De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De openbare belijdenis des geloofs

9 minuten leestijd

I.
De tijd is weer aangebroken, dat veel, meestal jonge mensen, zich voorbereiden voor „de openbare belijdenis des geloofs”.
Dat is een juistere naam dan de uitdrukking „lidmaat worden" of „zich laten aannemen”. Degenen, die belijdenis gaan doen, zijn in de regel reeds voordien lidmaten van de gemeente van Christus.
Ik herinner alleen maar aan de bekende zinsnede uit de eerste vraag in het oude Doopsformulier, waarin aan de ouders gevraagd wordt: of ge niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten Zijner gemeente behoren gedoopt te wezen. Onze vaderen waren van de realiteit van het genadeverbond in de lijn der geslachten zo doordrongen, dat zij de onmondige, zelfs nog niet gedoopte kinderen, aanmerkten als „in Christus geheiligd" en als „lidmaten van Zijn gemeente”. Dáárom werden die kinderen dan ook alleen gedoopt, omdat God Zijn verbond opricht met degenen, die Hem vrezen én hun zaad. En dat tot in vele geslachten.
Het grote feit van de "openbare belijdenis" is dit, dat dit onmondige en onwetende, zelfs onbewuste lid, nu belijdend lidmaat wordt.

Daar ligt heel veel tussen in. En daar ligt heel veel achter. Want het is geen kwestie van automatisch een gebruikelijke leeftijd bereiken. Bij de Doop is de ouders reeds op het hart gedrukt, dat zij hun kinderen bij het opwassen breder zullen onderwijzen. Zij beloven, dat zij daarbij ook van de hulp van anderen (school en kerk) zullen gebruik maken.
Dit is een zaak, die de Gereformeerde Reformatie altijd bijzonder serieus heeft genomen. Men weet hoe onkundig Rome zijn opgroeiende jeugd altijd heeft gehouden. Uit enkele minimale hoofdpunten kon men immers de grote hoofdzaken der geloofsinhoud als daarbij inbegrepen verstaan en alzo geloven wat de kerk geloofde.
Het is ook bekend, dat bij de Luthersen de zgn. confirmatie (bevestiging) na een veel kortere voorbereiding of veel jongere leeftijd plaats vindt. Gevolg daarvan is, dat het percentage Lutheranen, dat bekend staat als „confirmiert" nog altijd vrij hoog ligt. Maar het aantal van deze Lutherse lidmaten, dat geen enkel spoor van medeleven toont, is ontstellend groot.
Bij ons daarentegen is het zo, dat wij niet gaarne jonge mensen toelaten beneden de 18 jaar. Dat is de leeftijd, die ook in de kerkorde van onze Herv. Kerk als minimum leeftijd genoemd wordt, waarop de voorbereiding tot de openbare belijdenis des geloofs gewoonlijk aanvangt. (Ord. 9, artikel 4). In de regel zal de leeftijd, waarop men belijdenis doet, liggen tussen de 20 en 25 jaar, al heb ik wel belijdenis catechisanten gehad van meer dan zestig jaar en zelfs wel van meer dan zeventig.

Het gebied, waarover het onderwijs der kerk zich uitstrekt is breed en wijd. Het gaat niet alleen om het van buiten leren van enkele hoofdzaken. In uitzonderingsgevallen, waar het zwakbegaafde of zeer bejaarde mensen betreft, zal men misschien kunnen volstaan met de zgn. 3 g's; d.w.z. de geloofsbelijdenis = de 12 Artikelen, het gebed = Onze Vader, en het gebod = de 10 geboden. Maar in het algemeen behoort er na alle onderwijs van jongsaf aan door huisgezin, school en kerk een redelijke Bijbelkennis te zijn, liefst niet alleen van geschiedkundige gedeelten, maar ook van enkele hoofdtrekken van de Oud-Testamentische profetie en van het onderwijs des Heilige Geestes door de Brieven. Verder moet de jeugd vertrouwd geworden zijn met de belijdenis der kerk, waarbij de Heidelbergse Catechismus m.i. nog altijd vooraan moet staan, eventueel verkort tot het Kort Begrip van ds. Fankelius. En dan - ja, ik weet wel hoe tijdnood de vervulling van vele vrome wensen verhindert - , maar hoe nodig is ook een behandeling van enkele hoofdlijnen van de kerkgeschiedenis. Al was het alleen al om een bepaalde overtuiging te vormen, waarom die belijdenis nog altijd afgelegd wordt in de Ned. Herv. Kerk, met al de banden, verantwoordelijkheden en verplichtingen, die daardoor bewust aanvaard worden. Nodig is ook, dat in de voorbereidingstijd voor het doen van belijdenis ernstig aandacht geschonken wordt aan de practijk van het belijdend lidmaat zijn van de gemeente van Christus in de dagelijkse kerkelijke en maatschappelijke samenleving - een zaak, die in onze tijd bijzondere opmerkzaamheid vraagt.
Vanzelf kunnen al deze facetten van het onderricht niet volledig worden behandeld. Zelfs de meest Godvrezende hooggeleerden kennen slechts ten dele. Maar wel is zoveel inzicht nodig, dat men hoofdlijnen voor zich ziet, hoofdzaken van bijzaken weet te onderscheiden, zich in de grote vragen van kerk en wereld en van hun onderlinge verhoudingen kan oriënteren en begerig is gemaakt straks, als de belijdenis achter de rug is, meer te onderzoeken in de Schrift, in de belijdenis der kerk, in haar geschiedenis, zowel wat betreft de kerkgeschiedenis als wat de zendingsgeschiedenis aangaat. En niet het minst belangrijke is, dat dit alles telkens in verband gebracht wordt met datgene, wat ieder persoonlijk van node heeft om welgetroost te leven en eenmaal zalig te sterven.

Dat brengt ons, naast het onderricht, op een andere noodwendige zaak, die aan de Openbare Geloofsbelijdenis vooraf moet gaan. Het zou n.l. de schijn kunnen krijgen, dat belijdenis doen betekende, dat men nu tot zekere hoogte kennis had opgedaan van de belangrijkste bijbelse en kerkelijke zaken en daarover nu als „mondig" lidmaat kan meepraten. Dat zou een ernstig misverstand betekenen. Want wij moeten altijd weer naar de Schrift terug. En deze weet wel van Wetgeleerden en Schriftgeleerden. Maar zij worden ons bepaald niet ten voorbeeld gesteld. Hun sfeer is die van de hete hoofden en de koude harten.
Als wij nagaan, hoe in de Bijbel het woord ,,belijdenis" gebruikt wordt, dan blijkt, dat dit nergens gezien wordt als een koud verstandelijk weten en spreken van dingen van het Koninkrijk Gods. Overal klopt daarin het bloedwarme hart.
Als ik nog een keer naar het Doopsfomulier mag verwijzen, dan herinner ik er aan, dat in het dankgebed voor de gedoopte kinderen gevraagd wordt: „dat zij Uwe Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hun en ons allen bewezen hebt, mogen bekennen”.
Hierin wordt dus niet ontkend, maar integendeel met even zovele woorden uitgesproken, dat God Zijn Vaderlijke goedheid en barmhartigheid hun geschonken heeft. Dat zijn deugden van Gods hart, al worden ze menigmaal door o zo weinigen in de kerk opgemerkt en zelfs menigmaal onvoldoende gepredikt.
Maar, bij alle erkenning van de werkelijkheid en heerlijkheid van het verbond der genade, wisten onze Vaderen, dat toch ook de harten van deze in zonde ontvangen en geboren kinderen zouden moeten geopend worden voor die goddelijke goedheid en barmhartigheid. Dat sluit in, dat deze jonge harten overtuigd zouden moeten worden, dat er buiten die barmhartigheid Gods in Christus geen leven is, zó dat zij het Petrus nazeggen: „Here, tot Wien zouden wij heengaan. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens". Het is nodig dat hun natuurlijke neiging om 't vertrouwen op eigen wijsheid, eigen gerechtigheid en eigen kracht plaats maakt voor de oprechte begeerte om van die goedertierenheid en genade Gods alleen te leven. Het is niet zo, dat verstandelijke kennis van de heilswaarheden vanzelf heilbegerig zou maken. Het is gemakkelijker een tamelijke hoeveelheid kennis te vergaderen, dan om z'n hart over te geven aan dien enigen Heiland en Zaligmaker Jezus Christus, om door Hem onderwezen, verzoend en vernieuwd te worden.
Belijdenis doen is dan ook niet een instemmen met een reeks waarheden, die ons voorgehouden zijn, los van hun betrekking tot den levenden God en den Here Jezus Christus. Maar het is een openbare belijdenis des geloofs. Daarvan geldt het woord van Paulus uit Rom. 10 : 9, 10: dat men met de mond belijdt, maar dat men met het hart gelooft.
De waarheid van het Woord van God moet inderdaad werkelijkheid voor ons geworden zijn. Zonde en genade moeten geen begripmatige grootheden voor ons zijn maar realiteiten. Daarbij vergeten we niet, dat van een jong mens in de opgang van het leven niet de rijpheid van geestelijke kennis en ervaring verwacht mag worden, die bij een geoefend christen gevonden wordt. Men komt niet met één sprong in de hoogste klas van de leerschool der genade. Wie durft trouwens van zichzelf te zeggen, dat hij die bereikt heeft? Maar het komt er wel op aan, dat wij in de leerschool gekómen zijn. Het deelnemen aan die leerschool wordt gekenmerkt door de vraag:
„Heer, ai maak mij Uwe wegen
door Uw Woord en Geest bekend”.
Het voortgaan in die leerschool wordt bemoedigd, door de belofte:
Wie Hem need'rig valt te voet
Zal van Hem Zijn wegen leren.
Het gaat om het geboren worden van de overtuiging van eigen zonde en schuld; maar ook van de heerlijkheid en rijkdom van Gods genade. Daarmede hangt samen het groeiend bewustzijn van de ellende en verlorenheid van de wereld, waarin wij leven en van de verlossing, die God in Christus heeft teweeggebracht als het Licht der wereld, als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt; als Degene, Wiens Koninkrijk niet van deze wereld is en ook niet komt met uiterlijk vertoon, maar Wiens Koninkrijk een Koninkrijk is van alle eeuwen; Die de Opstanding en het leven is, de Grote Profeet, de enige Hogepriester en de eeuwige Koning.
Het is voor een gezonde ontwikkeling van geloofsleven van belang, dat het persoonlijke èn het wereldwijde van het verlossingswerk Gods in Christus niet van elkander worden losgemaakt. Nu het grote wereldgebeuren zich hoe langer hoe sterker aan ons opdringt door de berichtgeving van iedere dag, zal men de perspectieven, die de Schrift biedt in het werk Gods, dat de eeuwen omspant, niet kunnen missen.
Zo treffen we ook in de Schrift het geloof als een zeer persoonlijke zaak verbonden met de werken Gods, die betrekking hebben op heel het wereldgebeuren en de uitvoering van het raadsplan Gods. Zo is het in de Psalmen, in de vergezichten der profeten, in de woorden van de Here Jezus Christus Zelf, in de Handelingen der apostelen, in de Brieven en in de Openbaring van Johannes.
De Hervorming heeft de stoot gegeven tot de opstelling van verschillende grotere en kleinere Catechismussen. Maar zij legde er ook de nadruk op, dat degenen die men tot de belijdenis zal toelaten, mensen moeten zijn „die bekommerd zijn met de zaligheid hunner ziel" (Dordrecht 1618). Men zag ook het verband tussen openbare belijdenis des geloofs en het deelnemen aan het Heilig Avondmaal.
Het reeds genoemde Kort Begrip werd blijkens het opschrift, opgesteld tot onderwijzing dergenen, die zich eerst begeven tot het gebruik van des Heren Avondmaal.
Voor de openbare belijdenis behoren dus samen te gaan: a. Schriftuurlijke onderwijzing; b. geestelijke werkzaamheid, gewerkt door dien Geest, Die levend maakt en daartoe in alle waarheid leidt.
(wordt vervolgd)                                                                                            C. v.d. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's