De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eén of meer bronnen? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eén of meer bronnen? (1)

6 minuten leestijd

Openingswoord, gehouden op de contio van de Hervormd Geref. Predikanten op woensdag 8 januari 1969 te Woudschoten.
Waarde Broeders,
Hartelijk welkom op deze contio, die geheel gewijd is aan de bespreking van het ambt. U zult de urgentie van het onderwerp niet ontkennen, gezien en gehoord de besprekingen, die daarover gaande zijn. Wij verheugen ons zeer, dat drie inleiders ons zullen dienen met hun voorlichting.
In dit openingswoord wil ik met u een ogenblik nadenken over de vraag inzake de verhouding van Schrift en traditie. Daarna over de vraag hoe dit allemaal vandaag functioneert.

Overleveren.
Wanneer wij eerst de aandacht vestigen op de verhouding van Schrift en traditie, dan hebben wij een zeer oude en tegelijk hoogst moderne vraag te pakken. In het tradere (overleveren) zit niet alleen het ongeschonden doorgeven van het Woord Gods aan de volgende geslachten, maar ook het verraden, het uitleveren. In dit tradere (overleveren) zijn wij dus met een hachelijke onderneming bezig.
Wat wordt er overgeleverd? Het Woord Gods. Zowel het gesproken als het geschreven Woord. Wij kunnen dus niets overleveren in de goede zin van het woord, tenzij wij eerst het Woord Gods hebben gehoord en ontvangen. Er valt niets te bewaren, wanneer God niet eerst en vooraf Zijn machtig Woord heeft gesproken. En daarmee is Hij van het begin der schepping tot nu toe bezig geweest. De kerk is altijd kerk onder het Woord geweest. Van meetaan heeft het Woord Gods boven en tegenover de dwalende en de verduisterde mens gestaan. Daarmee is de critische functie van de Schrift gegeven.
Of deze Schrift in de gestalte, zoals wij die kennen dan wel in haar wordings- en ontstaansvorm zich presenteert, maakt op dit punt geen verschil. God heeft voor iedere generatie zoveel gesproken en te boek laten stellen als hen nodig was om via het openbarend Woord de wegen van God te ontdekken voor hun tijd en voor hun situatie.
Dat wil niet zeggen, dat, wanneer God met een volgende of volgende generaties verder gaat, Hij het verleden als afgedaan en als niet terzake doende aan de kant zet. Integendeel. Al het voorgaande gaat mee.
De thora (wet) wordt door de profeten uitdrukkelijk gehandhaafd. Er is wel een voortgang, maar het in het verleden gesproken Woord gaat mee en houdt hetzelfde gezag. De profeten roepen op tot de Wet en de getuigenis en het nieuwe verbond is de vervulling van het oude verbond. Jezus staat geheel op de bodem van de Schrift, zoals zij toen voorhanden was, de apostelen bouwen voort en geven uitleg aan de geheel enige verschijning van de Heere Jezus.

Genoegzaamheid.
Maar in welke fase dat Woord ook gesproken en geschreven is, zij die het hoorden en lazen hadden er genoeg aan. Dat wordt wel eens genoemd de genoegzaamheid van de Schrift. Deze genoegzaamheid van de Schrift kunnen wij vanmorgen misschien het best vertalen met: aan God en aan Zijn gesproken en geschreven woord genoeg hebben.
Natuurlijk mogen wij in het gelovig denken over de Schrift haar ook vandaag de eigenschap toekennen van de genoegzaamheid. Als wij dan maar niet vergeten, dat deze genoegzaamheid onmiddellijk hangt aan het: aan God genoeg hebben. Daarmee is gezegd, dat de belijdenis van de genoegzaamheid van de Heilige Schrift ten diepste een geloofsbelijdenis van de eerste orde is. Het is een belijden, staande voor Gods aangezicht: Aan U heb ik genoeg! Daarmee is gegeven, dat wij allerminst genoeg hebben aan onszelf, aan de tegenwoordige en voorbijgaande gestalte van deze wereld, aan de uitingen (hoe verheven ook) van de menselijke geest, aan de prestaties van de techniek en van de cultuur.
Deze geloofsbelijdenis wordt dan ook alleen op het krachtenveld van het Woord Gods geleerd in de ontmoeting met de levende God. Het genoegzame van God hangt aan het gewicht van God. Dat gewicht van God is verpletterend voor ons zondig bestaan, voor een 'godsdienst', waarin God niet is, voor onze ratio, die verduisterd is door de zonde èn bevrijdend, wanneer ons het vrijsprekend oordeel bereikt in het aangezicht van Jezus Christus. Kortom de genoegzaamheid van de Schrift heeft alles te maken met de volheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In God mogen wij het Woord prijzen, ook in zijn genoegzaamheid.
Ook deze belijdenis blijkt soms met veel onwetendheid omwikkeld te zijn. Wanneer Filippus vraagt: Toon ons de Vader en het is ons genoeg, dan antwoordt de Heere Jezus: Ben Ik zo lange tijd bij u en hebt gij Mij niet gekend? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.
Anders is het met David in Psalm 23. Hij heeft aan God genoeg. Hem ontbreekt niets. Zijn beker vloeit over. In Hebr. 13 : 5 worden wij vermaand vergenoegd te zijn met het tegenwoordige, want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten.
Het staat er zelfs met een dubbele ontkenning. Dan belijden wij met Asaf: Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de rotssteen van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid (Ps. 73 : 25, 26).
Dit genoeg hebben aan komt loodrecht bij God vandaan en drijft tot de worsteling in het jagen naar de vrede, de heiliging enz. In deze worsteling is veel lijden en kwelling, maar de belofte luidt: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht!
Hieruit blijkt, dat God niet alleen de oorsprong, maar ook de begeleider van Zijn Woord is. Hij is er wakker over. Daarom gebeuren er onderweg grote dingen. Dat is zeker het geval binnen de wanden van het geschreven Woord (de grote daden Gods), maar ook in de loop der eeuwen. Het evangelie is en blijft een kracht Gods tot zaligheid. Als zodanig brengt het op zijn tocht door de eeuwen en geslachten allerlei ontploffingen teweeg, waardoor belemmeringen worden weggenomen. Tegelijk is het een zuurdesem, dat allerlei samenlevingsverbanden doortrekt.
Deze tocht van het Woord Gods mag ons in verbazing en verrukking brengen. Deze verwondering moge ons bijblijven in het nadenken over de verhouding van de Schrift en de traditie.
Katwijk aan Zee                                                                                          G. Boer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Eén of meer bronnen? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's