De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De openbare belijdenis des geloofs

9 minuten leestijd

VII.
De kerk is, om een beeld van prof. Van Ruler te gebruiken, een koor, dat op aarde reeds Gods lof zingt. De enkele stem maakt deel uit van dat koor en wordt ook gedragen en gesterkt door het geheel van het koor. Maar anderzijds bestaat dat koor ook weer uit de enkele stemmen, die hun klanken tot één geheel samenvoegen.
Nu zou het ideaal zijn, wanneer die éne kerk van de oud-christelijke en van de reformatorische belijdenis zich ook als één geheel openbaarde in deze wereld. En ook dat tot die éne kerk alléén ware lidmaten van Christus behoorden.
Dat ideaal van zulk een volkomen zuivere kerk duikt telkens weer op in de geschiedenis. Montanisten, Novatianen en Donatisten, Katharen en Albigenzen enz. protesteren tegen de laksheid en de verwatering van de kerk. Zij gebruiken soms het woord „volmaakten" als alleen wettige leden van de kerk. Of zij willen althans een kerk van louter „wedergeborenen" stichten, zoals de Labadie en zijn volgelingen.
Maar dat is nooit gelukt. De Bijbel geeft daar ook geen enkele grond voor. De tekening van de Pinkstergemeente van Hand. 2—4 doet inderdaad denken aan zulk een eenheid van wezen en openbaring. De roeping der kerk is daarmede ook aangegeven. Maar Hand. 5 (Ananias en Saffira), Hand. 8 (Simon de tovenaar) en de brieven der apostelen laten ons al spoedig zien, dat de kerk leeft in een gemengde staat van kaf en koren, onkruid en tarwe, schapen en bokken, goede en kwade vissen, vruchtdragende en onvruchtbare ranken aan de ene wijnstok: Jezus Christus.
Soms gaan er stormen van vervolgingen over deze kerk en bij het wannen wordt veel kaf weggevaagd. Dan rijst de vraag: moet men degenen, die bezweken zijn in de verzoeking, later, na getoond berouw, weer opnemen. Ja, zeggen Cyprianus en Augustinus. Neen, zeggen Novatianen en Donatisten, die de kerk bovendien verwijten, dat zij rijp en groen opneemt en tolereert.
Die spanning tussen innerlijk wezen en openbaring naar buiten groeit, wanneer hoogtepunten gevolgd worden door massale uitbreiding der kerk. Als Constantijn de Grote een eind maakt aan de vervolgingen en tegelijk in Nicea (325) het Arianisme (de vrijzinnigheid van die tijd) veroordeelt wordt, heeft de kerk een bepaalde top bereikt. Maar haar positie als bevoorrechte kerk, die straks zelfs de wilde woelingen van de volksverhuizing overleeft, zodat vele Germaanse en andere volken in haar opgenomen en gekerstend worden, is niet louter voordeel. Wat is die kerstening vaak oppervlakkig! Hoe weinig zijn er christenen van Hand. 2! Naar ons oordeel zou de Hervorming niet in 1517 hebben moeten komen, maar reeds 1000 jaar vroeger. Maar zo is Gods weg niet.
Bij de Reformatie zien we een soortgelijke ontwikkeling. De Gereformeerde kerk (d.w.z. geen nieuwe kerk, maar dezelfde, echter her-vormd) gaat ook door een tijd van vervolgingen met brandstapels en schavotten heen en betoont daarin dat haar roeping en kracht van Boven zijn. Maar als prins Maurits in ons land de zijde gekozen heeft van de Contra-Remonstranten en in Dordrecht de Remonstranten veroordeeld zijn (1618/19), wordt de kerk heersende kerk en neemt de grote menigte van ons volk op. Daarna wordt de toestand, door verstarring van de theologie, verwereldlijking van het volksleven en vreemde wijsgerige invloeden zó, dat ernstige mannen van de Nadere Reformatie zich afvragen of de Hervorming wel voldoende aandacht gegeven heeft aan de verandering van hart en wandel.
Maar dezelfde Lodensteyn, wien het soms tegen de borst stuitte om het Avondmaal te bedienen aan mensen, die door leefwijze en kleding zulk een wereldse levensstijl vertoonden, zegt: „weglopen uit de kerk is geen juiste daad, want men heeft samen met mij en anderen het Huis in brand gestoken. Dan moet men het ook helpen blussen en het uit de voeg geraakte zoeken hersteld te krijgen".
Hetzelfde vinden we in Brakel's Redelijke godsdienst. Hij schrijft daarin een nog altijd zeer lezenswaardig hoofdstuk, met als opschrift: dat men zich bij de kerk moet voegen (denk aan Ned. Gel. Belijdenis art 28) en bij haar blijven (Deel I hoofdstuk 25). Welke kerk dat is, is voor a Brakel geen vraag. Wel zijn er ook in zijn tijd afscheidingen. Maar Brakel heeft daar nooit zegen op zien rusten. Afscheiding is voor hem „zonde; " als scheuring van het lichaam van Christus. Wel is de kerk op de ene plaats zuiverder dan op de andere. Maar de kerk der Hervorming is nog altijd de ware kerk, waarin God nog werkt door het Woord. Niet lichtvaardig zal men met de belofte, gedaan bij de Openbare belijdenis des geloofs mogen omgaan, evenmin als men terwille van de zonden van anderen zich aan de Avondmaalsgemeenschap zal mogen onttrekken. Het komt er maar op aan, dat ieder getrouw is in het vermanen van hen, die ongeregeld wandelen; en indien dat tevergeefs is, dat men openbare zonden onder de aandacht van de opzieners der gemeente brengt. Maar als men het zijne gedaan heeft is het geweten vrij ook in de viering van het Avondmaal.
Heel dit hoofdstuk met z'n positieve waardering van het leven der kerk is trouwens de moeite van het lezen waard. Evenals de hoofdstukken 1 en 2 van het vierde boek van Calvijn's Institutie. Hij maakt onderscheid tussen de centrale hoofdstukken der leer, waarmee de kerk staat of valt en andere. Hij waarschuwt tegen de perfectionistische neigingen van Novatianen en Wederdopers.
Sedert die 16e, 17e en 18e eeuw, waarin de kerk zulk een brede plaats in ons volksleven in nam, is er heel wat gebeurd. Wijsgerig-rationalistische invloeden en revolutionaire woelingen zijn over die kerk heengegaan en diep in haar doorgedrongen. Na de Franse tijd is de theologie die van de burgerlijk-brave goe-gemeente, die religieus genoeg is om niet met kerk en godsdienst te breken, maar te zelfingenomen om diepe kennis van zonde en genade te doorleven. Daartegen verwekt God het Reveil, „het ontwaken" als na een geestelijke slaap. Verreweg de meeste figuren uit deze boeiende tijd, waarvan we nu alleen maar de namen van Bilderdijk en da Costa, de Clercq, Heldring en Groen van Prinsterer noemen, bleven trouw aan de kerk der Hervorming. Zij verdedigden de burgerlijke rechten der kwalijk behandelde Afgescheidenen, maar lieten de hoop op genezing van de oude, vaderlandse kerk niet varen.
Het is bij één Afscheiding niet gebleven. De bescheiden Afscheiding van 1834 is gevolgd door de grotere, meer planmatig voorbereide van 1886.
Men „nam" op tal van plaatsen de Reformatie „ter hand". Ik meen dat we een beetje huiverig moeten zijn voor dit: ter hand nemen. Vooreerst: laat men niet te gemakkelijk het grote schip van de kerk aan de golven over, om van wat „goed materiaal" een klein zeewaardig schip te timmeren? En gaat dat nieuwe bouwsel al niet spoedig de gebreken vertonen, waar om men het oude verlaten heeft?
Dan: elke afscheiding (soms van kleine groepen en groepjes en daaraan weer ettelijke naast elkaar) is te partieel, te gedeeltelijk, om de pretentie te kunnen voeren, dat men de voortzetting zou zijn van de kerk Gods in deze landen.
Verder: waar merken we iets van „fijn", dat al die delen (leden) zo uit elkaar worden gescheurd?
Voorts: is hier niet het gevaar, dat wij niet Christus, Die Zelf Zijn kerk vergadert (Cat. zondag 21) in Zijn lankmoedigheid bezig laten zijn, maar dat wij in ongeduld op onze tijd en onze wijze het werk gaan aanpakken, zodat het niet te verwonderen is, dat in vervulling gaat wat W. a Brakel al gezegd heeft: het zal scheuren op scheuren?
Waar is tenslotte de toon des harten, die Mozes doet zeggen: Here, delg mij uit Uw boek, maar laat dit volk niet los? En waar worden de voetsporen gedrukt van de Hanna's uit Sam. 1 en uit Lucas 1, die onder de onwaarschijnlijkste omstandigheden opgaan naar tabernakel en tempel om te bidden en uit te zien naar die God, Die doodt en levend maakt?
Daarom is de keuze van de plaats, waar men belijdenis doet, niet bepaald door toevallige factoren van verloving en huwelijk, van deze of gene predikant, die ons al of niet aantrekt of van de momentele situatie van de gemeente, waar men woont. Hoofdzaak is de kijk, die we hebben op de grote lijn van Gods handelwijze met Zijn kerk onder Israël, met de oud-christelijke en de Middeleeuwse kerk en met de kerk der Hervorming tot op dezen dag. Van uit de geschiedenis der kerk moeten we afstand nemen van de wisselende situaties hier en nu. Pas wanneer de diepe overtuiging zich gevestigd heeft, dat God de kerk der Hervorming niet verlaten heeft en een andere kerk duidelijk als haar voortzetting heeft doen geboren worden (iets anders dan door ongeduldige mensen gemaakt), komen allerlei detailvragen aan de orde in verband met plaatselijke situaties en de weg, die men daarin met ernst en liefde, met getrouwheid en geduld te bewandelen heeft.
De zonden der kerk zijn ook onze zonden. Ook de allerheiligste (en wie behoort daartoe?) is niet altijd op eenzelfde berghoogte des geloofs en heeft zelfs dan nog maar een klein beginsel van de gehoorzaamheid, die God van ons vordert.
Dat betekent niet het gaan van de gemakkelijkste weg. Het is vaak tegen stroom inroeien, waarvoor des te meer kracht van Boven nodig is.
Het betekent ook niet, dat we alleen maar negatief staan tegenover andere kerken. Ik geloof, dat God Zijn zegen geeft in andere kerken ondanks hun afscheidingen.
Ik geloof, dat God Zijn zegen schenkt in onze Hervormde kerk ondanks haar verwarring, schuld en tekortkomingen wat betreft eenparigheid en zuiverheid van de prediking van Wet en Evangelie en ofschoon zij schromelijk te kort schiet in het weren van datgene, wat haar belijdenis weerspreekt. Daarom moet er in die kerk gestreden (niet gevochten) worden, maar in het bewustzijn, dat wij samen met haar aangewezen zijn op de grootheid van Gods genade en van Zijn geduld in Christus Jezus. Ora et labora: bid en werk.
(wordt vervolgd)                                                       C. v. d. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's