De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE SYNODEVERGADERING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE SYNODEVERGADERING

6 minuten leestijd

II.

Theologisch Hoger Onderwijs.

Een heet hangijzer op de synode was het theologisch Hoger Onderwijs. Als eerste punt kwam in dit opzicht aan de orde het seminarie te Driebergen. Ter tafel lag een voorstel van de commissie voor het theologisch Hoger Onderwijs om, nu op 30 november de emeritus predikant ds. P. G. v. d. Hooff zijn werkzaamheden met betrekking tot de leiding van het seminarie zal beëindigen, in zijn plaats een derde man vast te benoemen in het rectorium van het seminarie, en wel iemand die qua leeftijd dichter bij de jongere generatie staat dan een emeritus predikant. Bovendien was er het voorstel om, nu door de dood van de rector van het seminarie dr. J. M. de Jong nog in een andere vacature moet worden voorzien, de leiding van het seminarie zodanig te wijzigen dat een rectorium van drie personen van gelijke rang de leiding van het seminarie hebben zal terwijl het voorzitterschap bij toerbeurt door één van hen zal worden bekleed.

Tevens lag er een schrijven ter tafel van een aantal predikanten, waaronder het synodelid ds. P. Kikstra, om zich te bezinnen op de structuur van het seminarie, waarvoor men een “hearing" gewenst achtte waaraan alle belanghebbende instanties, t.w. de generale synode, de commissie voor het theologisch hoger onderwijs, het college van kerkelijke hoogleraren, het rectorium, predikanten en studenten kunnen deelnemen. Zijn groep wilde zich niet als pressure group opstellen, zoals naar zijn zeggen de Gereformeerde Bond dit wel deed, en was ook gekant tegen een modaliteitsbenoeming. Hij vroeg een voortzetting van de lijn van de overleden rector dr. de Jong. Dan mocht het rectorium wat hem betreft uit drie gereformeerde bonders bestaan.

De Gereformeerde Bond had zich in deze kwestie ook laten horen door een schrijven waarin werd ingehaakt op het gesprek dat het hoofdbestuur van de Bond heeft gehad met het moderamen van de synode en waarin met nadruk gewezen was op de noodzaak van een geestelijke leiding in het geheel van de kerk. In dit schrijven werd ervoor gepleit dat de begeleiding van de aanstaande dienaren des Woords zou zijn gericht op de gewone taak in de gemeente en dat ten aanzien van het seminarie zodanige voorzieningen zouden worden getroffen die stroken met de reformatorische structuren van onze kerk en dat een benoemingsbeleid bevorderd zou worden dat in overeenstemming is met het belijdend karakter van onze kerk.

Verschillende synodeleden stelden dat laatstgenoemde brief in de komende beraadslagingen over het seminarie aandacht zou moeten krijgen (ds. J. H. v. d. Bank, ds. J. A. G. van Zanten).

Verder was aan de synodeleden een uitvoerige adviesnota van prof. H. Jonker verstrekt. Daarin stelde hij allereerst de structuur van de predikantenopleiding aan de orde, waarbij hij er op wees dat gewaakt moest worden voor eenzijdige verabsoluteringen. De heersende tijdgeest overaccentueert de daad ten koste van de bezinning. Naar zijn mening diende de bezinning over het Woord Gods primair te zijn en vandaaruit moet de praxis aan de orde komen. Wat dat betreft pleitte hij voor een theoretisch theologische opleiding aan de universiteit, en een praktische scholing in het verlengde hiervan aan het seminarie. Naar de mening van prof. J. A. Rasker verdiende het overweging om in de lijn van een door prof. Strijd en prof. Roscam Abbing te verwachten voorstel, de praktische scholing al aan de universiteit te doen plaats vinden gedurende de laatste twee jaren van de opleiding.

Prof. Jonker pleitte in zijn nota voorts voor een rectorium van het seminarie dat zou bestaan uit een systematisch theoloog voor de theologische visie in het algemeen, een pastoraal theoloog-psycholoog voor de training en een bijbels theoloog voor de Bijbelse inbreng bij de praxis.

Ook ds. K. A. Abelsma wees op de noodzaak van mensen in de leiding van het seminarie die degelijke theologen en pastores waren en die ingesteld zouden zijn op de kerk en het kerkvolk en die de a.s. predikanten bijbels zouden begeleiden.

Toen de beslissing gevallen was dat een vaste derde man in het rectorium zou worden aangesteld (2 stemmen tegen en 1 blanco) pleitte drs. J. H. v. d. Bank voor iemand uit de kring van de Gereformeerde Bond in het rectorium. Drs. K. Exalto deed hetzelfde voor de commissie voor het theologisch hoger onderwijs. En ds. M. Groenenberg pleitte voor een „gevarieerd gezicht" van de leiding van het seminarie.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs mocht het voorlopig met deze suggesties doen en zal op de volgende synodevergadering met voorstellen komen.

Tenslotte werden ten aanzien van het theologisch hoger onderwijs nog enkele noten gekraakt over de theologische faculteit te Amsterdam. De kerkelijke hoogleraren te Amsterdam worden in tegenstelling tot de andere universiteitssteden benoemd door de curatoren van de universiteit van Amsterdam op voordracht van de synode.

Vanuit de synode werd gepleit voor een herziening van deze procedure gezien de ervaringen bij de recente benoeming in de vacature van prof. Smelik. De synode had toen in afwijking van de voordracht door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs iemand aangewezen die echter door de curatoren van de Amsterdamse universiteit niet was aanvaard, zodat de curatoren daarmee toch de weg vrijmaakten voor de benoeming van de aanvankelijk 'geadviseerde dr. K. Strijd.

De theologische faculteit had door middel van een schrijven inmiddels laten weten dat zij geen herziening van de benoemingsprocedure wenste omdat de positie van de theologische faculteit aan de Amsterdamse universiteit daardoor zou worden ondermijnd. Dat ontlokte nogal scherpe kritiek. Op deze wijze wordt de kerk beperkt in haar vrijheid om haar eigen hoogleraren te benoemen.

Verschillende leden trokken in twijfel of Amsterdam wel moest worden gehandhaafd voor de theologische opleiding voor de Hervormde Kerk (ds. J. C. H. Jörg, G. H. van Nieuwpoort), hetgeen door prof. Rasker nogal werd betreurd.

Prof. Jonker stelde dat de moderne theologie inspraak van iedereen verwacht, tot en met de studenten, maar als de synode om inspraak vraagt gaat de deur dicht.

Tot een stemming over deze kwestie kwam het niet. Het moderamen van de synode wilde keuzevrijheid. De commissie voor het theologisch hoger onderwijs wilde wel dat de synode een door de commissie gestelde voordracht kon afwijzen. Zij stelde echter dat het onjuist was als de synode, in afwijking van de voordracht van genoemde commissie, zelf met voorstellen kwam over personen waarover de commissie onmogelijk alle inlichtingen bezitten kon.

Het beraad hierover zal in ieder geval op een volgende synodevergadering worden voortgezet.

Huizen  J.v.d.Graaf

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE SYNODEVERGADERING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's