JEZUS IS ZOEK
„En zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem op het feest van Pascha. En toen Hij twaalf jaar oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van de feestdag; en de dagen aldaar voleindigd hadden toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem en Jozef en Zijn moeder wisten het niet. Maar menende, dat Hij in het gezelschap op de weg was, gingen zij een dagreis en zochten Hem onder de magen en onder de hekenden. En als zij Hem niet vonden, keerden zij weder naar Jeruzalem, Hem zoekende”. Lukas 2: 41-45.
Er valt weinig te vertellen over de jeugd van de Heere Jezus, wanneer we ons tenminste houden aan de gegevens van het evangelie. U weet, dat de verbeelding zich van de jeugd meester maakt; het Kind werd daarin een wonderkind, dat uit klei vogels vormde, die echt konden vliegen, en dergelijke dingen meer. Het bericht van het Evangelie is sober; Hij neemt toe in wijsheid en genade. Hij wordt groter, net als ieder ander kind.
Gaandeweg neemt Hij deel aan het godsdienstig leven van Zijn volk. Hij kende als klein kind al gedeelten van de wet en de profeten uit het hoofd en later mocht Hij met Zijn ouders mee naar Jeruzalem. Pas bij het dertiende jaar was dat verplicht, maar velen namen hun kinderen eerder mee. Dat is met Jezus ook het geval: twaalf jaar oud maakt Hij de tocht naar de heilige stad. Jozef en Maria waren nauwgezette Joden. Zij verzuimden het grote feest niet, en vierden het bij voorkeur in Jeruzalem.
Het opgaan naar stad en tempel, en dat nog wel met Pasen was een blijde gebeurtenis. Dat zal het ook voor Jezus geweest zijn. Het is de stad, het huis van Zijn Vader. Zijn verlossende daden worden er dankbaar en vrolijk herdacht. Dit Kind doet daar van harte aan mee. Jezus vroeg niet: zal Ik maar thuis blijven. Ik vind niets aan het feest. Integendeel, Hij lééfde er in. Hij gaf ogen en oren goed de kost. Hij zocht het te verstaan en te verwerken. Hij hoorde spreken van Gods bevrijding. Hij kon er niet genoeg van horen. Hij was tegenwoordig, wanneer de lammeren geslacht werden; wat was dat toch met dat bloed? Er werd gezongen en uit volle borst zong Hij de liederen van de optocht en van het Pascha mee. De Geest der wijsheid liet Hem de samenhangen zien, tussen de schaduw en haar vervulling. Hij is de vervulling. Hij is het Lam Gods, het lied roemt Hem, en het feest roept Hem, door Wien de Heere Zijn volk uit het diensthuis van zonde en dood zal leiden. Zo neemt Hij toe in wijsheid.
Dat doorgronden wij niet, daar dringen we dus niet te ver in door. Wij willen Hem veeleer bewonderen, die als Kind reeds met heel Zijn hart de Heere diende. De jeugd laat het afweten, lezen wij soms. Nu, de Heere Jezus liet het niet afweten. Hij was aanwezig. Hij was er helemaal in. Hoe deden wij toen wij jong waren? Gingen we graag naar de kerk? Hadden we aandacht voor Gods Woord, dat daar werd verkondigd? Deden we mee, aan de dienst, in lied en gebed. Of was het een sleur; het moest van thuis, en eerlijk gezegd we zaten er ons gruwelijk te vervelen!
Ouders, die dit leest, neemt een voorbeeld aan Jozef en Maria, neemt uw kinderen mee. Sleept ze niet mee, als moesten ze naar een foltering, het is immers een feest! Och, wij kunnen het de kinderen ook zo moeilijk maken, omdat de vreugde bij ons ontbreekt. Omdat het niet aantrekkelijk werkt: Ga met ons! En kinderen denkt eens aan de Heere Jezus. Wij hebben Hem nodig, waar wij tekort schoten. Dat is niet goed te maken met de verontschuldiging: ik was nog maar een kind, of ik ben jong en wat wilt u dan? Wij zijn reeds jong tot de dienst des Heeren geroepen, en wij doen Hem tekort, als we verstek laten gaan. 't Kan ons tot schuld worden; zoveel goede tijd, ging verloren, door nalatigheid, slordigheid, traagheid, oneerbiedigheid. Wij hebben Hem nodig, zei ik, om onze schuld voor God te bedekken, ook de zonden van onze jeugd. Zijn gerechtigheid strekt zich over heel ons leven uit. Hij doet alles over, ook onze jeugd, en Hij doet het volmaakt.
Wanneer Zijn ouders reeds zijn teruggekeerd, is Hij nog in de stad. Vermoedelijk zijn ze er niet de hele week gebleven, maar met vele anderen, reeds na enkele dagen huiswaarts gegaan. Hun Kind kon dat weten, en zij denken het te vinden op de eerste rustplaats, waar de pelgrims zich verzamelen, om vandaar verder te trekken. Maar het Kind Jezus is in het heiligdom gebleven. Hij wil de hele week meemaken, het duurt Hem niet te lang. Soms ziet men moeders hun kinderen wegtrekken van een etalage; het kind wordt geboeid door wat daar ligt uitgestald en schoorvoetend maakt het zich los, kijkt nog eens om, gaat eindelijk met moeder mee. Zo is Jezus geboeid door de schoonheid van de dienst Gods. Hij moet blijven. Zijn ouders weten dat niet, en men mag hen dat euvel duiden, blijkens het antwoord dat Jezus hun straks zal geven.
Zij zijn Hem kwijt. Wie merkt dat het eerst? Maria denk ik. Zij doen ijverig navraag bij verwanten en vrienden, die met hen de terugweg aanvaard hebben. Heeft iemand onze Jezus gezien? Nee, niemand. Dan maken zij rechtsomkeerd, en zoeken tussen al de mensen, totdat ze weer in Jeruzalem zijn. Het Kind is zoek! Wat zullen ze moe geworden zijn, drie dagen reizen en zoeken; 's nachts sliepen ze nauwelijks, de onrust nam toe. Wat hebben ze zich beschuldigd; hadden we maar beter op Hem gelet, waren we maar niet weggegaan zonder Hem. Dat hun dat nu net moest overkomen, met Jezus, dat bijzondere Kind. God had het aan hun zorgen toevertrouwd, hoe konden ze hun zorgeloosheid verantwoorden? Zouden ze Hem ooit terugvinden, er kon van alles met Hem gebeurd zijn. Wat staan ze een angsten uit om het Kind. Ieder, die iets soortgelijks mee maakte kan er over meepraten. Het Kind is en blijft zoek.
Wij kunnen het ons allen voorstellen; ouders, die hun kind kwijt zijn vrezen het ergste. En dan dit Kind! Kunt u het zich indenken, wat het is Hem kwijt te zijn. De van God gegeven Zaligmaker. Hoe verblijden wij ons, als Hij bij ons is; dan, ineens zijn we Hem kwijt. Wat een gemis. Het was zo goed en nu vallen we van de eene ellende in de andere. Weg is de vrede, weg is de vreugde, weg is Jezus. Nu is het verloren. God nam het mij af. Hij heeft mij met Zijn genade verlaten. Jezus is zoek en ik kan Hem nergens vinden.
Dan komt het verwijt: had ik Hem maar vastgehouden. Waarom ging ik weg, zonder mij er van te vergewissen, dat Hij meeging? De schuld ligt bij mij. Ik verwaarloosde Zijn woord, ik was veel te druk met mijn eigen bezigheden, ik viel terug in de zonde, waaruit Hij mij had gered en nog duizend dingen meer. Het ging zo ongemerkt; eerst had ik er geen erg in, ik praatte met deze en gene. Toen keek ik om rnij heen: Hij was er niet.
De angst vliegt ons dan naar de keel; zou ik Hem wel ooit terugvinden. Zoeken maar. Hem zoeken, onderweg, bij hen die met ons gaan. Maar zij maken ons niets wijzer, zoeken, mijn lezer is terugkeren. Wanneer wij iets kwijt zijn, gaan we eerst in het wilde weg zoeken. Nadenken, zegt uw vrouw dan, waar ben je geweest, wanneer had je het nog? Wie Jezus mist, moet Hem niet zoeken, waar wij menen dat
Hij is, dat kost maar tijd. Wij moeten Hem zoeken, waar Hij nog bij ons was. Waar was dat ook weer? Wel, in Zijn Woord, in Zijn huis, in Zijn dienst. De angst maakt blind; de Heere leert zoeken, door Zijn Heilige Geest, die een Geest der genade en der gebeden is. Laat niets u ontmoedigen. Hij is zoek, maar Hij is niet dood. Ik weet niet waar Hij is, maar Hij is er wel. Het duurt drie dagen, Hij is voor ons als gestorven en begraven. Hij leeft echter en trekt allen die Hem zoeken, met de koorden van Zijn liefde.
L. K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's