OP DE GRENS!
„Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen de HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor u te bidden; maar ik zal u de goede en rechte weg leren.” 1 Sam. 12: 23.
Het volk Israel passeert hier in 1 Sam. 12 een grens. Het tijdperk der richteren wordt afgesloten, dat der koningen begint. Bij een grensoverschrijding past een terugblik én een blik vooruit. Samuel geeft aan de gedachten van het volk leiding in het terugzien en in het vooruitzien. Hij wijst op Gods grote daden in het verleiden en op Israels gedurige ontrouw. Hij maakt de balans op en . . . alle recht ligt aan 's Heeren kant, alle onrecht aan die van het volk.
De Heere werkte middellijk, door de dienst van Zijn knechten. Eerst door Mozes en Aaron, later door Jerubbaal, en Bedan, en Jeftha, en Samuel. Welnu dan, kan het volk één feit aanwijzen, één geval noemen, waarin Samuel in die middellijke dienst des Heeren iemands os of ezel genomen heeft, of iemand verongelijkt of onderdrukt heeft, of van iemand een geschenk genomen heeft, dat hij zijn ogen van hem zou verborgen hebben, d.i. dat hij zijn ogen gesloten zou hebben Voor enig onrecht? De HEERE Zelf is Getuige dat Hij, ook door de dienst van Zijn knechten, recht is geweest in al Zijn weg en werk.
Wij, op de tijdgrens van oud- en nieuwjaar de blik terugwerpend, kunnen niet anders betuigen ten aanzien van de HEERE en van onszelf. Hij was getrouw tegenover al ónze ontrouw. Hij deed geen onrecht, óók niet, als Hij ons in diepe wegen leidde. Hij heeft het niet één keer doen ontbreken aan de bediening van Zijn Woord. Hij heeft ons nooit iets ontnomen, waarop Hij geen recht had. Maar wij . . .? Ach, hebben wij Hem altijd de eer gegeven, die Hem toekwam? Zijn wij voor Hem geweest, die we moesten zijn, in ootmoed, in schuldbelijdenis, in vertrouwen, in dankbaarheid? Neen, wij hebben Hem verdacht gemaakt, alsof óns woord méér waard was en méér vastheid bood dan Zijn Woord. We hebben Zijn waarheid verduisterd door onze „ja-maar's". Wij dwaalden allen als schapen en keerden ons een iegelijk naar onze weg. Wij vergaten de HEERE, omdat wij onszelf niet vergeten konden noch wilden, onszelf niet wilden loslaten. Dat is de balans van het verleden . . . een schrikbarend hoge schuldenpost!
En nu kunt u in „uw boeken" gaan zitten knoeien, de cijfers wat flatteren en camoufleren - u maakt het er alleen maar erger mee. Er is maar één weg: uw faillissement aanvragen bij de hemelse Rechtbank, opdat de hemelse Curator uw zaak in handen neme. „Maar dat is een schande!", zegt u. Dat is het ook, maar . . . ten onrechte? Wie méént rijk en verrijkt te zijn en geensdings gebrek te hebben, waar hij in werkelijkheid ellendig, jammerlijk, arm en blind en naakt is, bedriegt zichzelf en blokkeert de weg om van de trouwe en waarachtige Getuige, de hemelse Curator, te kopen (om niet!) goud, beproefd komende uit het vuur, opdat hij rijk moge worden in Hem. Dit is de weg! De weg, niet van ,,gereformeerde beginselen" zonder smaak of geur, maar van een ge-re-formeerd hart, waarin die beginselen vlees en bloed worden en gestalte krijgen. De weg van een levend geloof!
Wie dáárom verlegen werd, behoeft niet verlegen te blijven staan, want de Werker van het geloof, Die ook is de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs, is voorhanden in het Vleesgeworden Woord, Christus Jezus, Wiens Geest in alle waarheid leidt. En met Hem kunnen we óók de weg verder.
Met Hem . . . ja, maar dan ook in alles met Hem! Het volk Israel heeft een koning begeerd. Daarachter lag ten diepste de gedachte, dat God met het publieke leven, met wat wij dan noemen het „gewone", alledaagse leven, niet te maken heeft. God is voor het geestelijk leven, daarbuiten maken wij het zélf uit. Een gedachte die bepaald nog niet uitgestorven is! Het is in feite de HEERE onttronen. Want wie Hem de zeggenschap ontzegt over een deel van zijn leven, onderwerpt Hem aan eigen vermetele hoogmoed, stelt God, de hoge en heilige God, onder een nietig schepsel.
Maar al heeft de HEERE, Die dwars door onze zonden heen Zijn Raad uitwerkt, het volk een koning gegeven, Israël is met zijn koning niet van de HEERE af, het blijft Hem onderworpen. Hij toont, óók op het terrein van het z.g. „natuurlijke" leven, alles te zeggen te hebben. Op Samuels gebed doet Hij het donderen en regenen in een tijd, dat dit nooit voorkomt, de tijd van de tarweoogst.
Dit vervult het volk met vrees en diep ontzag. Men gevoelt, dat de HEERE Zich niet laat terugdringen in een stukje van ons leven. En het besef van eigen nietigheid tegenover de God des hemels en der aarde brengt allen niet slechts tot het verzoek om Samuels voorbede, maar ook tot erkentenis van hun schuld.
In die weg komt de HEERE nu met Zijn „Vreest niet". Wat gebeurd is, was zondig, maar het kwaad was (nog) niet onherstelbaar. Als Israël maar de Heere dient en volgt. Hem van ganser harte gehoorzaamt.
Het is niet óm die schuldbelijdenis en die gehoorzaamheid, - trouwens, wie komt daar toe uit eigen overleggingen en strevingen? -, noch uit slappe toegeeflijkheid, dat de HEERE Zijn wraak inhoudt, maar Hij doet het om Zijns Zelfs wil; de eer van Zijn Naam gedoogt niet, dat Hij Zijn volk verstoot, waaraan Hij Zich geheel vrijwillig en uit genade verbonden had. In deze liefde van de HEERE voor Zijn eigen eer en in Zijn vrij welbehagen ligt dus voor het verootmoedigde Israel de waarborg, de enige grond en pleitgrond, dat Hij het niet zal verdelgen. Hij is de Onveranderlijke, Wiens Naam is HEERE.
Een andere pleitgrond kan er voor óns ook niet zijn in het jaar, dat voor ons ligt. Wat van óns is, valt om, heeft geen bestand, waarin we het ook zoeken; maar het woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. Dat lere de HEERE ons bij ervaring, door Zijn Geest, in de weg van het geloof. En dat zal gedurig nodig zijn.
Samuel betuigt, dat hij niet zal ophouden voor Israel te bidden. Hij bleef priester en profeet. Maar Samuel zingt nu al vele eeuwen in het koor van de verloste Kerk het nieuwe lied voor Hem, Die op de troon zit, en het Lam.
Maar Christus Jezus, „omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap. Waarom Hij ook volkomen kan zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden". Hij wil als onze hoogste Profeet en Leraar, onze enige Hogepriester en onze eeuwige Koning ook dit jaar nog met en voor ons bezig zijn, al is het van onze kant een gedurige miskenning. Maar . . . Hij wil dat ook dagelijks van harte beleden hebben.
„Maar indien gij voortaan kwaad doet (Hem blijft verwerpen), zo zult gij omkomen!" zegt Hij tot Israel en . . . tot ons!
K. a.d. IJ. J.H. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's