De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

De actualiteit van de reformatie.
Graag wil ik ditmaal in deze rubriek uw aandacht vragen voor enkele gedeelten uit een artikel in het blad „In de rechte straat", het maandblad voor het getuigend gesprek met Rome (januari 1969). Het artikel is van de hand van de Apeldoornse hoogleraar, prof. dr. W. H. Velema en bevat de tekst van een toespraak, die door hem gehouden is voor de leden van de stichting op. 26 oktober 1968.
Velema schetst in dit artikel allereerst het geestelijk portret van onze tijd, om daarna positief in te gaan op de vraag: Wat betekent de Reformatie voor onze tijd?
Het eerste wat gezegd kan worden van onze tijd is z.i. een gevoel van onzekerheid. Twijfel schijnt beter te zijn dan een vaste overtuiging. Het is mode om te zeggen: „Wij weten het niet". Men moet inclusief denken, d.w.z. de ander er bij betrekken, vanuit de ander denken.
We zouden er aan toe willen voegen, dat hierin niet alleen tot uiting komt, hoezeer wij mensen de verschuivingen ondergaan op allerlei terrein, maar ook dat dit onzekerheidsgevoel een reactie is op een tijd, waarin men mogelijk wel eens wat al te vlot sprak van allerlei eeuwige beginselen.

Pleidool voor de dialoog.
Maar zeker is, dat onze tijd gekenmerkt wordt door een gevoel van onzekerheid, vaagheid ook. Grenzen vervagen. Ook de grenzen tussen christenen en niet-christenen. In de godsdienstgeschiedenis spreken we wel van syncretisme, d.w.z. vermenging van twee of meer godsdiensten, waarbij men er vanuitging, dat in elke godsdienst zich dezelfde godheid manifesteerde. Ik zou in aansluiting aan wat Velema schrijft willen zeggen: „Zien we ook in onze tijd niet een groeiend syncretisme?" Vanuit een verdoorgevoerde algemene verzoeningsgedachte is men bereid tot vergaande waardering van wat atheïsten, marxisten en aamhangers van andere religies poneren.
Velema wijst er in dit verband op, hoe men met voorliefde spreekt over de dialoog.
In verband met die vaagheid is de term dialoog zo gewild en zo populair. Waarom? Een ander moet niet worden uitgesloten. Waarom zou ik het alleen weten en waarom zou de ander zijn bijdrage ook niet kunnen leveren? Of die ander Christen is of een heel andere levensovertuiging heeft, doet er eigenlijk niet toe. Laten we samen om de tafel gaan zitten, laten we een gesprek voeren en laten we bij voorbaat alles van een vraagteken voorzien, dan zullen we zien wat er uitkomt. Na een paar uur discussiëren zullen we dan wel wat houvast hebben. Ja, u dacht het. Het houvast is de onzekerheid.
Dat, het samen doen en het samen spreken is in onze tijd stellig al niet alleen meer een kwestie van de Reformatie en de rooms-katholieke kerk. De verandering gaat zo ontzaglijk snel en de verschuiving zo gauw dat het ook al andere wereldgodsdiensten waar wij in Nederland mee te maken krijgen, gaat betreffen. In elk geval, de vaagheid wordt daardoor gemarkeerd, dat niemand moet worden uitgesloten, maar dat eigenlijk ieder erbij betrokken moet worden geacht, en dat van ieder ook even belangrijke, een even wezenlijke bijdrage kan worden verwacht. Alstublieft niet „exclusief" want dat is antiek. Alstublieft „inclusief", de ander erbij.

Algemene godsdienstigheid.
Met dit alles hangt samen, dat de inhoud van het christelijk geloof wat in de mist verdwijnt. Wat de gewone man soms zegt: We geloven toch allemaal in dezelfde God . . . keert in allerlei beschouwingen terug. De Apeldoornse hoogleraar meent, dat wij op weg zijn naar een „religie van de menselijkheid". Jezus is de ware mens, het type van wat menselijkheid moet zijn. En Hij is in veler beschouwingen niet meer dan voorbeeld om te komen tot menselijkheid.
Wij krijgen wel eens de indruk dat de mensen voelen dat er een geweldige storm op til is. Denk aan reizigers in de woestijn, door een zandstorm zullen ze overvallen worden. Wat gaan ze dan doen? Dan hurken ze bij elkaar en dan zoeken ze hun sterkte en hun kracht in elkaars aanwezigheid om samen het onheil zo mogelijk te overleven. Ik heb wel eens het gevoel dat de mensen van onze dagen iets dergelijks intuïtief aan voelen komen. De zandstorm is op til, het zwerk is donker gekleurd en wat doen we nu, waar bergen we ons? We bergen ons daar waar we de menselijkheid nog een klein beetje kunnen vasthouden, waar we nog iets van de menselijkheid kunnen bewaren en zo proberen we ons te verdedigen, te verzetten, ons af te weren tegenover het machinale van de mammoetcomputer en al datgene wat wij in onze tijd aan technische prestatie meemaken. De menselijkheid! En die menselijkheid wordt dan ingebouwd in de godsdienst. Het is heel merkwaardig - uit welk theologisch klimaat men de zaken bekijkt en van welke kant de boeken tot ons komen - dit alles is één doorgaande lijn. Hier vinden Amerikanen en Duitsers, hier vinden Nederlanders en Engelsen elkaar. Algemene religiositeit waarin de menselijkheid centraal staat en waarin het erom gaat dat we als mensen onszelf tenminste handhaven op deze wereld en onze menselijkheid tenminste weten te bewaren temidden van wat er verandert en wat er verschuift. Dat is, dacht ik, ook de achtergrond van de roep zoals we die deze zomer op allerlei kerkelijke vergaderingen in breder verband gehoord hebben, dat de kerk politiek moet spreken, dat de de kerk concreet moet spreken, dat is dat de kerk nog maar één manier heeft om de wereld te benaderen, nog maar één kanaal om invloed uit te oefenen en dat éne kanaal is: de mens. Daarover heeft de kerk een boodschap te sturen. Over de menselijke verhoudingen en over de onmenselijke verhoudingen, over al datgene dat de menselijkheid bedreigt en opbreekt.
Het is duidelijk dat op deze wijze de inhoud van het christelijk geloof op een ontstellende wijze verschraald wordt tot een religieus humanisme.

Crisis rondom het Woord Gods.
Daarom dreigt ook de Bijbel zijn centrale plaats te verliezen. Is de Bijbel nog het gezaghebbende Woord van God? Voorzover dit beleden wordt, wordt het met vele zekeringen omgeven. Velema schrijft hierover het volgende:
Ik dacht dat wij over deze crisis drie dingen kunnen zeggen. Het eerste is dit: het Woord wordt niet betrouwbaar geacht en daarom kan het niet zinvol zijn en dan is het ook niet meer bruikbaar. Dat zijn de drie punten, niet betrouwbaar, je kunt er niet van op aan, het is tenslotte een menselijk verhaal dat zich in niets van andere meunenboeken onderscheidt. Het is een menselijk verhaal dat op geen enkele wijze zich onderscheidt van weet ik wat voor boek. Het is de neerslag van een religieuse ervaring; het is de verwoording van een stuk gemeente-theologie van de eerste christenheid, dat is de Bijbel. In verband daarmee krijgt u direkt dat dan ook de zinvolheid van de Bijbel verdwijnt, als je er niet van op aan kunt, als je er toch van moet zeggen „Ik weet eigenlijk niet hoe het geweest is en wat de zin ervan is", wat voor zin heeft het dan nog om de Bijbel open te doen, wat voor zin heeft dan nog het proberen je houvast erin te vinden, om erin gefundeerd te worden. En zo wordt het als onbruikbaar aan de kant geschoven, wordt het weggedaan uit onze samenleving.
Merkwaardig is ook dat de nieuwere theologie van de Bijbel bijzonder weinig gebruik maakt. Er is daar geen uitleg van de Bijbel; een enkele keer nog eens het aanhalen van een of andere tekst, maar met de Bijbel wordt in de nieuwere theologie over het algemeen niet geworsteld, zou ik willen zeggen.
Deze storm vaart over Europa. Deze geestelijke situatie is het waarin wij leven. Onzekerheid, vaagheid, algemene religiositeit, geconcentreerd in een crisis rondom de Bijbel.

De betekenis van de Reformatie.
Tegen deze achtergrond schetst Velema de betekenis van het gebeuren uit de zestiende eeuw. Hij wijst erop hoezeer de Reformatoren de zekerheid van het heil beleden hdbben. Zij stonden met het getuigenis van Gods Woord in de wereld. „Wij geloven en belijden" spraken zij steeds weer. Dat was geen hoogmoed, maar juist een ootmoedig buigen voor het gezag van de levende God, Die Zich in Zijn Woord openbaarde.
Daarom heeft men ook grenzen getrokken. Men denke aan de Heid. Cathechismus, zondag 7 en zondag 31. Alleen zij worden behouden, die door een waar geloof Christus zijn ingeplant. De Reformatie heeft elke gedachte aan een algemene verzoening afgewezen. Dat was geen hoogmoedige kliekjesgeest. Maar men had de ernst van het Evangelie verstaan. Men wist dat het een zaak was van leven of dood.
De actualiteit van de Reformatie vandaag betekent ook dat we ernst moeten maken met 't aangrijpende bijbelwoord: Wie de Zoon niet heeft, die heeft het leven niet.

Reformatie en Heilige Schrift.
Het ging de hervormers om de verbondenheid met God in een levend geloof. Tegenover de religie der menselijkheid, zoals we die vandaag zien opkomen staat de dienst aan de levende God, de verheerlijking van Zijn Naam, en de gebondenheid aan Zijn Woord. Daarom heeft de Hervorming ook het „sola Scriptura" beleden: De Schrift alleen.
Als u de „Institutie" van Calvijn leest, kunt u die zo karakteriseren: Calvijn's Institutie is eigenlijk een doorlopende Bijbelverklaring. Calvijn is alleen maar bezig de Bijbel uit te leggen, dat doet hij natuurlijk in systematisch verband. Hij grijpt niet hier een tekst en daar een tekst, maar hij zoekt het materiaal bij elkaar. Calvijn is bezig de Bijbel uit te leggen, dat is zijn kracht dat hij de Bijbel liet spreken, dat de institutie, de onderwijzing in de christelijke leer maar niet geweest is een gedachtenspel, maar niet geweest is een theorie; maar eenvoudig een confrontatie van de lezer met het getuigenis van de Schrift. En waardoor komt dat? Omdat Calvijn en de zijnen - ook Luther - geweten hebben dat het Woord van God waarachtig en betrouwbaar is, dat je er op bouwen kunt, dat je er geen vraagteken achter hoeft te zetten, dat je het niet van de tafel hoeft laten te schuiven, dat je het niet zinloos hoeft te achten in weet ik wat voor geestelijk klimaat van die dagen of van onze dagen, maar dat het het Woord is van de Levende God, scherper dan enig tweesnijdend zwaard en dat het doorgaat tot verdelging van geest en van ziel, van merg en van gewrichten, en dat het een oordeler is van onze gedachten.
Dit is de kracht van de reformatie geweest dat ze daaruit geleefd hebben, dat ze daaruit konden spreken, begonnen te zingen, konden getuigen. „Wij geloven en belijden". Dat is geen hoogmoed geweest van Guido de Bres; trouwens hij heeft het met zijn bloed moeten belijden, met zijn leven moeten bezegelen, maar dat is het samenspreken geweest met het Woord van de Levende God, dat is het samenstemmen geweest met het getuigenis dat de Heilige Geest zelf aan de Kerk van de eeuwen heeft gegeven.

En verder?
Aan het slot van zijn toespraak gaat de Apeldoornse hoogleraar nader in op de vraag: Hoe moeten we met dit alles in onze tijd? Actualiteit is immers meer dan interessant-zijn. Het gaat er ook om, wat doet het vandaag! Beleven we onze verbondenheid met het voorgeslacht in een levend geloof, levend uit diezelfde genade?
U bent hier niet heen gekomen om de zaak nog eens een keer opgepoetst voor u te zien, om de dingen nog eens een keer uit de kast te laten halen en het dan nog eens te beschouwen en te zeggen, het was allemaal prachtig, maar het gaat erom dat wij die hier zijn, deze kracht van Gods genade, deze kracht van de reformatorische christenen kennen, mogen beleven en dat wij de God van de reformatie, ook de God van 1968 geloven te zijn en daarom Hem weten aan te roepen en daarom tot Hem weten te bidden. Dat is de actualiteit van de reformatie, dat de reformatie nog wat doet in de vaagheid, in de onzekerheid, in de crisis rondom het Woord, in de religiositeit met de mens in het centrum. Dat de reformatie nog wat doet en dat haar boodschap werkt, dat haar prediking gehoord wordt, dat wij die daarachter staan, even zovele getuigen mogen zijn van deze werkelijkheid. Ik weet wel, dat is allemaal niet vanzelfsprekend en er zijn andere sprekers op deze toogdag die de verschillende facetten zullen behandelen en belichten, die u daarbij ook wel zullen bepalen, die dat ook zullen laten voelen wat nodig is om dat te beleven en dat te kennen en hoe God dat geven wil. U zoudt dit kunnen zien als de grote confrontatie van onze tijd met de reformatie. Dan zou ik willen zeggen: Liever dit vast te houden en eventueel terzijde staan dan dit te laten schieten. Liever te spreken uit een vaste overtuiging en het Heilig Geloof dan in de vaagheid met anderen onder te gaan. Liever, als het moet, van geen betekenis geacht te worden, dan dit te laten schieten.
De bezinning op de actualiteit van de kerkhervorming mag geen teren op het verleden zijn, maar plaatst ons regelrecht voor onze roeping en taak in deze tijd. De roeping om het toevertrouwde pand te bewaren in een levend geloof, vaste hoop en vurige liefde. Die roeping is geen harde wet. Want onze God wil Zijn genade verheerlijken in het leven van zondaren. De roeping wordt gedragen door de belofte. „Hij die roept is getrouw, die het ook doen zal”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's