Enige indrukken
van het tweede gesprek met de Generale Synode met „de 24"
De praeses, dr. G. de Ru, neemt nu het woord. De bescheidenheid verbiedt in détails te treden over de beïnvloeding van de instituten. Maar vergeten is deze zaak zeker niet.
Over de prediking waakt de Provinciale Kerkvergadering. Persoonlijk hoort de praeses des zondags vele goede Evangelie predikingen.
Het moderamen tilt zwaar aan de opgedragen taak.
Er was deze dag wél openheid. De verontrusting vindt weerklank. Er is bij het breed moderamen instemming met zeer veel wat „de 24" beweegt. Er is een allernauwste samenhang tussen de rechtvaardiging en de heiliging. Ook bij de synode is verontrusting over de nieuwe moraal. Op de komende zitting zal het jaarverslag van de Raad voor de zaken van kerk en gezin besproken worden. Daarbij ook het bestreden door hem aan de overheid uitgebrachte advies.
Dr. W. Aalders krijgt als laatste gelegenheid te spreken. Hij is dankbaar voor deze dag en wil graag de communicatie handhaven. (Dit laatste n.a.v. de bezwaren van ds. Krop tegen de parallel: politiek messianisme - Duitse Christenen). Deze ontmoeting heeft iets onbevredigends, hebben sommigen gezegd. Toch zal dit gesprek een zoutende werking hebben. Er zijn waardevolle dingen gezegd. De continueringscommissie heeft wel overwogen 'n aantal vooraanstaande theologen (o.a. van „Kerk en Wereld") uit te nodigen. Daarvan heeft men afgezien. Waren wij nu niet de rechte gesprekspartners? Hebben wij de kern van de zaak geraakt? Veel bijzonderheden kunnen vergeten worden, doch het gaat om de prediking. Ons overvalt een machteloosheid. Er is achteruitgang in de kerkgang. Er is een armzaligheid in het kerkelijk leven.
Daar zitten wij mee. Er ligt een doem, een ban over ons. Waar ligt dat aan? Het is ons als kerk niet gegeven gezaghebbend te spreken. Dit is een zaak van de hoogste prioriteit. Bij u en bij ons. Dit moge de belangrijkste echo van deze vergadering zijn.
De praeses gaat over tot sluiting. Hij wijst op het woord: „Ik zal waken over Mijn Woord om dat te doen". Daardoor zijn wij niet van verantwoording ontslagen. Maar het bevat de troost, dat het niet van óns afhangt.
De assessor van het moderamen, ds. J. H. van de Bank, gaat voor in gebed, waarna de praeses de vergadering ontbindt.
Tot zover de weergave van de ontmoeting op „Woudschoten", 21 okt. j.l. Ter afsluiting van de vijf artikelen, waarin ik u iets van de gang van het gesprek mocht vertellen, volgt de tekst van een reactie op het verslag van dr. H. J. Langman in „Hervormd Nederland" van 26 oktober j.l. Deze reactie is aan de redactie, onder het opschrift: „Nog eens: de Generale Synode en „de 24" ", is aan de redactie van dit blad met verzoek om plaatsing toegezonden. Zoals door ds. G. Boer was aangekondigd, zou ik daarin op enige eenzijdigheden in dr. Langmans weergave ingaan.
Bij het voorbereiden van de „open brief", die 31 oktober 1967 uitging, is wel eens de vrees uitgesproken, dat deze cri de coeur ongehoord zou blijven. Wel eerder is ongerustheid over de gang van zaken in de koers van onze kerk geuit. Meermalen en vanuit verschillende sectoren. Maar ondanks het blaffen van de honden trok de karavaan verder.
Met de open brief van „de 24" is het anders gegaan. Niet dat de onderteken naars zichzelf zo belangrijk vinden. Maar het Evangelie van de genade van God, die de goddeloze rechtvaardigt om niet is in het geding. Onder de druk van humaniserende tendensen dreigt het zoek te raken. En wie dat Evangelie om Gods wil lief heeft, kan niet zwijgen.
De brief kreeg veel aandacht. Dat is iets om dankbaar voor te zijn. Reeds in de november-zitting van 1967 nam de generale synode de brief in behandeling. Hij was haar toegezonden met verzoek hem te bespreken, hoewel hij niet in eerste instantie tot haar, maar tot de ambtsdragers en gemeenteleden gericht was.
In de waardering zijn duidelijk drie fasen te onderscheiden. Bij de eerste bespreking was menig synodelid bepaald niet vriendelijk, maar boos en geërgerd. Er vielen uitdrukkingen als: „uiterst gevaarlijk", „onhelder", „geschreven uit sentiment", „misselijke brief", „snertstuk" en „onbeschrijfelijk schandalig". Volledigheidshalve vermeld ik, dat ook andere geluiden gehoord werden.
Op 21 maart 1968 ging de onderhavige zaak een tweede fase in. Toen vond een eerste gesprek plaats tussen het breed moderamen van de generale synode, de commissie van rapport en een aantal adviseurs enerzijds en „de 24" anderzijds. Eigenlijk was de kentering al op de februari-zitting van de synode merkbaar. Zij ontlokte toen een van de afgevaardigde ouderlingen de opmerking, dat er nu toch blijkbaar zeer velen waren, die door verontrusting werden aangeraakt. De kruitdamp was goeddeels opgetrokken, toen het tot voorgenomen ontmoeting kwam. Toch was de sfeer enigszins gespannen. Er werd vrij scherp gediscussieerd. Allerlei bezwaren en verontrustende zaken werden naar voren gebracht. De slotsom was, dat men meende het gesprek te moeten voortzetten.
Daartoe kwam het precies 7 maanden nadien. Beide gesprekspartners bleken nog dichter bij elkaar te staan. Dr. H. J. Langman gaf van de loop van dit gesprek een overzicht, waarbij ik enige kanttekeningen plaats.
1. Jammer, dat uit de pen van dr. Langman de zin vloeit, dat soms met kracht en felheid werd geprotesteerd, „Voornamelijk bij monde van dr. W. Aalders, van tijd tot tijd gesecondeerd door enkele van zijn vrienden". Gesecondeerd. Dat woord heeft een onaangename, om niet te zeggen onwaardige klank. Het doet beslist geen recht aan het verzoek van de praeses synodi, dat het gesprek niet door weinigen zou worden gevoerd, maar velen eraan zouden deelnemen.
2. „Inplaats van de prediking van Jezus Christus de Verzoener een prediking van aards messianisme dat zover ging, dat van sommige kansels zou zijn gezegd: „bekering is niet nodig"; en „de wereld is de kerk", aldus dr. Langman in zijn verslag. Ter vergadering is echter niet gesteld, dat dit van één kansel of enkele kansels zou zijn gezegd, maar dat deze dwaling achtergrond (soms zelfs voorgrond) van zeer veel gangbare prediking is. Van de zijde van het breed moderamen is dit stuk verontrusting beslist gebagatelliseerd. De prediking is schrikbarend in nood. Steeds heeft de filosofie geprobeerd de theologie (en daardoor de prediking en het kerkelijk belijden en leiden) in haar greep te krijgen. De verlichting, de kritiek van Kant, het systeem van Hegel, de Religionsgeschichte en het existentialisme hebben elk hun invloed op kerk én prediking doen gelden. Thans is het vooral het humanisme, met name een revolutionair humanisme. Voor de verleiding om uit twee bronnen te putten: de Openbaring en de geschiedenis of menselijke rede, zijn velen bezweken en bezwijken velen. Dan wordt de Openbaring altijd ondergeschikte. Te weinig is het vermaan van Pascal gehoord: „Verneder u, gij onmachtige rede".
De praeses zei, dat de Provinciale Kerkvergaderingen waken over de prediking. Wordt daar ernst mee gemaakt? Weert de kerk wat haar belijden weerspreekt? Is zij op dit punt werkelijk waakzaam?
De rijkdom van de kerk is het Woord. Wie daarmee worstelt, doet het met een goddelijke 'belofte. Die vindt ook een weg door déze tijd.
3. Stonden de partners zeer dicht, te dicht bij elkaar? Dat werd zo gezegd en dr. Langman schreef het. Ter vergadering werd het inderdaad zo gevoeld. Of is (zoals één van de aanwezigen zei) de openheid juist dichtgeslagen?
Wanneer het genoemde gevoel niet bedriegt, zal dat ook zijn gevolgen hebben. Vooral tijdens de eerste bespreking zijn zeer ernstige bezwaren naar voren gebracht inzake lichamen en instanties, die onze kerk vertegenwoordigen of waarin zij participeert.
Onze kerk is geen episcopale. Gelukkig niet. Maar het breed moderamen heeft grote invloed. Wanneer het die ten goede aanwendt, kan van zijn stimuleren, begeleiden en belijden zegen uitgaan. Dat zal dan ook te merken zijn. Een alibi voor concrete fouten en tekortkomingen mag dan niet gezocht worden, noch gezegd: wij hebben ook met anderen te maken!
4. Reeds in november 1967 zei ds. F. H. Landsman: wij moeten duidelijk maken, dat wij nog radicaler, nog dieper verontrust zijn. Door anderen is dat bij verschillende gelegenheden en in verschillende toonaarden herhaald. Maar wat voor radicalere, diepere verontrusting is dat dan? En wat komt daarvan naar buiten? Onze grote zorg is, dat men het Woord niet laat staan en veel daarnaast verzint.
Wanneer een kerk het Woord loslaat, maakt zij zich tegelijkertijd van de goddelijke belofte los.
Tegenstellingen als: introvert - extravert, conservatief - progressief, verticaal - horizontaal, zijn hier ten enenmale niet op hun plaats.
Het is een groot verschil, of van de uitgesproken verontrusting wordt erkend, dat zij verklaarbaar en ten dele zelfs gerechtvaardigd is, óf dat zij wordt overgenomen en eigen gemaakt.
Gelooft onze kerk nog in de kracht van het Woord? Is er het gebed om de Heilige Geest?
Dirksland L.J. Geluk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's