De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

Verontrusting.

Er wordt in de pers van de Geref. Kerken nogal wat nagesproken over de vergaderingen die in Middelburg en Urk gehouden zijn, en waarop uiting gegeven werd aan de verontrusting over de ontwikkeling die in de Gereformeerde Kerken aan de gang is.

Met name de uitlatingen van Prof. dr. C. Augustijn over het lichaam van de opgestane Christus hebben pro en contra nogal wat commentaar uitgelokt.

Van de ene zijde verwijt men de verontrusten dat zij niet goed geluisterd hebben en aan de hoogleraar opvattingen in de schoenen schuiven, die deze niet bedoeld heeft. Zo schrijft dr. H. B. Weijland in de Arnhemse kerkbode dat het „neen" van prof. Augustijn begrijpelijk is, omdat z.i. de Bijbel zelf een duidelijk onderscheid maakt tussen het lichaam van Christus, waarmee Hij voor Zijn sterven onder ons verkeerde en Zijn lichaam daarna. Het lichaam waarmee Christus met Pasen uit het graf opstond was een verheerlijkt lichaam. En dr. Weijland verwijst dan naar 1 Cor. 15. Hij meent dat door de wijze waarop de vraag gesteld was het misverstand is opgeroepen, zodat z.i. de verontrusten er een verkeerde conclusie uit getrokken hebben. Want dat het Jezus zelf is die is opgestaan, daarover bestaat geen twijfel en dat is in Middelburg door niemand ontkend. De angst voor een vrijzinnige vergeestelijking (Jezus is gestorven, Christus is opgestaan) is terecht. Maar aldus de Arnhemse predikant, voor deze angst behoeft t.a.v. de uitlatingen van prof. Augustijn geen roden te zijn.

Inderdaad moet toegegeven worden dat vragen en antwoorden in een discussie gesteld misverstanden kunnen oproepen, en dat dit tengevolge kan hebben dat iemand in een bepaalde hoek gedrongen wordt, waar hij niet thuis hoort. Toch vragen we ons af, of de wijze waarop door dr. Weijland gereageerd wordt, de zaak niet wat al te simplistisch maakt. Toen aan prof. Augustijn gevraagd werd of Christus na Zijn opstanding hetzelfde lichaam had als tevoren, had deze vraag een bepaalde achtergrond. Die achtergrond vormde een discussie van genoemde hoogleraar met prof. dr. H. N. Ridderbos - een discussie die al weer enige tijd achter ons ligt - waarin het ging over de verhouding van verkondiging en historie, feit en vertolking t.a.v. Pasen.

Uitlatingen van prof. Augustijn, volgens wie de boodschap van Pasen historisch niet verifieerbaar is, gaven en geven aanleiding tot verontrusting. Daarmee is niet gezegd dat de discussie in Middelburg terecht is geweest, daarmee is - dacht ik - wel aangegeven dat men de aard van de ongerustheid wel scherp in het oog moet vatten. Het gaat om meer dan om verdachtmakerij, kreten slaken, wantrouwen etc. zoals soms nog wel eens gelanceerd wordt. In dit verband schrijft ds. Oomkes in de Friese kerkbode:

Op de vergadering in Middelburg verklaarde prof. Augustijn ronduit, op een vraag, niet te geloven, dat Jezus met hetzelfde lichaam is opgestaan als - waarmee hij is gestorven. Iemand moeit toen verzucht hebben: „Hoe durft hij!" Ik kan me dat heel goed indenken, als zo'n bewering zo maar plompverloren wordt gedaan. Dan geeft men aanleiding tot verontrusting en wantrouwen. En als dan aan de verontrusten verweten wordt dat zij nogal wat kreten slaken (prof. Verkuyl in „Jong Gereformeerd; " van 11 oct. 1968) dan noem ik dit ook een kreet. En wel één met een gevaarlijke achtergrond. In heit gemeentecahier: De betrouwbaarheid van het Evangelie van drs. Baarda, komt deze zaak ook aan de orde. Daar zegt deze: “De boodschap van Pasen is historisch gezien niet verifieerbaar. Nimmer heeft zij (de Gemeente) getuigen kunnen oproepen voor het feit, het gebeuren van de opstanding. Wat er gebeurd is weet men niet te vertellen. Pas in later tijd komen daarover de Apocriefe verhalen los". En in hetzelfde geschrift: „Met de gekruisigde is opgewekt". En ook nog, dat het wel een historisch feit is, dat Jezus stierf, maar dat verkondiging is, dat Jezus opstond, dan moeten de hooggeleerde heren zich toch niet verbazen dat er twijfel komt in de harten van de vele gelovigen, nl. of het inderdaad wel ook vast staat, dat alleen de historiciteit van Adam en Eva, Paradijs enz. in het geding is. Is hier niet veel meer aan de orde?

Uitspraken als boven vermeld zijn zonder meer dubieus en vereisen op zijn minst een nadere uiteenzetting.

Scherp protesteert ds. Oomkes tegen de gedachte, als zou het om kleinigheden gaan. We menen dat hij daarin gelijk heeft. Het gaat immers om de wijze ook waarop de Schrift benaderd wordt. En de indruk is toch deze, dat het historisch-kritisch bijbelonderzoek bij velen in de Geref. kerken geleidelijk aan terrein wint.

Of hier dan geen vragen leven? En of er niet een stuk vrijheid van exegese is? Ongetwijfeld, maar deze vrijheid vormt geen vrijbrief. En de resultaten, waartoe men komt, laten duidelijk zien dat er van onbevooroordeelde exegese geen sprake is.

Degenen, die in de Geref. kerken ongerust zijn over de koers, voeren maar niet strijd over bepaalde wetenschappelijke punten, maar tekenen bezwaar aan tegen het feit dat de prediking en de levensstijl, de diepte van het belijden wordt uitgehold, kortom tegen een vermageringsproces en een geestelijke verschraling.

Wat moet er gedaan worden.

Op bewogen wijze geeft ds. J. Overduin in het Centraal weekblad commentaar op de gehouden vergaderingen. Ook hij acht het een benauwende zaak dat de prediking van zonde en genade zo vervlakt wordt door een eenzijdig horizontalisme. Hoezeer ds. Overduin ook waarschuwt tegen een reactiedenken, waarin uiteen gerukt wordt, wat naar Gods bedoelen bijeen hoort en hoezeer hij beklemtoont, dat de liefde tot God consequenties heeft voor de verhoudingen in het horizontale vlak, hij acht het een benauwende zaak, wanneer men ervan uitgaat dat het thema „zonde-genade" de mens niet meer zou aanspreken.

Wat is nu de weg om uit dit slop te geraken? Overduin schrijft in dit verband het volgende:

Demonstratieve samenkomsten, waarin zo makkelijk “in het vuur van rede" dingen gezegd worden, die ook de leiding wel niet voor haar rekening zal nemen, hebben bedenkelijke kanten.

Dat neemt niet weg, dat alle predikanten en ouderlingen de gemeenten  Schriftuurlijk hebben te leiden en te voeden. Het merkwaardige is dat er twee soorten machten telkens gehoord worden, die in verband, staan met het verticalisme en het horizontalisme.

Enerzijds de klacht, dat er nauwelijks de echte Bijbelse waarheden van wedergeboorte, geloof en bekering, van oordeel en genade functioneren in de prediking van sommigen (velen?) Het is alles „medemenselijkheid" wat de klok slaat. En dan niet opkomend uit de persoonlijke verlossing, zodat men het gevoel krijgt te doen te hebben met wat christelijke moraalprediking en wat christelijk humanisme. Men gaat dan soms stilzwijgend uit van wat wellicht niet eens aanwezig is.

Ik kan natuurlijk niet beoordelen in welke mate dit in onze kerken voorkomt.

Maar elke collega, die zich hieraan schuldig maakt, zou ik willen toeroepen: Houd er mee op, want u verstaat het hart en de volheid van het evangelie niet. U onthoudt ook de mensen de enige troost in leven en sterven. Al preken we nog zo sterk de heiliging van het leven, boven de genade komt een mens nooit uit. En wat is heiliging zonder genade?

Maar anderzijds is er de klacht (vooral bij jongeren), dat „onze dominee zo ouderwets preekt". Altijd over de zonde in het algemeen, nauwelijks concreet, terwijl hij de grote wereldproblemen veel te veel laat vallen en steeds aanvallen op de „medemenselijkheid" doet. Ook hier kan ik niet beoordelen in welke mate zich dit in deze kerken voordoet.

Maar ook zulke collega’s zou ik willen toeroepen: Houdt er mee op, want u verstaat het hart en de volheid van het evangelie niet. U onthoudt de mensen de vreugde om als geroepenen dn en voor de wereld te zijn.

Hierover ben ik verontrust. Wat te doen?

Predik het volle Evangelie en bid om de Heilige Geest. Het is geen overbodige weelde een biddag uit te schrijven, opdat alle hoogleraren, predikanten, ouderlingen, diakenen en gemeenteleden vol des geestes het volle Evangelie verstaan, verkondigen en in praktijk brengen. Ik meen dat ook onze verontruste broeders en zusters dit wel de meest koninklijke en geestelijke weg zullen vinden. En dan : bidden wij voor elkander, voor conservatieven en progressieven, voor oud en jong.

Overduin gaat in het vervolg van zijn artikel in op de kwestie van theologie en prediking. Theologie als wetenschap kent de ontwikkeling. Hij wijst op het denken van Kuyper en Bavinck. Hij signaleert een ongezond conservatisme en een legitieme zorg, dat door allerlei ex­perimenten de kern van de zaak verloren zou gaan.

Ik beweer niet, dat wij nu met dezelfde problemen te maken hebben, maar wèl, dat het theologisch denken niet stil kan nog mag staan. Was het maar waar, dan hadden we een stil en gerust leven, maar het zou ook de stilte van het theologisch graf zijn. God geeft ons geen gemakkelijke opdrachten. Waar leven is, loop je altijd gevaar. In het graf loop je geen gevaar meer.

En bij elke ontwikkeling wordt het signaal niet alleen op groen maar ook op rood gezet. Hier is roeping èn gevaar. Hier is altijd plaats voor groene èn rode lichten, omdat ook theologen beperkte en zondige mensen zijn, die ook te goeder trouw kunnen dwalen.

Maar het is ons aller roeping om niet roekeloos het : groen te laten branden noch ten onrechte het signaal al maar op rood te zetten.

Hoewel ik persoonlijk gevoeliger ben voor de verontrusting op geestelijk dan op theologisch gebied, ontken ik zeker niet het belang van Schriftuurlijk theologisch denken en de invloed van de theologie op het leven der gemeente. Omgekeerd moeten we ook in het oog houden, dat we de paarden niet achter de wagen spannen, omdat geestelijke inzinking ook funest is voor gezond theologisch elan.

De situatie is nu, zo, dat wij lang niet binnenskamers zijn uitgepraat en ... uitgebeden. Ik huiver wat voor grote demonstratieve samenkomsten waar ook zij aan het woord kunnen komen, die de problemen niet eens doorzien. De wetten van de ideologie van de massa - beginnen een lelijk woordje mee te spreken. Beide „partijen" zijn gespannen, waardoor veel verloren gaat aan duidelijkheid en tact, en waardoor meestal de misverstanden, en verwijderingen groter worden. Heb ik het zo ver mis, dat een intensief gesprek in kleiner verband beter resultaat zou opgeleverd hebben?

Wanneer ik - uiteraard afgaande op een kranteverslag - lees, hoe prof. Augustijn gevraagd werd: „Is Jezus met hetzelfde lichaam opgestaan", en hoe hij met een duidelijk “nee" antwoordde, waarop dr. Arntzen zei: „Wèl met hetzelfde lichaam, want Hij toonde de littekenen", dan staan hier nee tegenover ja, onovertuigbaar. „Hoe durft hij", riep iemand. Onoverbrugbaar? Als prof. Augustijn daarna verduidelijkt, dat Jezus niet met hetzelfde lichaam, dat aan onze dood-situatie onderworpen was, maar met een verheerlijkt lichaam is opgestaan, dan vraag ik me af: praat men langs elkaar? Moet je op die pertinente vraag niet ja èn nee zeggen?

Hetzelfde lichaam van deze historische Jezus, en toch niet hetzelfde, omdat Zijn lichaam verheerlijkt was. Of bedoelt Augustijn wat anders? Uit het verslag bleek mij dat niet.

Wat te doen? Je zou als grootvader willen zeggen naar beide kanten: Jongens, gebruik je verstand en ken je verantwoordelijkheid.

Laat ik het minder gemoedelijk zeggen: Onderken het gevaar van massasamenkomsten. Onderken het gevaar van het (noodzakelijke) theologische experiment. Blijf elkander in gesprek èn gebed vasthouden.

Het is makkelijk te erkennen, dat er grote problemen zijn, en je kunt ze laten liggen. Het as moeilijker voor theologen, die geroepen worden zulke vraagstukken op te nemen en te zien of er oplossingen zijn. Prof. Polman moet bij zijn afscheidscollege er op gewezen hebben, dat theologen in de vuurlinie staan. Zal het thuisfront waken èn bidden?

De kerkgeschiedenis leert ons, dat we makkelijker brokstukken 'kunnen maken dan de brokken weer bij elkaar brengen. Achteraf krijgt men schuldbelijdenissen in de zin - van: „we hadden in de geest der liefde elkaar veel meer moeten vasthouden. De hartstochten laadden zo hoog dat men wederzijds alleen maar karikaturen zag. “Ik zou niet graag zien, dat we weer na enkele jaren zulke „achteraf"belijdenissen kregen, omdat voorkomen beter - is dan genezen.

Maar dit vraagt van alle partijen naast eerlijkheid ook een uiterste zelftucht en zelfverloochening.

Er is ook nog zoiets als kerkelijk beleid (iets anders dan diplomatieke oneerlijkheid) en pastorale verantwoordelijkheid

Het moet toch kunnen bij de almacht van Gods Geest, wanneer allen voor het gezag van Gods Woord willen buigen.

Wij kunnen dit bewogen appèl elkaar vast te houden ten volle verstaan. Maar we menen dat zij die verontrust zijn over de gang van zaken, ook daarover verontrust zijn dat een bepaalde stroming al het mogelijke 'doet om de gemeente te overtuigen van het gelijk van hun opvattingen. Alsof deze opvattingen vaststaand zouden zijn. Hier is, veel in het geding. Hoe zit het met de verhouding van kerk, kerkelijke prediking en theologie? En hoe functioneert in dit alles - het verstaan van de Schrift - de belijdenis der kerk?

We hebben de indruk dat er meer op het spel staat dan alleen de tegenstelling: conservatief-progressief. Niet dat ds. Overduin de strijd in dit vlak trekt, maar dikwijls worden in allerlei kerkelijke discussies deze etiketten gebruikt. Ten diepste draait alles om de vraag: Wat betekent de belijdenis van de Heilige Schrift als Gods Woord. Hoe is de verhouding van openbaring en Heilige Schrift. Daarover gaan m.i. de wegen uiteen. En voor de ontwikkeling van de Geref. gezindte - met opzet neem ik het nu wat breder - zal het goed zijn als we hierover met elkaar in gesprek blijven. Opdat er de nodige klaarheid moge komen.

En opdat de gemeente gebouwd moge worden op het eenmaal gelegde fundament van apostelen en profeten. Dat moet toch onze diepste zorg zijn: De opbouw van de gemeente, haar geestelijke groei.

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's