeren spraken vanuit een heel andere hoek. Veelvuldig klonken allerlei wilde kreten over experimenten in de kerkdienst, zowel ten aanzien van de prediking als van de liturgie en ten aanzien van het jeugdwerk.

Professor H. Jonker gaf tenslotte een globale beschouwing over het rapport betreffende de catechese, waarbij hij benadrukte dat de Waarheid Gods die de kerk te dienen heeft het aspect heeft van de doctrina, van de leer, en dat de kerk zich daarover heeft uitgesproken in haar belijdenissen waarin allerlei kwesties aan de orde komen die vandaag nog of weer actueel zijn.

Ook benadrukte hij tegen de achtergrond van allerlei dingen die door jongeren waren gezegd dat het persoonlijk getuigenis niet apart mag staan maar moet worden ingevoegd in het belijden van de kerk.

(Wordt vervolgd).

Huizen  J.v.d.Graaf

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE SYNODEVERGADERING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's