EEN BEZWAREND GETUIGENIS
„wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen, een andere, zonder handen gemaakt bouwen. Markus 14 : 58.
De tijd verstrijkt, het wordt kort nacht; er komt geen schot in het verhoor. Of toch? Gestommel in de zaal, iemand, meerderen met hem, geven een bezwarend getuigenis tegen Jezus. De rechters slaken een zucht van verlichting; eindelijk een getuigenis van twee of drie, zoals de wet het eist. En eindelijk een punt, dat de moeite waard is. Wat hoorde u Hem zeggen? Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken. Deze tempel, de trots van Israël, het huis Gods. Hij zou zijn schendende hand aan het heiligdom slaan, de tempel slopen. Verschrikkelijk! Hebt u Hem dat ook horen zeggen? Ja, zo ongeveer wel. Nog eens: verschrikkelijk. Wie aan de tempel komt, komt aan Hem Die daar woont.
Hij zei nog meer: en in drie dagen een, zonder handen gemaakt, bouwen. Dat klinkt hun vreemd in de oren. Een tempel bouwen, een nieuwe en dat nog wel in een handomdraai, nee, zonder handen. Een wonder dus, een wonder Gods. De nieuwe tempel zou er met drie dagen kant en klaar staan; daarmee was de nieuwe tijd aangebroken, de toekomende eeuw. Dit laatste was nog bedenkelijker als het eerste; wat verbeeldde Hij zich. De hoge heren van het Sanhedrin fronsen de wenkbrauwen en fluisteren onder elkaar: Schande, schande.
Zo iets had Jezus inderdaad gezegd. Het was al twee jaar geleden, toen Hij de tempel gereinigd had. Gevraagd naar Zijn bevoegdheid luidde het antwoord: Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem oprichten. Er is nog al een aanmerkelijk verschil tussen dat woord en dit getuigenis. Jezus had niet gezegd: Ik zal, maar integendeel: Gij. En dat met of zonder handen is helemaal uit de lucht gegrepen. Eigenlijk weer een vals getuigenis: Zijn woorden worden verdraaid om Hem in een kwaad daglicht te stellen. Reken maar dat zij het zo onthouden hebben; Stefanus krijgt het later ook te horen.
Wat had Jezus bedoeld? Dat verstond Johannes, die het ons overlevert, toen nog niet; maar de Heilige Geest heeft de woorden uitgelegd: Hij zei dit van de tempel van Zijn lichaam. Zijn woord was, een raadselspreuk, openbaring en verberging tegelijk. Wie Hem niet begrijpt, mag er Hem een vraag over stellen. Maar de mensen vragen niet; wat mag dat betekenen; zij denken er het hunne van en maken er maar wat van. Zodoende volgen ze een verkeerd spoor, en komen er niet uit. Het ging over de tempel van Zijn lichaam. Dat was de woonstede van God. In Christus woont de volheid der Godheid lichamelijk. Waarlijk, Eén, meer dan de tempel is hier.
Deze tempel wordt gesloopt! Dat is het kruis, waaraan mensenhanden Christus nagelen. Hij bouwt haar weer op, dat is de opstanding. Kruis en opstanding werden in die raadselspreuk aangeduid. Daarvan vermoeden de getuigen niets en toch wordt dat woord vandaag vervuld. De hartstochtelijke vereerders van de tempel, zullen de meerdere tempel met de grond gelijk maken. Maar wie drie dagen wacht zal Hem zien verrijzen tot heerlijkheid van God, de Vader.
De getuigen vinden een bezwarend getuigenis, het is echter toch een vals getuigenis. Hoe vaak gebeurt het niet, dat wij woorden uit hun verband rukken, en misbruiken. De woorden van Christus bijvoorbeeld. Wij verdraaien ze, om ons zelf te handhaven. Wij vragen niet om uitleg, wij willen immers zijn leerlingen niet zijn; wij willen Hem veel liever met zijn eigen woorden schuldig verklaren. Het ongeloof doet nooit anders dan Gods Woord misbruiken, en tegen Christus getuigen: Hij heeft gezegd! Hebt u er al erg in? Bent u met Zijn woorden bezig, om u van Hem Zelf af te maken?
Jammer, dat de vlieger niet opgaat: Hun getuigenis was niet eenparig. De getuigenissen stemmen niet overeen. Men kan het zich niet woordelijk meer herinneren, deze en gene aarzelt. Hoe partijdig de rechtbank ook is, op losse getuigenissen kan ze niet ingaan. Het moet er dus voorlopig bij blijven: Zij zochten getuigenis tegen Jezus en vonden niet. Zij hebben alles overhoop gehaald en alles op alles gezet: het is hun toch mislukt. Ze zijn nog even ver als bij het begin van de zitting; om Hem te doden is geen doorslaggevend getuigenis voorhanden. De zitting verdagen, dat gaat niet. De hogepriester zit op hete kolen, de spanning in de zaal stijgt tot een kookpunt.
Wanneer wij dit samen overdenken, is het net, alsof wij de rechtzitting bijwonen. Wij zitten op de publieke tribune. De een volgt het proces met grote aandacht, de ander wat onverschilliger, een derde geeuwt van verveling. U wordt het zitten moe. Wilt u dan maar gaan staan. Nee, niet om te getuigen, dat deden wij al. Gaan staan, waar Jezus stond, vóór de rechtbank! Hij mag gaan zitten in de rechterstoel. Hij is immers rechter over u en mij. Want wij moeten allen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus. Dat ontlopen wij niet. Wij kunnen Christus voor onze rechterstoel slepen, Hem vonnissen, en uit de weg ruimen. Hij keert de rollen om. En nooit kunnen wij betrokken raken in de rechtzaak tegen Hem, zonder als beklaagde verhoord en veroordeeld te worden. U wilde er liever buiten blijven? Daarvoor is het al te laat.
Getuigen vóór! Zou er geen getuigenis tegen ons te vinden zijn? Voor dit hoog en heilig gericht leren wij wel anders. Wij behoeven er niet eens naar te zoeken, Gods wet klaagt ons aan, en ons geweten valt haar bij. Wie niet gebleven is in al wat geschreven is in het boek der wet om dat te doen is schuldig, is des doods schuldig. Er wordt zwaar geschut in stelling gebracht, er wordt raak geschoten. De wet liegt er niet om; het negende gebod liegt er niet om; Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. Niemands woorden verdraaien, geen roddelaar, geen lasteraar zijn: niemand lichtvaardig en onverhoord oordelen of helpen veroordelen; het goed gerucht van mijn naaste bevorderen! Wie gaat vrijuit? Wie kan zijn eigen verdediging voeren? En als het over Jezus gaat, wie deed niet mee met het Sanhedrin, wie bracht niet van alles tegen Hem in? U buigt het hoofd, wie heft het op? Ik zie maar één uitweg, die mag ik u wijzen. Het is nog het heden der genade.
Genade is het, dat Jezus hier staat. Alles wat tegen mij getuigt, neemt Hij voor Zijn rekening. Zo wilde Hij het, daarom stond Hij daar, in mijn plaats. Hij liet zich in met mijn schuld, tot voor Gods aangezicht. Al wat ik misdeed keerde Zich tegen Hem; Hij liep niet weg. Hij liet het niet langs Zich heengaan. In tegendeel, de Heere deed het op Hem aanlopen, en Hij liet het Zich aanleunen, meer nog: Hij wilde het op Zich nemen, om het weg te dragen. Ziet het Lam Gods, het heilig Lam, dat geen gebrek vertoont, zelfs de keurmeesters van Israël konden er geen gebrek in vinden, en moesten dat tegen wil en dank toegeven. Het Lam Gods kan daarom de zonden wegnemen.
Wat een onrecht werd Hem aangedaan. Dat werd mij eerst duidelijk. Toen kreeg ik er erg in dat het recht zijn loop nam tegen Hem. Genade en recht, recht en genade, liggen ineengestrengeld, worden verheerlijkt, in Christus Jezus. De Heilige Geest verheerlijkt Hem; als wij geen gerechtigheid overhouden, wordt Zijn gerechtigheid onze grote schat. Als wij met onze zonde, ook tegen het negende gebod, geen raad weten, biedt Hij ons deze zondedragende Christus aan, en verbindt ons met Hem in geloof en liefde. Vergeet het maar nooit, dat Hij daar stond en hoe het Hem verging. En getuigt er van.
Was Christus er niet bij geweest
ik kwam tot U, God, zeer bevreesd
Wanneer ik denken moest, dat Hij
niet pleiten zou, mijn zaak, voor mij.
Eer vlucht' ik naar de hel, dan dat
ik stond voor U en Hem niet had.
L.K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's