De openbare belijdenis des geloofs
IV.
Verband met de genade middelen.
Met opzet vat ik Woord en Sacrament samen met dit woord „genade middelen". Wanneer we nl. alleen zouden spreken over het verband tussen de geloofsbelijdenis en de Heilige Doop of het Heilig Avondmaal, dan zouden we gevaar lopen uit het oog te verliezen, dat het eerste en voornaamste genademiddel is en blijft: het Woord.
Er is maar één middel, waardoor de Heilige Geest het geloof in de harten van mensenkinderen werkt. En dat is het Woord. Het gaat om geestelijke zaken. Het gaat om dingen, die God ons te zeggen heeft tot onze verootmoediginig, en om ons te nodigen tot de rijkdom Zijner genade. Het geloof is uit het gehóór en het gehoor is door het Woord Gods (Rom. 10 : 17). Van de wedergeboorte is het Woord het zaad. In 1 Petr. 2 : 23 spreekt deze apostel zijn lezers aldus aan: gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwigblijvende Woord Gods". En Jacobus zegt (Jac. 1 : 18): naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het woord der waarheid.”
Veel van hetgeen in de voorafgaande artikelen gezegd is wijst al in deze richting. Ook onze ouden wezen er steeds op, „dat God ons als redelijke schepselen wil bearbeiden tot onze plicht." Daarom spreekt Hij ons aan, roept ons een „halt" toe, overtuigt ons van de diepte en heiligheid van Zijn gebod en in verband daarmede ook van de diepte der onheiligheid van ons hart. Hij laat het Woord op ons afkomen als Zijn Woord, waar Hij Zelf achter staat, opdat wij ons buigen onder het oordeel, dat Hij over ons velt. Dat Woord is als een tweesnijdend scherp zwaard, dat tot in ons binnenste doordringt en onze gedachten en overleggingen oordeelt, opdat wij beseffen, dat alle dingen naakt en geopend zijn voor de ogen van Hem, met Wien wij te doen hebben. (Hebr. 4 : 12, 13). Het is het Woord, dat ons de onreinheid onzer zielen aanwijst, opdat wij onszelven mishagen en ons voor God verootmoedigen. En omdat God dat in Zijn Wóórd zegt, daarom heeft Hij het water van de Doop er aan verbonden, om het ons te illustreren. En als het dan tot die verootmoediging komt, dan is dat niet een automatische vrucht van de verkondiging van het Woord. Want van nature onderwerpt zich ons vleselijk hart niet aan die Wet van God. Zelfs een sympathieke rijke jongeling gaat bedroefd heen, wanneer de Wet in al haar onverbiddelijkheid hem voorgehouden wordt. Het is het wondere, verborgen werk van de Heihge Geest, wanneer het ons gaat als bij de jonge koning Josia, wiens hart week werd, toen het wetboek hem voorgelezen werd.
Hetzelfde geldt daar, waar een mens, die iets leert verstaan van de tollenaarsbede: o God, wees mij zondaar genadig, het geluid mag horen van de goede boodschap, die Sion van af een hoge berg en met luider stem te verkondigen heeft. Dat er een Evangelie is, een blijde boodschap, die spreekt van verzoening van onze ongerechtigheid en van een arbeidsloon, dat niet door ons, maar door de Knecht des Heren aangebracht is, is een wonder. Het is de wonderlijkste boodschap, die in deze wereld ooit tot veroordeelde zondaren gebracht kan worden. Maar zij wórdt eerst recht een wonder, waar diezelfde Heilige Geest het hart opent voor het Woord des Koninkrijks. Anders is het zaad, dat gestrooid wordt wel goed zaad, maar het draagt geen vrucht, omdat het weggegrist of verstikt wordt of omdat het geen diepte van aarde vindt.
Het is daarom nodig, dat wij van jongsaf aan leren verstaan, dat het gepredikte Woord, waar het recht gebracht wordt, niet maar de prediking is van deze of gene dominee, maar dat God Zijn heilige en Zijn genadige wil laat bekend maken. In het formulier om de Dienaren van het Woord Gods te bevestigen, wordt de gemeente toegeroepen: en gijlieden, geliefde christenen, ontvangt deze uwen Dienaar in den Here met alle blijdschap, en houdt de zodanigen in waarde. Gedenkt, dat God Zelf u door hem aanspreekt en bidt (2 Cor. 5 : 20). Neemt dan het Woord aan, hetwelk Hij u, volgens de Schrift zal verkondigen, niet als der mensen woord, maar (gelijk het in waarheid is) als Gods Woord. Laat u liefelijk en aangenaam zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, die het goede boodschappen.”
En even verder wordt aan het rechte horen het uitzicht verbonden, dat gij „door Zijn Woord in Christus gelovende, door Christus beërven zult het eeuwige leven.”
Daaruit blijkt wat het grote doel is van de verkondiging des Woords, nl. Christus aan de gemeente voor te stellen en aan te prijzen als de enige weg des behouds en de enige grond des geloofs en om daartoe de mens te trekken.
Wat ligt hierin een ontzaglijke verantwoordelijkheid opgesloten voor hem, die het Woord heeft te brengen. En niet minder voor degenen, die onder deze verkondiging van het Evangelie mogen opgroeien. De prediking der bekering en de waarschuwing voor het verderf nemen daarin haar noodzakelijke plaats in, maar verbonden aan de wekstem tot geloof. Wetende de schrik des Heren beweegt Paulus de mensen tot het geloof (2 Cor. 5 : 11). De Wet wil een tuchtmeester zijn tot Christus, de boetgezant Johannes de Doper is de wegbereider des Heren, wiens komst trouwens is aangekondigd in het troostboek van Jesaja (Jesaja 40 : 3).
Tegelijk echter zullen wij doordrongen hebben te zijn van onze afhankelijkheid van die God, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn. Hetzelfde formulier, dat ik straks aanhaalde, besluit dan ook met gebed. Dat wordt ingeleid met de woorden: „doch aangezien niemand tot iets van al deze dingen van zichzelf bekwaam is zo laat ons God met dankzegging aldus bidden ...”
In het daarop volgende gebed wordt voor de Dienaar gebeden, dat God hem door Zijn Geest hoe langer hoe meer bekwame tot de dienst, waartoe God hem geroepen heeft. Maar ook wordt gevraagd: „wil ook aan dit volk en deze gemeente Uw genade verlenen". Datgene, waartoe die genade van node is, is niet alleen de behoorlijke aanvaarding van de Dienaar, maar ook: „ten einde zij, door Zijn Woord in Christus gelovende, het eeuwige leven deelachtig mogen worden.”
Hier wordt ons de weg des gebeds gewezen. Een gedurig noodzakelijk gebed door de Dienaar des Woords, dat ook door de jonge kerk niet verzuimd mag worden. Maar ook een gedurig noodzakelijk gebed om de genade des Heiligen Geestes.
Als onze Heidelberger in Zondag 25-31 gaat spreken over de genademiddelen is de eerste vraag: aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof? Het anwoord luidt: van de Heilige Geest Die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des heiligen Evangelies, en het sterkt door het gebruik der Sacramenten.
Bij dat „sterken" van het geloof had ik graag in de Catechismus gevonden, wat later ds. Faukelius van Middelburg in het Kort Begrip er ingevoegd heeft nl. dat het geloof ook in de eerste plaats gesterkt wordt door datzelfde gepredikte Woord.
In verband met de belijdenis des geloofs stel ik daarom niet voorop de vraag: wat doe ik met mijn Doop, of: wat doe ik straks met het Avondmaal, maar deze permanente vraag: wat doe ik met de talloze malen en de vele wijzen, waarop God mij laat vermanen en roepen? In het bijzonder stelt iedere Evangelieprediking mij voor de vraag: wat dunkt u van de Christus? Iedere keer vraagt Hij, als ook in deze tijd velen Hem de rug toekeren: wilt gij ook niet heengaan? En is dan door genade ook ons antwoord: Here, tot Wien zouden wij heengaan, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens? Telkens komen we voor de vraag te staan of Wet en Evangelie, zonde en genade, schuld en vergeving de dingen zijn, die we niet alleen uit de preek kennen, maar die ook dóór die prediking een beslissende plaats in ons leven gekregen hebben.
Ook in ons jonge leven stelt de Here ons voor de onderzoekende vraag: wat wilt gij, dat Ik u doen zal? Hebben wij Hem nodig gekregen? Begeren wij door Hem gediend te worden (Matth. 20 : 28). Of zijn we niet van Hem gediend? Zijn we er iets van gaan verstaan, dat Hij gekomen is om zondaren zalig te maken? Hier het woord „zondaren" onderstreept. Dat is meer dan een vage, oppervlakkige erkenning, dat er natuurlijk aan ons allen een heleboel ontbreekt en we allemaal wel eens wat verkeerds doen. Als God ons „zondaren" noemt, dan bedoelt Hij niet alleen sommige zonden, maar de zonde die de wortel van ons bestaan heeft aangetast, zodat wij, ondanks alle fatsoen en vriendelijkheid, toch „onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad". De overtuiging hiervan begint menigmaal met de beschamende ontdekking, dat er deze of gene zonde in ons leven is, één of andere drift of zucht, die wij maar niet de baas kunnen worden, om dan hoe langer hoe meer te leren inzien, dat niet alleen op dat éne terrein, maar dat op alle fronten ons leven in strijd is met dat, wat wij moesten zijn naar de wil Gods. En dat niet alleen door hetgeen wij misdeden, maar ook door hetgeen wij verzuimen te doen. De employé, die niets gedaan heeft wordt ontslagen, ofschoon hij misschien geen fraude pleegde, maar omdat hij niet volvoerde, wat hem opgedragen was. Wij moesten ons leven lang vervuld zijn van de liefde tot God boven alle mensen en dingen, en tot onze naaste, dichtbij en veraf als onszelven.
„Wie kan dan zalig worden?", zuchten de discipelen, na het heengaan van de rijke jongeling (Mattheus 19 : 25). Het antwoord des Heren is, dat wat bij de mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God.
Daar ligt eigenlijk het hele Evangelie in opgesloten. Het is een getrouw woord en het is alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, tot de voornaamsten er van toe. Het is een getrouw Woord. Want het is Zijn eigen Woord. Daarom kunnen we er op aan. Daarom vraagt het het vertrouwen van ons hart. Het heeft Gode behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die geloven (1 Cor. 1 : 21). Geen nut doet het woord der prediking, als het niet gemengd is en gepaard gaat met het geloof bij hen, die het horen (Hebr. 4:2). God houdt ons door Zijn Wet voor ogen, hoe boos ons hart is, hoe zwaar en menigmaal wij hebben misdreven, hoe afkerig onze natuur is, hoe onwetend en verduisterd ons verstand en hoe waard wij zijn om door God verworpen te worden. Maar het Evangelie plaatst daartegenover de rijkdom van Hem, Die een nieuw hart schenkt, al onze overtredingen uitdelgt. Die onze afkeringen geneest en geen lust heeft in ons verderf.
Het geloof van het hart, dat in de belijdenis met de mond uitgesproken wordt, is nu niet anders dan dat ons hart „amen" zegt op al wat God door Zijn Wet zegt tot onze verootmoediging; maar ook „amen" zegt op al wat God ons in het Evangelie beloofd heeft. Het geloof roept die beloften Gods een hartelijk welkom toe, zeggende: Here, doe gelijk Gij gesproken hebt." (2 Sam. 7 : 25). Al die beloften zijn in Christus ja en amen, terwijl Christus er ook de inhoud van is. „De belofte is de plaats, waarin de Here ligt" (Erskine).
Nu wil God geen andere dingen, maar dezelfde ons op een bijzondere wijze nabij brengen door de Sacramenten van Doop en Avondmaal.
(Wordt vervolgd) C. v.d. W.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's