De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

13 minuten leestijd

Hoofdstuk 5 — Artikel 12.Doch zoverre is het vandaar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware gelovigen hovaardig en vleselijk zorgeloos zou maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in alle strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige beoefening van dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt.

Tegen de leer der volharding worden grote bezwaren ingebracht. Vooral zijn die er - meende men - wanneer de gelovigen weten, dat zij zullen volharden. Dat - zo zegt men - moet de gelovige hoogmoedig maken en vleselijk zorgeloos.
De remonstranten meenden hier ook héél sterk te staan, door het argument van de zorgeloosheid naar voren te brengen. Zij leren, volgens de Verw. d. Dwal. V, 6: „Dat de leer van de zekerheid der volharding en der zaligheid, uit haar eigen aard en natuur, een oorkussen des vleses is, en voor de Godvruchtigheid, goede zeden en andere heilige oefeningen schadelijk, maar dat het daarentegen profijtelijk is te twijfelen.
De Dordtse synode heeft deze aantijging verworpen met de betuiging dat zij dwalen, omdat zij de kracht des Goddelijke genade en de werking des inwonenden Heiligen Geestes niet kennen. De genade Gods leidt niet tot zorgeloosheid, maar juist tot zorg, die zich o.a. uit in vurige gebeden, zo lezen we in artikel 12 van ons hoofdstuk.
Vurige gebeden zijn het omgekeerde van zorgeloosheid. Als de verzoeking op de gelovige afkomt strekt hij zich niet uit op het bed van zorgeloosheid, maar werpt hij zich op de knieën van het energierijk gebed, waarin hij met God worstelt. Hoe kon Rebekka ooit een zoon ontvangen en baren? Hoe kan Manasse uit de gevangenis? Het was bij de mensen onmogelijk. Maar God doet wonderen niet om, doch op het gebed en liet zich door beide verbidden. Zo is ook de volharding, hoewel ongetwijfeld een gave Gods, niet minder een verhoring op het gebed. Volharden gaat voor de mens echt niet vanzelf. De gelovige is tot hinken en tot zinken altijd weer gereed. Ieder kind des Heeren kan in grote zonden vallen, voordat hij er erg in heeft. Daarom komt tot ons de vermaning: „Bidt zonder ophouden.”
Een gebed zonder eind, waardoor de arbeid schade leidt? Omgekeerd: en gebed dat de arbeid bevordert. Het christelijk leven is een bidden ten allen tijde (Ef. 6: 18), een niet ophouden te bidden (Col. 1: 9), een volharden in het gebed (Rom. 12: 12). Die vurige gebeden der gelovigen zijn niet alleen. Als de Kerk bloeit, wordt de volharding in het gebed, welke volharding samenhangt met de volharding in het geloof, omringd door de voorbede der gehele gemeente. De volharding der heiligen hangt met gebed en voorbede ten nauwste samen en is zonder deze gebeden niet te denken. Paulus vermaant zo dikwijls tot voorbede. Hij buigt ook zelf zijn knieën tot de Vader van Jezus Christus, opdat Hij aan de gemeente geve naar de rijkdom Zijner heerlijkheid versterkt te worden met kracht door de H. Geest (Ef. 3: 16v.).
De volharding der heiligen heeft nog een machtige gebedssteun. Ik bedoel de voorbede van Christus. De volharding der heiligen is ook voor Hem niet een oorkussen des vleses. Van Hem vraagt de apostel in Rom. 8: „Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus, Die ook voor ons bidt?" Tegen dat gebed kan geen enkele verschrikking van heden of toekomst op. Tenslotte wordt niet zozeer op aarde over onze zaligheid beslist. Een voorbeeld daarvan lezen we in Ex. 17. De wisseling in de strijd tussen Israel en Amelek hing niet af van de dapperheid der wederzijdse strijdkrachten. De beslissing viel elders. „En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste, maar wanneer hij zijn hand nederliet, zo was Amelek de sterkste.”
Het gebed van de berg is van grote betekenis in de Schrift. De volharding der heiligen is van zware arbeid en niet van oorkussens omgeven. Johannes troost de gemeente met zijn woord: „Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige." De Hebreënbrief spreekt niet minder over deze Voorspraak in vs. 7. „Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden”.
De volharding is dus niet een eigenschap van het wedergeboren hart op zichzelf, zij is niet een automatisch werkend evenwichtsorgaan. Het blijven bij God vereist zelfs nog meer dan onze gebeden n.l. de voorspraak van Christus. En nu zijn wij er nog niet. Op het gebed van de Heiland wordt ons de Heilige Geest gegeven. Vanwege de zwakheid van de kinderen Gods, die de belofte der volharding hebben, is ook het gebed des Geestes noodzakelijk. Hieruit blijkt, dat elke belijdenis van de volharding machteloos is tegenover de telkens weer aanvallende macht der verzoeking, als zij niet is als een psalm uit de diepte. De waarborg van de volharding is gelegen in het woord van Christus: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt" (Joh. 17: 24).
Omdat de Heere Jezus dit wil, staat er ook: En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid" (Joh. 14: 16). Onder het werk van de Geest Gods behoort ook het vurig gebed: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden te hulp; wamt wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen" (Rom 8: 26). De gelovigen zijn dus maar zwak, ook in hun gebed. Daarom slaan zij zichzelf niet op de borst vanwege hun godsdienstige onbuigzaamheid en zelfgenoegzaamheid. Gods volk woont in de diepte, waar de mens van een verbrijzelde en nederige geest thuis is. Uit de diepte roepen zij tot God voor zichzelf en voor hun broeders en zusters, in de hemel pleit Christus voor het aangezicht des Vaders en in hun hart bidt de Heilige Geest met Zijn diep verborgen redenen, die Hij voor de Vader uitzucht ten behoeve van de zaligheid van Gods Kerk.
In de weg der vurige gebeden zijn de gelovigen „meer-dan-overwinnaars”.

Standvastigheid.
Het wonderbare en de kenners van de oorlog met Spanje zo zeer ontroerende Wilhelmus zegt: „Standvastig is gebleven Mijn hert in tegenspoed. Den Heer heb ik gebeden uit mijnes harten grond, dat Hij mij u zaak en rede uitvoere t' aller stond.”
Ons artikel spreekt van standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid. Welk kruis krijgen de gelovigen te dragen? Als Gods kinderen sterven - heb ik wel eens gelezen - zegt God: Nu kan Ik je verlossen van je zwaarste kruis n.l. dat je altijd weer moest zondigen." Het is wel mogelijk dat de verdorvenheid der kinderen Gods het zwaarste kruis is. En dan toch altijd maar weer van vorenafaan beginnen, zoals de profeet zegt: Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! Wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij een licht zijn" (Micha 7: 8). Wat is het kruis? vragen we nog een keer. De Heere Jezus spreekt er meer dan eens over, dat de discipel zijn kruis op zich moet nemen. „En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zeide Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op en volge Mij" (Mc. 8 : 34). Dit ziet zeker ook op de martelaarsdood, doch niet minder op het kruisigen van onze boze begeerten, zijn leven willen verliezen d.w.z. de verkeerde dingen, waar men z'n vreugde in vindt en voorts alles wat God van ons vraagt. Men kan ook zeggen: een zeggen tegen z'n eigen ik, zoals het rijmpje dat bedoelt: Hoe raak ik nog mijzelve kwijt, om Jezus voor een eeuwigheid, recht hartelijk te kiezen.
Het kruisdragen achter Jezus betekent: De lijdensweg gaan. Daar wordt dus gevraagd een standvastigheid in het gaan van een weg van lijden. Dat lijden is zeker ook bedoeld als een ondergaan van de bestrijding van de kant van de wereld. In 1 Petr. 2: 21 lezen we: Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zoudt navolgen." Hier wordt door Petrus gedoeld op het geduldig zijn in de verdrukking. De mensen mogen dreigen, wij dreigen niet terug. De vijanden mogen schelden, wij schelden niet terug. Een kind des Heeren is eigenlijk iemand, die het beschikkingsrecht over eigen leven en daden verloren is. Hij volgt God geduldig in alle wegen, die de Heere met hem gaat. Dan is er natuurlijk altijd weer de verzoeking. Toen Jezus hongerde, omdat de H. Geest hem in de Woestijn had gebracht, werd hij verzocht van de duivel om zijn eigen leven te regelen en brood te maken en roem te zoeken en macht buiten de weg en wil des Vaders om. Hier is de verzoeking der heiligen. De duivel is er nog. Het is wel zijn grootste stunt, dat hij de mannen en vrouwen van deze tijd heeft wijsgemaakt, dat hij er niet meer is, doch nu werkt hij te vrijer.
De volharding is een standvastigheid tegen de verzoeking in. Men ligt niet op een oorkussen des vleses, doch staat midden in de strijd. De valse profeten komen en de vijandschap der wereld breekt door en werpt sommigen in de gevangenis, doch het is beide uit de duivel. We lezen in Openb. 2: 10: Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt." Maakt de leer van de volharding zorgeloos? Neen, zij roept op tot strijd. Het is een aangevochten volharding. De duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zal verslinden.
Moeten we er dan alleen maar op vertrouwen, dat God wel zal zorgen? De Schrift kent geen fatalisme en geen valse lijdelijkheid. Petrus schrijft: Zijt nuchter en waakt, want uw tegenpartij, de duivel, gaat om . . ." (1 Petr. 5: 8). Nuchter zijn betekent: Niet beneveld zijn, maar de dingen zien, zoals ze zijn. Ook de duivel zien, zoals hij is n.l. als niet-almachtig. Wij moeten nooit gering denken over de macht van het kwaad. Jezus heeft Zijn volk uit de diepte leren roepen: ,,Verlos ons van de Boze." Doch hoe sterk het kwaad en de duivel ook wezen mag: God is almachtig. Daar kunnen oceanen van lijden en zeeën van verzoeking over het volk des Heeren heenkomen. Maar uit die alle redt hen God. Waarom is er zoveel kruis? Zou het voor God zo moeilijk zijn geweest de vervolging, waaraan het oudste Christendom zo lange tijd onderworpen was, reeds in de eerste eeuw te stoppen?
Het zou niet moeilijk zijn geweest, maar van die vervolging gold dat zij de kortste weg was naar de uitbreiding van de kerk. Juist van de vervolging en van de verdrukking en het kruis geldt, dat deze dingen medewerken ten goede. Ik zou willen denken, dat het kruis in de heiliging der gemeente er ook in haar toebrenging niet gemist kon worden. Er is zoveel kruis: er is lichamelijke zwakheid, beroving van goederen, van man, vrouw of kind, van hele lieve dingen en personen, er zijn zwarte, donkere plekken in ons leven, er zijn zwakheden en boze begeerten, er is overmacht van vijandige mensen, er is nog zoveel meer. Ik geloof, dat voor Gods uitverkorenen alle dingen medewerken, ten eerste om bij Christus te komen en ten tweede om bij Hem gehouden te worden.
Wat doet de beproeving van het goud voor nut? Is het alleen maar dat de goudsmid aan het licht brengt, dat het goud is? Neen toch? De beproeving zuivert ook het schuim uit. Zo moet ieder christenmens beproefd worden - dat doet het kruis - opdat het min-edele, dat in hem is, uitgezuiverd worde. God beproeft. God verzoekt niet. Maar wel kunnen de beproevingen door ons toedoen tot verzoekingen worden. De vervolging kan tot afval leiden, de verzoeking door Potifar's vrouw tot hoererij. Wat God als beproeving bedoelde, kunnen wij, kan ons boze hart tot een verzoeking maken. Maar dan kan ook voor de dag hoe het met ons staat. Daarom kan Jac. 1: 2 ons vermanen: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid (standvastigheid) werkt." God beproeft - de mens maakt er een verzoeking van, door de diepe begeerte die in de beproeving opleeft. Daarom zegt Jacobus 1: 13: Niemand als hij verzocht wordt zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt." Daar is veel lijden in het leven van een gelovige, waaruit de grote vijand aanleiding neemt om te vragen: Waar is nu uw God?" Daar zijn veel beproevingen die onze begeerlijkheid tot verzoekingen maakt. Maar Gods uitverkorenen komen er toch altijd als goud uit. Niet dat het schuim er niet is. Dat schuim wordt echter weggenomen en dan blijkt, dat het niet allemaal schuim is. Doch ook in dat geloof, dat God niet laat varen wat Zijn hand begon, ligt geen rustbed van zorgeloosheid.
De gelovige mag wel eens kruipen en wel eens kreunen, maar zijn kruis legt hij niet af, voordat God het van hem afneemt. En dan is er nog de standvastigheid in de belijdenis der waarheid. In vroegere tijden zijn er duizenden van het geloof afgevallen, die nimmer teruggekeerd zijn. Van hen zegt de apostel Johannes: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn, maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn" (1 Joh. 2: 19).
Vandaag aan de dag is er een ontrouw aan de belijdenis der waarheid bij velen te constateren. Van de Hervormde Kerk kan men zeggen dat de Reformatie daar voor een al te groot deel uit is en van de Geref. Kerken kan men zeggen, dat niet alleen de Afscheiding er zo goed als geheel uit is verdwenen, maar dat ook de Doleantie door velen wordt losgelaten. Men houdt dan in beide kerken de midden-orthodoxie met een grote vrijzinnige inslag over. Ik kan dit niet zien als een standvastigheid in de belijdenis der waarheid. Dit betreft de - laat ik zeggen - voorwerpelijke belijdenis. Er is voorts in nog veel meer kerken een missen van de - laat ik zeggen - onderwerpelijke belijdenis der waarheid die opkomt uit de wedergeboorte, uit het ingelijfd zijn door een waar geloof in Christus. Mede met het oog hierop, past ons het gebed: Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg" (Psalm 139: 23, 24).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's