De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ANTWOORD GEVRAAGD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ANTWOORD GEVRAAGD

7 minuten leestijd

„En de hogepriester in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: ntwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U? Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets". Markus 14 : 60 en 61a

Het schiet maar niet op denkt de hogepriester en de raadsheren schuiven wat ongeduldig op hun zetels. Jezus werd voorgeleid om veroordeeld te worden; dat stond van te voren vast. Het verhoor dient alleen maar om een grond van recht aan het doodvonnis te geven. Men moet eigenlijk zeggen: een schijn van recht. Er zijn getuigen opgeroepen, zij praten door elkaar heen en hun getuigenis is niet eenparig. Even spitsen de leden van het Sanhedrin de oren: De tempel slopen en weer opbouwen. Maar wat Hij nu precies gezegd heeft wordt niet duidelijk; het proces sleept zich voort.
Plotseling staat de hogepriester op en loopt wat naar voren. Hij zal het onderzoek naar het beoogde doel moeten leiden, daarom grijpt hij in, nu de gang van zaken wat verward wordt en in ieder geval vertraagd. Zo komen wij niet verder, denkt hij, en zonder zelf een aanklacht te formuleren bijt hij de beklaagde een vraag toe: Antwoord gij niets, wat getuigen deze tegen u? Dat valt buiten de orde van een verhoor, dat is geen behandeling van de zaak, en nog minder van de man daar voor hem. Christus wordt schandalig behandeld, dat weten wij nu wel. Het onrecht duurt de ganse dag.
Hij staat daar geboeid, niet gebogen. Hij staat in Zijn heilig recht en in Zijn heilige onschuld. Toch staat Hij terecht, toch wordt Hij straks terechtgesteld. Wie kan daar wijs uit worden? Wij kunnen de rechtzitting niet op ons gemak bijwonen. Het is een gebeurtenis, wij worden er in betrokken. Waar zat u ook weer? U zat op de publieke tribune als toeschouwer. Daar zit u rustig, totdat . . . U wordt gewenkt, om naar voren te komen. Om te getuigen. En u legt getuigenis af, voor of tegen Jezus; vóór of tégen. Ga maar weer zitten, nu, hier tussen de rechters. U veroordeelt mee, met de raadsheren; Hij is des doods schuldig. U ruimt Hem uit de weg. Het is met onze rust gedaan, we zouden het er benauwd onder krijgen, het wordt een vermoeiende zitting, voor allen die haar bijwonen. En u bent er nog niet; u bent pas op uw plaats, als u op de plaats van de beklaagde staat. U bent toch schuldig; en Christus staat daar toch in onze plaats. Alléén zo komen wij dicht bij Hem in Zijn lijden.
Jezus antwoordt niet, omdat Hij weet, dat uw en mijn zaak, verloren is. Uw en mijn zaak voor God, werd Zijn zaak. Het zijn dus verknochte zaken; zij worden niet afzonderlijk behandeld. Dat is de genade van dit lijden, dat is er tevens de laatste ernst van. U maakt deze behandeling mee, wanneer u dat bedenkt: Mijn zaak is hier in het geding. Jezus bedenkt het terdege. Hij zal zwijgen in Zijn zaak, opdat Hij kan pleiten in uw zaak. Hij neemt het woord, waar ik moet verstommen. Daarom zweeg Hij, toen ik het woord nog nam. Vindt u dat soms wat ingewikkeld? Men moet er maar in verwikkeld raken, dan wordt hier de knoop ontward en de strik gebroken: Hij voor mij, daar ik anders . . . Antwoordt Gij niets? De hogepriester wordt er door geprikkeld; hij speurt iets van de onschuld, maar dat maakt hem nog nijdiger. Wat, neemt deze beklaagde niet eens de moeite om zich te verdedigen. Is dat beneden zijn waardigheid; heeft Hij hen dóór? Wij zitten hier in het holst van de nacht niet voor ons plezier! Neemt de verdachte de beschuldigingen niet ernstig?
Wat getuigen deze tegen U? Dat laatste getuigenis tegen Hem is wel niet eenstemmig, maar het is wel van het hoogste gewicht. Zo mag niemand over de tempel spreken; dat is een gebrek aan eerbied voor het huis Gods. Met handen gemaakt, dat is te weinig gezegd. God had het plan van de tempelbouw ontworpen, en het aan Mozes op de berg getoond. Dat is de heerlijkheid van dit huis, het is, hoewel met handen gemaakt, hemels! Die tempel zal Hij slopen, toppunt van goddeloosheid. En dan, binnen drie dagen weer opbouwen. De hogepriester en zijn mederaadsheren, zijn thuis in de Schriften. Het woord van Zacharias komt voor hun aandacht zweven: Zie, de man, wiens naam Spruit is. Die zal uit zijn plaats spruiten en Hij zal des Heeren tempel bouwen; ja Hij zal de tempel des Heeren bouwen en Hij zal het sieraad dragen en Hij zal zitten en heersen op Zijn troon en Hij zal priester zijn op zijn troon.
Zou deze Jezus zich verbeelden, dat Hij de priestervorst is, op Wien Israël hoopt, de Messias? U merkt wel, dat de grote vraag hier reeds om de hoek komt kijken. Kajafas wil een antwoord; laat Jezus zich eens nader verklaren. Staat deze priestervorst hier voor hem? Dat is toch al te dwaas. Dan moet Kajafas Hem zijn plaats inruimen, aftreden, omdat Hij optreedt. In deze vraag gaat het spannen; er komt tekening in het verhoor. Als Hij nu maar tekst en uitleg wil geven van die vreemde woorden, die de getuigen Hem in de mond leggen. Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets. Hij weerlegt niets en Hij stemt niets toe en Hij legt niets uit. De stilte hangt boven het Sanhedrin, als dreigde er een onweer; het wordt broeiend heet in de rechtzaal. Christus zwijgt echter niet om hen te sarren en te tarten. Hij zwijgt om­ dat Hij hun niets te zeggen heeft, nu niet meer, nu nog niet. Het is al te laat, en het is nog te vroeg. Ieder antwoord zou het misverstand maar vermeerderen. Het ja en het nee. Daarom zwijgt Hij.
En antwoordde niets. Hij profeteert niet en Hij protesteert niet. Hij doorziet hun huichelachtigheid en heeft er geen woorden voor. Hij moet recht en onrecht heden goed uit elkaar houden. Het onrecht dat de mensen Hem aandoen, en het recht, dat God over Hem laat gaan. Christus is in deze nacht klaar wakker.
Spreken is zilver en zwijgen is goud. In dit zwijgen schittert Zijn borgtocht. Dat is een wat ouderwets woord: borgtocht. Het betekent, dat Hij als borg lijdt. Hij staat hier niet om Zijn eigen overtreding. Hij draagt de overtreding van anderen. De keuze tussen goud en zilver is niet eenvoudig. Goud? Roodgekleurd is deze stilte, het is de stilte van het bloed. Doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Zo zweeg Hij, als een lam, als het gezegend Lam Gods. Wie zwijgt stemt toe! Daarom zwijgen wij niet zo gauw, we denken: als ik mij maar met woorden kan verweren, valt het vonnis niet. Maar ik kan met een rechter niet in gesprek blijven, ik kan hem niet aan de praat houden. Ik moest er tenslotte het zwijgen toe doen. Ik kon de aanklacht niet weerleggen. Deze zwijgende Jezus bleef mij vreemd, zolang ik nog woorden vond of koortsachtig naar woorden zocht. Hij werd mij zo oneindig lief, toen ik leerde zwijgen voor de hoogste Rechter. En, wil deze zwijgende Jezus ons niet leren, dat er niets te spreken valt? Hij leert het ons door Zijn Heilige Geest, Christus zweeg, wat zou ik dan zeggen? David zweeg toch ook, toen Nathan zei: Gij zijt die man. Hij had het een en ander gezegd, toen het geval hem werd voorgelegd; toen het tot een aanklacht kwam, kon hij niets meer zeggen.
Daarna leren wij te zwijgen, als wij vals beschuldigd worden, als men onze woorden verdraaid ons van heiligschennis en schijnheiligheid beticht. Dat ligt niet in onze aard; dat is genade, indien iemand met en om Christus onrecht lijdt. Hij dreigde niet. Hij antwoordde niet eens.
Spreek ik, dan over Hem! Alles mag waar zijn en ik ben nergens te goed voor. Hij is een volkomen Zaligmaker; in Zijn kruis, in Zijn bloed, mag ik roemen. Het spreekt van betere dingen, van vergeving en verlossing. Leerlingen van deze zwijgende meester, moeten op zijn tijd zwijgen, mogen op Zijn tijd spreken. Het zilver en het goud worden Hem toegewijd. Spreken en zwijgen, dat is de hulde aan Hem, van wie antwoord werd gevraagd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ANTWOORD GEVRAAGD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's