De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De openbare belijdenis des geloofs

8 minuten leestijd

VI.
Wie mag dus tot het Heilig Avondmaal gaan? Het antwoord mag luiden: Wie zijn Doop heeft leren verstaan. Op goddelijk eenvoudige wijze heeft de Here in het simpele water van de Doop ons gezegd wie wij zijn en wat Hij naar Zijn Evangelie voor ons wil zijn. Hij heeft ons daardoor gezegd, dat Hij weet, dat wij kwade loten zijn van een kwade stam, mensen, die onbekwaam zijn tot enig waarachtig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad; mensen, die gewassen en gereinigd moeten worden van hun schuld en zonde. Maar dat heeft Hem niet weerhouden heel het Evangelie der verzoening en der vergeving, der vernieuwing en der bekering ons in die uiterst bondige vorm van het Doopwater te prediken en ons daarmede zelfs te betuigen, dat Hij ons tot een God en Vader wil zijn.
Nu komt het er op aan, dat wij in het opwassen hiervan breder onderwezen, iets daarvan hebben leren verstaan in de werkelijkheid van ons leven. De prediking op de zondag met de daaraan verbonden bediening van de Sacramenten en het leven in de week, de onderwijzing in het catechisatielokaal en de dagelijkse levenspraktijk zijn niet bestemd twee elkaar vreemde werelden te zijn. In de genademiddelen en in de onderwijzing in en naar het Woord hebben we met de levende God te maken, die tot Zijn discipelen gezegd heeft: „Wie u hoort, die hoort Mij".
Maar ook in al ons doen en laten, ons neerliggen en opstaan, in de gedachten van ons hart en in de woorden van onze mond hebben we met diezelfde levende God te maken. Hij is een Oordeler van de gedachten en overleggingen van ons hart. Eer er een woord op onze tong is, weet Hij er alles van. Hij is die God, Die leest wat er geschreven staat op de bodem van ons hart.
Wanneer Hij dit alles weegt in de weegschaal van het heiligdom en het doorlicht met het licht van Zijn heiligheid, wie zal dan bestaan? Dat wij kinderen des verbonds zijn maakt onze schuld niet lichter, maar zwaarder, zoals Israels zonde aan dit volk des te meer wordt toegerekend, naarmate het groter voorrechten ontvangen heeft.
De prediking zelf zal het dagelijks leven ook van de jonge leden der gemeente des Nieuwen Verbonds moeten stellen in het licht van Gods recht en majesteit. Maar diezelfde prediking zal diezelfde jongeren der gemeente moeten opwekken om met de belijdenis van al hun schuld en onreinheid de toevlucht te nemen tot Hem, Die ons in onze Doop al gezegd heeft, dat Hem al onze verkeerdheid van meet af aan bekend is, maar Die ons daarin tegelijk heeft bekend gemaakt, dat dit Hem niet verhindert ons een ontfermend en genadig God en Vader te willen zijn, ons aanziende in dien Christus, Dien Hij ons Zelf door Woord en Sacrament doet prediken.
Nu is de grote zonde in het leven der gemeente, dat wij dat wat God zegt en doet niet in volle ernst nemen; noch wat betreft onze eigen zonde, noch wat betreft de rijkdom van Zijn genade, die Hij ons overvloedig betuigt. En dat men dan toch wel belijdenis doet en misschien ook wel weer „ja" zegt op het verbond der genade bij de bediening van de Doop aan zijn kinderen, maar intussen toch zijn eigen leven blijft leven; niet ongodsdienstig, maar zonder ernst te maken met de dingen, die God ons concreet te zeggen heeft omtrent ónze zonde en Zijn genade. Bij het H. Avondmaal raakt men dan in de knoop en weet er niet goed raad mee. Met als gevolg, dat men óf aangaat zonder de rechte gestalte des harten en dus ook zonder er de rechte vrucht van te ontvangen, zelfs zo dat er een gevaarlijke verharding optreedt; óf dat men wegblijft, alsof dat ooit een bevredigend antwoord zou kunnen betekenen op de vraag hoe het gesteld is met onze verhouding tegenover God en zonder dat men zich rekenschap geeft van de vraag: van welk geloof heb ik dan eigenlijk belijdenis gedaan?
Was dat alleen maar een verstandelijk aanvaarden van Bijbelse feiten en waarheden, maar die verder evenmin invloed uitoefenen op ons hart en leven als de feiten uit een geschiedenis- of aardrijkskundeboek, die ons verder niet interesseren?
Of waren het alleen gevoelsindrukken, die onze religieuze emotie's levendig bewogen, zonder dat wij ontledigd werden van onze eigen wijsheid, gerechtigheid en inbeelding van eigen kracht?
Of was het alleen in een situatie van tijdelijke nood, dat wij Gods hulp inriepen en ervoeren, met even weinig blijvende band aan Christus als bij de negen van de tien melaatsen?
De ontdekking aan de wortel van onze kwaal is inderdaad Gods werk. Het is ook Zijn werk, als een jong mens waar wordt tegenover God en van harte gaat vragen om vergeving en om een nieuw hart. Het is het werk van Gods genade als ons oog het Licht der wereld aanschouwt en ons oor de woorden des eeuwigen levens als zodanig verstaat en wanneer wij een Zaligmaker nodig krijgen.
Alleen dit geloof moeten we nooit losmaken van de genademiddelen. Menigeen, die de waarde van levensmiddelen en van genademiddelen zo goed blijkt te begrijpen, hoewel ze alleen door de zegen Gods ons helpen, tobt in allerlei geestelijke duisternis omdat men de genade losdenkt van de middelen, waarvan God gebruik wil maken.

In welke kerk?
Belijdenis doen van het geloof is een daad, die niet opgaat in het uitspreken van een belijdend ja-woord in het midden der gemeente. Integendeel, we hebben gezien, dat in de Bijbel belijden en belijdenis doen zaken zijn, die onze binnenkamer raken, maar ook uitkomen in ons verkeer tussen de mensen, kerkelijke en onkerkelijke.
Maar al is dit zo - de openbare belijdenis des geloofs betekent tegelijk het bevestigd worden als mondig lid ener kerk. Van welke kerk worden we lid?
In welke kerk leggen we belijdenis af? Welke binding voor de toekomst brengt dat met zich mee?
Door welke factoren wordt de keuze bepaald?
Is dat een kwestie van opvoeding? Of wordt dat bepaald door verloving of huwelijk, of door de momentele situatie van de gemeente ter plaatse waar men woont?
Dat hier een keuze gedaan kan worden tussen een menigte van kerken is eigenlijk een wonderlijke zaak!
In onze belijdenis (12 artikelen) weten we maar van één kerk.
Onze Catechismus neemt die belijdenis over (Zondag 21) en zegt, dat het Christus is, Die Zelf van het begin der wereld tot aan het einde, de uitverkorenen ten eeuwigen leven, door Zijn Geest en Woord, Zich tot een gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt. Waarop dan nog het sterk persoonlijke volgt: en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.
Dat laatste is een zeer belangrijke zaak. Zo belangrijk, dat de verleiding opkomt alle andere vragen betreffende de kerk als onbelangrijk te laten rusten, en te zeggen: het zal ons eenmaal niet gevraagd worden van welke kerk we lid zijn geweest.
Nu geloof ik inderdaad, dat de gemeente dergenen, die zalig worden in allerlei „kerken" verspreid leeft.
Maar het mag ons toch niet ontgaan, dat dit een zeer vreemde toestand is: samen op weg onder één Leidsman, als schapen van één kudde onder één Herder, naar een zelfde toekomst - en dan zo gescheiden levend, dat men elkander zelfs in eenzelfde woonplaats nauwelijks kent of ontmoet, ja soms in allerlei kerkelijke strijd tegen elkaar verwikkeld is.
Het merkwaardige is, dat wij dit vrij normaal zijn gaan vinden, terwijl noch het Oude noch het Nieuwe Testament zulk een situatie kennen.
In Israël komt de gemeente samen rondom de tabernakel en de tent der samenkomst, rondom tempel en altaar. Zij viert de gemeenschappelijke feesten rondom één middelpunt.'
En in het Nieuwe Testament is het ondenkbaar, dat Paulus aan de gemeente te Filippi of te Corinthe schrijvende, of dat Johannes vanaf Patmos in opdracht van de verhoogde Christus zich richtende tot de zeven gemeenten in Klein-Azië, de adressering zouden voorzien van allerlei nadere bepalingen, bij welke gemeente zo'n brief wel en bij welke hij niet bezorgd moest worden.
Niet dat het toen alles goud was wat er blonk. Als we lezen, wat Johannes moet schrijven aan sommige gemeenten, verwonderen we ons er over, dat ze alle worden voorgesteld als gouden kandelaren. Wij zouden die van Laodicea maar van koper hebben genoemd en die van Sardes van blik.
Er blijken grote spanningen te zijn tussen de „enige weinige", die hun klederen niet bevlekt hebben en de grote meerderheid, waarvan ons een somber beeld gegeven wordt.
Maar toch draagt Christus nog de zeven sterren in Zijn rechterhand. De geschiedenis der kerk wordt voortdurend gekenmerkt door de spanning tussen haar innerlijk wezen en haar uitwendige openbaring. Maar die twee: wezen en openbaring hangen niet los aan elkaar als inhoud en verpakking (met het nodige vulsel).
Wie de Artikelen 27-29 van de Ned. Geloofsbelijdenis leest omtrent de kerk, ziet, dat de opsteller, Guido de Bray, voorop zet het éne wezenlijke hart der kerk. Zij is de vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Christus Jezus, gewassen zijnde door Zijn bloed en verzegeld door de Heilige Geest (Art. 27). Zij is de verzameling dergenen, die zalig worden (Art. 28). Het gaat daar dus wel echt om de ware kerk. Maar tegelijk spreekt deze belijdenis uit, dat deze kerk zich zodanig openbaart, dat ieder gelovige geroepen wordt zich daarbij te voegen.
(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's