„ZIE, IK KOM.....”
„Uw knecht zal heengaan, en hij zal met deze Filistijn strijden." 1 Sam. 17 : 32b.
„En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël..." Deze profetie van Micha wijst naar kribbe en stal, maar vindt op haar beurt ook weer voorafschaduwingen in de geschiedenis van de openbaring Gods. Zo óók in Davids geschiedenissen. Hier is adventsstof bij uitnemendheid!
Voor de zoveelste maal is de strijd tegen de aartsvijanden van Israël, de Filistijnen, weer ontbrand. Saul roept zijn mannen te wapen. David, aan Sauls hof geweest om door zijn harpspel Sauls geest tot rust te brengen, is weer terug in Bethlehem om de schapen van Isaï te weiden. Nu heeft Saul „helden" nodig en kan het met „jongelingen", die niet geoefend zijn in de krijg, niet doen. Neen, niet David, maar Eliab en Abinadab en Samma, de „krachtfiguren", gaan te wapen.
Zó moet David, de gezalfde, lijdzaamheid leren, en geduld en ootmoed. Opmerkelijk, er staat in vers 14 van ons teksthoofdstuk nóg eens wat reeds eerder vermeld was: „En David was de kleinste." Overbodige herhaling? Neen, beslist niet, maar wat hij was, moest hij ook grondig leren te zijn!
De HEERE zal hem echter te voorschijn halen, als Zijn tijd daar is. En dat is, als de tijd van de goddelozen vol is en Israël met alle mogelijkheden aan het eind is.
De beide legers van Israël en van de Filistijnen staan in het dal van Socho, gen 25 km westelijk van Bethlehem, tegenover elkaar, zonder dat het tot een treffen komt. Alléén Goliath, de Filistijn in zijn machtigste en meest schrikwekkende afmetingen, durft zich te wagen in het niemandsland tussen de legers. Hij daagt Israël uit tot de tweekamp, daarbij op gruwelijke wijze de levende God honend, veertig dagen lang.
Veertig - tijdperk van rijpwording voor het oordeel Gods over al Zijn vijanden en voor de redding Zijner verdrukten.
Veertig jaren - tijd van het vol worden van de zonden der Kanaänieten en van de openbaring van wat ook Israël in zichzelf is, - een murmurerend volk, opdat Gods genade zou schitteren in, Zijn daden.
Veertig dagen - tijd van Jona's oordeelsprediking over Ninevé en van openbaring van Gods genademacht, want... „zij bekeerden zich in zak en as”.
Zo ook hier, in het dal van Socho. Veertig dagen hoont deze onbesneden Filistijn de slagorden van de levende God, en Israël... siddert. Maar dan is de maat vol! De HEERE zal opstaan tot de strijd. Hoe trots Zijn vijand wezen moog', hij zal voor Zijn ontzagg'lijk oog al sidderende vluchten.
Echter ... wie zal het oordeel over de vijand voltrekken? Van wie zal de verlossing komen? Van Israël, van Saul? Hoort: „Doch alle mannen in Israël, als zij die man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer." Alle man in Israël.. . óók Saul, óók Eliab en Abinadab en Samma, de krachtfiguren. Neen, niet Israël, zoals dat daar staat, treedt in het strijdperk, niet Israël beschikt heil. 't Is de Heere der heren! Hij heeft Zijn gezalfde gered: David!
Gezonden naar het strijdtoneel om zijn broers te bezoeken, vlamt heilige verontwaardiging in hem op over het honen van de levende God door Goliath én over het dulden daarvan door Israël. Hij stelt zich beschikbaar, ondanks de smaad en toorn van zijn eigen broer. David, de jongeling, „zonder gedaante of heerlijkheid", hij biedt zich aan: „Uw knecht zal heengaan en hij zal met deze Filistijn strijden."
Hier spreekt, in David, de Gezalfde, Christus Jezus! Hij zegt: „Zie, Ik kom ..." Hij vindt, meer dan David, alles en ieder tegen, maar Hij heeft lust om Gods welbehagen te doen en Hij treedt in het strijdperk.
Daarin ligt de belofte der overwinning voor Israël, voor de Kerk: de grote Davidszoon, de Leeuw uit Juda's stam, komende om de strijd te aanvaarden, die niemand aandurfde noch aankon!
En nu. Hij is gekomen. Hij hééft de strijd aangebonden en Hij heeft overwonnen. Wij weten van Bethlehem en Golgotha, van het geopende graf en de geopende hemel, waarin de Koning der ere binnenging. En dan toch nog advent? Ja, en wel om twee redenen. Om onszelf te onderzoeken of wij nu ook waarlijk uit die heilsfeiten leerden leven, én opdat we, getroost door Christus' komst, met verlangen zouden uitzien naar Zijn komst in volle heerlijkheid.
De strijd van de Filistijnen tegen Israël, het is een fase in de strijd, die al o zo oud is en tegelijk ook zeer recent, want ze woedt nóg. En ze kan nog zo bitter fel en hevig zijn, dat het schijnt dat de overwinning ligt aan de kant van de oude tegenstander, de satan. En toch . . . het beslissende keerpunt is gekomen. Kwam het niet juist in Bethlehem in die beslissende fase en werd de overwinning niet behaald op Golgotha en bezegeld in de hof van Jozef van Arimathea? Ja zeker, daar is de vijand de kop vermorzeld!
Maar... waarom dan nóg die strijd, nu nóg, in mijn leven? En de strijd van de Kerk tegen een wereld, die haast oppermachtig schijnt?
Mag ik u eerst een tegenvraag stellen? Hoe zit het met die strijd van u, aan welke kant van het front staat u? Ja, dat zullen we toch goed moeten weten.
U weet misschien nog wel, jaren nadat Japan gecapituleerd had in de tweede wereldoorlog werden er in de door Japan oorspronkelijk bezette gebieden nóg guerillabenden aangetroffen, die niet geloven wilden, dat de capitulatie een feit was geworden en nog altijd verbeten doorvochten. Zij wilden er niet aan, dat zij streden voor... een verloren zaak!
Zo kunnen ook wij een verbeten
Strijd voeren, hoewel we leven temidden van een bevrijd volk. Het is tot de volledige overgave nog niet gekomen. Maar weet, dat u dam toch strijdt voor een verloren zaak! Zó doorgaande vecht u zich dood, zoals vele van die Japanse guerilla's deden! Het Woord roept u toe, dat het Kerstkind, dat door lijden en sterven heen ook de Vorst van Pasen is geworden, de Overwinnaar in de strijd is. Ja, en dat Hij nog altijd bezig is de buit der overwinning uit te delen aan ... een wederhorig kroost. Hij heeft de Geest verworven en uitgezonden om opstandelingen tot capitulatie te brengen, Zodat ze de wapens, ja zidizdf met huid en haar moeten uitleveren. Steek de witte vlag der overgave maar uit. U hebt te doen met Hem, Die heet Sterke God, maar ook Vredevorst!
Ja, zegt iemand, dat heb ik ervaren. Als het aan mij gelegen had, zou ik mij inderdaad doodgevochten hebben. Ik had het nooit opgegeven, ware het niet, dat ik gevangen genomen en ontwapend werd. Toen heb ik ervaren, dat Hij de Vredevorst is, want Hij schonk mij ... het leven!
En nu kent ook het bevrijde volk nog strijd. De achtergebleven vijanden bestoken juist te feller en kunnen het nog benauwend moeilijk maken. Maar .. . het zijn de overblijfselen van de strijd, die moeten dienen om te meer op de Overwinnaar te zien en te doen uitzien naar de volkomen overwinning.
Israël sidderde voor Goliath, maar... David kwam en hij, die niet geacht werd, brak het bruut geweld van de geweldenaar. Advent... Jezus Christus komt, als een Kind in de kribbe, zonder gedaante of heerlijkheid, maar:
Hij komt, Hij komt om d' aard' te richten. De, wereld in gerechtigheid Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten. Wordt in rechtmatigheid geleid.
Krimpen aan den IJssel J. H. Vlijm
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's