De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Hoewel een rubriek als deze er zich niet toe leent voortzettingen van discussies op te nemen, ook al om eenzijdigheid in de onderwerpen te voorkomen, willen we toch ditmaal aansluiten bij de persschouw in het vorige nummer. We gaven toen gedeelten uit een artikel van ds. E. H. Nagel, gereformeerd predikant in Amsterdam, en het commentaar erop van de kamper hoogleraar, prof. dr. H. N. Ridderbos.
In deze discussie kwam onder meer aan de orde de verhouding van het evangelie van het Koninkrijk van God en de politieke werkelijkheid, de vragen van de concretisering van de Bergrede, de verhouding van liefde en recht.
In het Geref. Weekblad (Kok, Kampen) van 7 februari wordt de discussie voortgezet.

Liever onrecht lijden dan onrecht doen.
Ds. Nagel haakt in op de uitlating van Ridderbos over de hoofdzorg van de politiek, ook t.a.v. Israël, te bewerken dat er een rechtsorde komt. Hij stelt de vraag: Moeten we, zolang als de rechtsorde afwezig is, toch als christenen niet steeds critisch staan tegen elke poging het recht in eigen hand te nemen? Slaat de afwezigheid van zo'n rechtsorde ons elke christelijke vermaning uit handen?
Maar zal die rechtsorde er ooit komen, gehandhaafd door alle partijen, ook door de communisten bijv.? Bij wie is de garantie van zo'n orde veilig? Is dat utopie? En dus dan maar de jungle, waarin (dan) ieder, die meent recht te hebben, dit maar zelf in eigen hand mag nemen?
President Nixon heeft gezegd, dat een volgend incident in het Midden Oosten wel eens tot gevolg kan hebben, dat de twee grote kernmachten met elkaar in botsing koimen.
Nu is er weer grote verontwaardiging in Israël over het lot van een aantal geëxecuteerde „spionnen" in Irak. Wat gaan ze doen, zolang er geen . . . enz.?
Ik geloof niet in vergelding, ook niet in de politiek. Vergelding, bewapeningswedloop leiden tot oorlog. En oorlog is zonder meer het einde. Het einde van de rechtsorde en mogelijk van alle menselijk leven op aarde. Volken, die voor hun bestaan vechten, zetten hun bestaan op het spel.
Men kan van Israël moeilijk vragen, zich christelijk op te stellen. De navolging van Christus heeft voor hen niets, wat „exciting" is. Ze hebben er genoeg van gezien en ondervonden, dat wil zeggen, ze hebben er te weinig van gezien.
Ik ben het met prof. Ridderbos van harte eens, dat wij nog verkeren in het „nog-nietstadium" van het koninkrijk.
Een vraag: meent prof. Ridderbos, dat dat anders zal worden in onze wereld, in ons leven? Ik meen zijn (ontkennend) antwoord te kennen.
Wil dat zeggen, dat we maar moeten door dokteren aan de gedroomde wereldrechtsorde en dat for the time being wie meent een rechtvaardige oorlog te moeten voeren, dat dan in de lieve vrede (!) maar moet doen? Dat is pas „jungle”.
Overigens: ik wil „het communisme" niet in bescherming nemen. Ik zou nooit communist kunnen zijn, uiteraard, mag ik zeggen. Maar ik ben er tegen, dat „de communistische wereld" altijd de grote en enige vijand moet zijn. Wie weet van de rol van Engeland i.z. Israël, van Amerika (wapenleveranties, zesde vloot, kapitaal) moet daar wel tegen zijn, dacht ik zo.
Tenslotte: ik weet geen christelijke oplossing voor de wereldproblemen. En ik denk, dat ik daarin tenminste niet alleen sta.
Ik weet wel, dat de Heer mij uitdrukkelijk gezegd heeft, liever onrecht te lijden dan het te doen. Misschien is dit wel goedkoop, zo neer geschreven. Maar ik houd er rekening mee, dat het ooit duur kan komen te staan. Als dit „dopers" is, het zij zo.
En als ooit of te immer een overheid mij vraagt een oorlog te steunen „ter bescherming van een zwakkere, die aangevallen wordt", dan moet ik bedenken, dat wij, historisch gezien, de „gieren van het Westen" altijd zijn geweest. Maar (zelfs) wij. kunnen toch wel een duif (alleen maar) uitlaten?
Terecht reageert prof. Ridderbos met de opmerking dat het gebod van Christus een onaantastbare zaak is, een ons altijd weer schuldig stellende zaak. Wij mogen de Bergrede niet maar naast ons neer leggen, als zou het voor het concrete leven geen boodschap zijn.

Liefde en recht.
Hoezeer prof. Ridderbos dankbaar is voor het getuigenis van hen, die ons in alle ernst de radicaliteit van het Evangelie voorhouden, toch meent hij dat het Evangelie van het Koninkrijk met zijn radicaal gebod van naastenliefde, liefde tot de vijand, het recht en de rechts-orde niet op het tweede plan plaatst. Wij mogen recht en liefde niet tegen elkaar uitspelen.
We zouden willen zeggen: Dat is een belangrijk gezichtspunt, wat telkens weer allerlei discussies raakt. In het gesprek over de verzoening b.v. zoals dat in de naoorlogse jaren in de herv. kerk gevoerd werd, dreigde ook steeds weer deze tegenstelling. Door liefde en recht tegen over elkaar te stellen, het recht te degraderen ten voordele van de liefde, kwam men er toe b.v. het Kruis alleen te verstaan als openbaring van Gods liefde, en wilde men niet weten van het spreken van de Catechismus, dat Gods toorn genoegdoening geschiedde.
Ridderbos wijst er in zijn antwoord aan Nagel op, dat ook de handhaving van het recht behoort tot de openbaring van het Koninkrijk van God.
Het koninkrijk is niet alleen daarom een rijk van vrede, omdat de liefde de haat overwint, maar ook omdat degenen, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid (de onrechten) daarin verzadigd zullen worden. Wie daarom ook reeds in deze wereld het koninkrijk zoekt en de „tekenen van het rijk" tracht op te richten, zal dit niet alleen daarin zoeken, dat hij tracht zijn vijanden lief te hebben en liever onrecht te lijden dan onrecht te doen, maar niet minder daarin, dat hij in de onderlinge verhoudingen van de mensen, in de publieke zaak, in de sociale kwestie, in het leven van de volkeren, het recht zal trachten op te richten en voor de rechtsorde zal strijden. En dat is, ik herhaal het, bovenal de taak van de politiek.
Ds. Nagel denkt daar blijkbaar niet veel van. Hij spreekt van utopie, van een gedroomde wereldrechtsorde en vraagt mij of, zolang deze er nog niet is, ieder dan maar het recht in eigen hand meent te moeten nemen, zijn eigen oorlogen te voeren etc. En omdat hij aan die rechtsorde blijkbaar niet gelooft grijpt hij naar de radicaliteit van de liefde. Hij is daarin, hoewel misschien duidelijker en geavanceerder dan anderen, de enige niet. Het treft mij telkens, met hoeveel scepsis tegenwoordig gesproken en geschreven wordt over de mogelijkheden van het recht en hoe men tegenover die (ongetwijfeld) onvolmaakte rechtsorde dan grijpt naar andere categorieën als liefde, verzoening, dienst enz. als de eigenlijke maatstaven, waarmee de samenleving gemeten moet worden. En dan worden alle katten natuurlijk even grauw, is het westen geen haar beter dan het communisme, de Nato even slecht als het Warschau-pact etc. Men denkt zo absoluut, dat men relatieve verschillen nauwelijks acht, ook al kan men dank zij die relatieve verschillen hier datgene zeggen en schrijven waarvoor men elders jaren lang in het gevang zou zitten. En aangezien journalisten nu eenmaal ook niet het niveau kunnen bewaren van eschatologische profeten, krijgen wij steeds meer te doen met een politiek moralisme, dat wel over alles en nog wat zedelijk de staf weet te breken, maar bijzonder weinig concrete oplossingen biedt op welke wijze de strijd voor een rechtmatiger samenleving politiek gestreden moet worden, anders dan in het voetje voor voetje vorderen op de weg van recht en van vrijheid.

Tegenover het pleidooi van Nagel wijst Ridderbos aan de hand van allerlei voorbeelden op de betekenis van de rechtsorde, die soms na veel moeite in de politiek ontstaan is. We mogen daar niet geringschattend over spreken. Dank zij de rechtsorde zijn dan toch maar vaak tegenstellingen overbrugd.
En juist de rechtsorde is er om de verkondiging van het Evangelie een kans en een plaats te geven. Al achten we het woord „kans" voor misverstand vatbaar, we zijn het met Ridderbos eens, dat we niet op doperse wijze het spreken over een rechtsorde, en de politieke pogingen daartoe een utopie, een wensdroom mogen achten, met een eenzijdig beroep op de liefde.
Zal het anders worden?
Ook gaat Ridderbos in op de vraag van ds. Nagel of hij meent, dat het eens anders zal worden in onze wereld. Ridderbos gelooft, dat er veel kan veranderen.
Ds. Nagel vraagt mij of ik meen, dat het nog eens anders zal worden in onze wereld, en in ons leven. Hij meent voor mij, die vraag bij voorbaat ontkennend te moeten beantwoorden. Ik weet niet waarin ik voor dit negatieve antwoord aanleiding heb gegeven. Ds. Nagel denkt absoluut en ziet blijkbaar in relatieve oplossingen geen heil (meer). Ik kan hem, politiek gesproken, in dit absolutisme niet volgen, maar dat verhindert mij niet te geloven, dat er in deze wereld nog ontzaglijk veel veranderen kan. Want ik geloof, dat God de wereld niet loslaat. Ik geloof, dat in deze wereld de kracht van de waarheid, van de gerechtigheid en van de liefde veel groter is dan men op grond van de jungle, die de mensen er altijd weer van maken, mogelijk zou moeten achten. En dat geloof ik op grond van het kruis van Jezus. Er is nog een beslissings-, een keuzesituatie voor mensen en voor de samenleving. Het is daarom ook nog mogelijk het zout der aarde en licht der wereld te zijn. Dat is niet bij utopieën en bij dromen leven. Dat is de grond en inhoud ook van een goed verstane Christelijke inspiratie voor de politiek. Iets anders is — en dat bedoelt ds. Nagel misschien — of ik geloof, dat wij in de weg van onze inspanning, hetzij in de politieke orde, hetzij in de meer persoonlijke verhoudingen het rijk van God zullen zien aanbreken. Anders gezegd: hoever zal het hier in deze wereld kunnen komen en welke is de verhouding van het rijk in deze wereld en het rijk dat komt? Is dat een vloeiende overgang?
Ik wil erkennen dit een ontzaglijk moeilijk probleem te vinden. In Uppsala is daarvan gezegd: „Ook al weten wij, dat wij niet in staat zullen zijn om tenslotte enige volmaakte menselijke orde op te bouwen in deze wereld, zijn wij er toch van overtuigd, dat ze aanmerkelijk verbeterd kan worden, terwijl wij wachten op de vernieuwing van alle dingen, die God zelf tot stand zal brengen”.
Inderdaad, een uiterst moeilijk probleem. Wat is het verband tussen ons opbouwend werk aan een betere samenleving, en Gods voltooiend werk. Dreigt niet steeds het gevaar dat dan toch gedacht wordt dat het Rijk komt door onze inspanning? En verzeilen we dan niet in een onbijbels activisme? We geven ter afsluiting nogmaals het woord aan Ridderbos. Hij besluit zijn artikel met te zeggen:
Als ik de Bijbel goed versta zullen wij in de geweldige worsteling van de twee rijken blijven opgenomen, totdat de Heer zegt: Het is genoeg. Onze taak is geen andere dan te arbeiden in en aan een onvolkomen wereld, zelf als onvolkomen mensen. Daarom is iedere anticipatie, hetzij in de zin van een geseculariseerd, uitsluitend horizontaal gericht, Christendom, hetzij in de zin van een dopers „bergrede"-christendom een miskennen van de situatie, waarin God ons plaatst. Het is niet willen leven bij het nog-onvervulbaar messiaans verlangen. Maar daarom is anderzijds een wereldvreemd, buiten-temporeel, a-politiek Christendom eveneens een miskenning van de heilshistorische situatie. Want het begraaft in de grond wat in de circulatie gebracht wil zijn: het talent van de Heer. Vergis ik mij, dat wij voor het heden meer gevaar lopen voor het eerste dan voor het tweede? En beweegt de discussie tussen ds. Nagel en mij zich in wezen niet op de rand (of in het hart!) van deze problematiek? Niet om elkaar in een hokje te willen duwen of een etiket op te willen plakken. Het is ver van mij dit althans aan ds. Nagel te willen doen. Maar zijn de verschillende reacties op allerlei vragen en gebeurtenissen van de dag, die zich telkens bij ons voordoen, niet een bewijs dat de achtergronden van ons denken over deze dingen, opklaring, bijbelse opklaring behoeven?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's