Offerande en gehoorzaamheid
„ ... maar nu zal uw rijk niet bestaan". 1 Samuel 13 : 14 a.
De Heere bindt ons en ons leven in al zijn verbanden en uitingen altijd aan de rechte gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Daarom hebben wij gedurig het profetische Woord nodig, dat ons de weg der ongehoorzaamheid ontdekt, en die der gehoorzaamheid wijst en leert.
Als richter had Samuel afscheid genomen van Saul en het volk; als profeet en priester blééf hij. De profetische dienst was de eigenlijke dienst tussen de Heere en Israël. Israël moest het Woord des Heeren ontvangen en bewaren, en leven bij het Woord Gods. Hieraan hing het lot en het leven van Israël als volk; hieraan hing ook het lot van het koningschap in Israël.
De zonde is de breuk met God en met Zijn Woord; alle redding, alle behoud, is alleen gelegen in het waarachtig weer gebonden worden aan God en Zijn Woord. Alle eigendunkelijkheid en eigenwijsheid en eigenwilligheid is ongerechtigheid en brengt verderf. Gehoorzaamheid is het tegenovergestelde van „aan het rekenen slaan", van plus-en minpunten tegenover elkaar afwegen, van ons zogenaamde „gezonde verstand" de doorslag te laten geven. Gehoorzamen is restloos onze zaak in de hand des Heeren geven, óók en juist als onze zaak er slecht, er rondom onmogelijk voorstaat. Juist hier en dan komt het ware geloof openbaar als een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Ach, wij altijd met ons rekenen in de noden van ons persoonlijk leven en van het kerkelijk leven! Heere, leer mij naar Uw wil te handelen, neig mijn hart en voeg het saam tot de vrees van Uwe Naam.
Samuël, de profeet, had tot Saul gezegd: Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome en u bekend make, wat gij doen zult". (1 Samuel 10: 8).
En nu is het dan zover, Saul begint zijn koninklijke taak, om Israël te verlossen van de vijanden rondom, toe te spitsen op de strijd tegen de hoofdvijand, de Filistijnen. Hij legert zich met zijn mannen in Michmas. Jonathan valt met een legerafdeling de vijand aan te Gibea Benjamins.
Zo worden de Filistijnen uitgelokt en wordt Israël wakker geroepen om zich nu achter de banier van Saul te scharen. Gilgal zal daartoe de verzamelplaats zijn. Daar wordt het volk samengeroepen en wordt koning en volk nu op de proef gesteld, naar Samuels woord. De vijand staat, tot de tanden toe bewapend, klaar om Israels uitdaging op te nemen. Israël echter . . . een blote geitenkudde. Een handjevol mensen in vergelijking met de vijand, zonder macht of kracht, zonder wapenen en strijdwagens. Ach, wat moeten zij beginnen tegen die overmachtige vijand! En bovendien, zij moeten wachten, zeven dagen wachten. Wachten op de komst van Samuel, die zal offeren en aanroepen de HEERE, Die beloofd heeft: Ik zal met u zijn.
Wachten . . . wat is dat bitter zwaar. Wachten . . . en dat in grote nood. Wachtend . . . als een weerloze prooi van de vijand, maar ook van eigen overleggingen. O zeker, er is een wachten, dat tóch niet ten prooi valt aan deze vijanden. Hoor: „Uit de diepten roep ik tot U, o Heere. Zo Gij HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan wachters op de morgen, de wachters op de morgen . . .”
Kent u dat wachten? Dan weet u, dat zó het vlees niet wacht. Het vlees is vol ongeduld. Het vlees slaat aan het rekenen en gaat wikken en wegen. En het heeft een ijverig bondgenoot, een rekenmeester, die het o zo goed weet af te wegen. Hij onderschat waarlijk de macht van de vijand niet. Hij is „eerlijk" en ziet de dingen „nuchter" onder ogen. Hij weet óók de zwakheid en onmogelijkheid aan ónze kant duidelijk voor ogen te stellen. En hij adviseert: gebruik toch je gezonde verstand! Het is toch dwaasheid, in deze omstandigheden te wachten. Elk uur dat je wacht, wordt je toestand hachelijker, onhoudbaarder. Waar is God, op Wie gij bouwdet en aan Wie g' uw zaak toevertrouwdet? Neem zélf de maatregelen, die geboden zijn en stel je in veiligheid! Zo spreekt die bondgenoot van het vlees, die rekenmeester, wiens naam is „leugenaar en vader der leugenen”.
Maar was dat dan leugen, wat hij zei? Niet, wat onze onmogelijkheden betreft, maar wèl, wat God gezegd heeft: „De HEERE zal Zijn volk niet verlaten om Zijns groten Naams wil, dewijl het de HEERE beliefd heeft ulieden tot een volk te maken". „Vreest slechts de HEERE en dient Hem trouwelijk met uw ganse hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft”.
Wie echter naar de satan zijn oren laat hangen, zal (en wil) bedrogen zijn. Daarom vond toen, bij Gilgal, en vindt nu, die aartsleugenaar gehoor. Velen zetten het op een lopen, tot over de Jordaan, tot in het land Gad en Gilead toe.
Saul ziet zijn leger zienderoog slinken en de duizendtallen worden honderdtallen.
Wachten . . . het duurt zo lang! Zo bitter lang, als de nood steeds hoger klimt. Zeven dagen wachten blijkt voor velen, óók voor Saul zélf, te lang! Als Samuël niet op komt dagen, gaat hij zelf offeren. Als het niet lukt allen door allen door angst uiteen te drijven, wordt de duivel vroom en godsdienstig. Saul, man, je moet de Heere immers meekrijgen in de strijd! Dat hangt toch niet aan een mens, zelfs niet al heet die mens Samuël en is hij priester en profeet. Als deze verstek laat gaan, neem dan de zaak zélf in handen en offer, om God gunstig te stemmen!
En . . . Saul geeft de duivel gelijk. Tenslotte, hoe het gebeurt is niet belangrijk, als het maar gebeurt. Als de Heere maar „tevreden gesteld" is. Puur heidendom in Sauls, - en niet alléén in zijn - hart. Ongehoorzaamheid als vrucht van ongeloof.
Het profetische Woord legt de wortels van ons zondebestaan wel bloot. Saul maakt de dienst des Heeren dienstbaar aan zijn koningschap, in plaats van zijn koningschap dienstbaar te maken aan de dienst des Heeren. En, wie zich aan het Woord stoot, stoot zich te pletter. „Zo zij niet spreken (of handelen of luisteren!) naar het Woord, het zal zijn dat zij geen dageraad hebben". Het Woord vraagt gehoorzaamheid in alle delen en onvoorwaardelijk. En het zal blijken, toen zowel als nu, als wij ons „koninkrijk" stellen boven het Koninkrijk Gods, als wij niet gewillig leren bukken onder het Woord des Heeren, dan worden we door het oordeel van dat Woord dodelijk getroffen. „De HEERE zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid, maar nu zal uw rijk niet bestaan; de HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat de HEERE u geboden had”.
De weg des Heeren is nauw. 't Is een weg van strijd en lijden. Een weg, waarin het zo donker kan zijn. Een weg soms zonder uitweg, naar het schijnt. Toch zal de HEERE alleen in die weg voorzien. Neen, onze ziel stote zich niet aan het Woord des Heeren. De struikelende verootmoedige zich en zie op Hem, Die Zich een man gezocht heeft naar Zijn hart en hem heeft geboden een voorganger te zijn over Zijn volk . . . David, de man naar Gods hart, uit wie zal voortkomen de Voorganger over Zijn volk, Davids grote Zoon. In Hem is de troost van het Woord des Heeren en zal de uitkomst des Heeren eenmaal in heerlijkheid genoten worden. Want eeuwig bloeit de gloriekroon op 't hoofd van Davids grote Zoon.
K. a.d. IJ. J. H. V
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's