De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Zilveren Koorde” 1) (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zilveren Koorde” 1) (I)

7 minuten leestijd

Opnieuw is het zilveren koord in opspraak gekomen. Met deze uitdrukking wordt bedoeld aan te geven de financiële band tussen de kerk en de overheid. Het is een flauwe herinnering aan de innige verhouding tussen kerk en overheid vanaf het zelfstandig worden van ons volk. De worsteling om aan de tyrannie van Spanje te ontkomen ging gepaard met en werd grotendeels gevoed door de reformatie, die aan de gereformeerde kerk in ons land gestalte gaf.
Het is bekend, dat de reformatie de hulp en de steun van de overheid niet schuwde. Dat was en is een kwestie van principe.
Nergens duidelijker dan in art. 36 van de Ned. Gel. Bel. wordt beleden, dat de overheid niet alleen acht te geven heeft over de politie, maar ook de hand te houden heeft aan de heilige kerkedienst om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst om het rijk van de antichrist te gronde te werpen en het koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, op dat God van een ieder geëerd en gediend worde, gelijk Hij en Zijn Woord gebiedt.
Het is niet de bedoeling nu een verklaring te geven over dit artikel, nog minder om de verschillen in de uitleg van dit artikel op te sommen. Wie daarvoor belangstelling heeft, kan o.a. terecht in het werk van prof. dr. H. Visscher: De Staatkundige Beginselen der Nederlandse Geloofsbelijdenis in hun schriftuurlijk karakter getoetst en gehandhaafd (uitg. J. Bout, Huizen N.H.). Dit werk geeft een brede informatie.
Welke verschillen er over dit artikel in de diverse kerken van reformatorische oorsprong ook mogen zijn, men beleed en belijdt eendrachtig, dat de overheid een positieve roeping heeft ten aanzien van de kerkedienst en de prediking van het evangelie. Wie dit niet belijdt en een z.g. neutrale overheid voorstaat, kan hiervoor moeilijk een beroep doen op de reformatie en — wat nog meer klemt — op de Heilige Schrift.
Men kan bezwaren inbrengen tegen de wijze, waarop de overheid aan haar roeping gestalte gaf, men kan wijzen op de leerszucht van de overheid over interne zaken van de kerk, dit doet niets af van de hoge roeping van de overheid om een goed instrument te zijn in de hand van de Koning der koningen, op dat Hij door de prediking van het Evangelie van een ieder gediend en geëerd worde.
Van de verwerkelijking van deze geloofsbelijdenis zijn wij in onze tijd verder verwijderd dan ooit. Het geloof staat en valt echter niet met de zichtbare verwerkelijking in de praktijk. Het houdt tegen al het zichtbare en tastbare vast aan de belofte en de roeping van God. Daarom mag de kerk niet ophouden met het roepen en terugroepen van overheid en volk tot de gehoorzaamheid van het Woord Gods.
De overheid is niet neutraal, maar geroepen op haar terrein de Wet Gods te handhaven.
Intussen zien wij voor ogen, dat alle overheidspersonen trouw gezworen hebben aan onze grondwet. Deze grondwet kent niet de ene gereformeerde kerk, maar verschillende gezindten, kerken, godsdienstige verenigingen en zij bevoorrecht daarom niemand. Dat wil zeggen: de Overheid staat practisch op het standpunt van de godsdienst vrijheid in de liberale zin van het woord. Dit betekent, dat zij geen keus doet inzake de ware religie.
En hier wringt de schoen. Want wie art. 36 van de Ned. Gel. Bel. ook vandaag wil handhaven, bedenke, dat daarvoor nodig is niet alleen herziening van de grondwet, maar bovenal één gereformeerde kerk, die grotendeels ons volk omvat.
Dit moge in het verleden min of meer het geval geweest zijn, nu is dit niet meer zo. Wanneer wij aan de Overheid vragen art. 36 te handhaven, dienen wij tegelijk (zo al niet eerder) de kerk der reformatie te herstellen in haar eenheid en diepte van belijden.
Een geestelijk reveil kan uitlopen op een nationaal reveil. Daarvoor mogen wij bidden. Daarop mogen wij hopen. Hoewel God machtig is van dag tot dag in te grijpen en wij van Hem grote dingen mogen verwachten, wijzen de tekenen in de kerk en in de staat voorshands op voortgaande ontbinding en terugdringing van de invloed van het Evangelie. Dat is een smartelijke zaak, maar het zou utopisme zijn dit te ontkennen.
Deze inleiding hebben wij nodig om de vragen van vandaag in het rechte licht te krijgen. Wat is er namelijk aan de hand?
Er is na de tweede wereldoorlog (1946) door de toenmalige minister van financieën. Prof. Mr. P. Lieftinck, een staatscommissie geïnstalleerd om de „zilveren koorde" opnieuw in studie te nemen. Men zie hiervoor de samenvatting van dit rapport op de volgende pagina.
Wat van dit rapport te zeggen?
Dat het een prijzenswaardige poging doet om de vragen tot oplossing te brengen. Het valt niet mee uit de historische brandnetels te komen.
Kort samengevat wil dit voorstel zeggen: Verhoog de bijdrage van 3, 5 miljoen tot 50 miljoen per jaar; schrapt art. 185 uit de grondwet; regel deze bijdragen bij de wet; verdeel dit geld naar het aantal leden, die volgens de volkstelling tot een kerk behoren; verhoog of verlaag het naar de waarde van het geld; betaal het uit aan één adres (dus niet aan de plaatselijke gemeenten), in-corporeer de niet-kerkelijke organisaties niet in deze specifieke regeling van de kerken.
Tegen deze voorstellen zijn enkele bezwaren in te brengen.
In de eerste plaats fungeert hier art. 36 niet. Alle kerken worden over één kam geschoren. De waarheidsvraag blijft buiten het geding. Dit bezwaar valt echter evenzeer op het hoofd der kerken terug als op dat van de overheid (zie boven) maar wij mogen nooit de belijdenis der kerk, op Gods Woord gegrond, verloochenen.
In de tweede plaats lijkt het ons een aanvechtbare zaak, dat de uitkering van dit geld aan de landelijke kerk wordt gedaan en niet aan de plaatselijke gemeenten, van welke de kerkelijke goederen rechtens waren.
Kan dit met artikel 183 van de grondwet in de hand? Ook wanneer op de daarvoor voorgeschreven wijze de volksvertegenwoordiging art. 183 uit de grondwet vervangt voor een aanduiding, dat de geldelijke betrekkingen tussen het Rijk en de Kerken bij de wet worden geregeld? Is het dan juridisch geoorloofd het adres te verleggen van de plaatselijke gemeenten naar één landelijk adres?
Het is zonneklaar, dat de overheid het recht van de plaatselijke gemeenten erkent in de huidige regeling. De aanvraag tot handopening is er het bewijs van. Een eventueel rijkstractement aan een nieuwe predikantsplaats wordt aan de plaatselijke gemeente gegarandeerd.
Ik ben mij bewust, dat een financiële regeling met de kerken met één adres én voor de overheid èn voor de landelijke kerken aantrekkelijk is. Ik ben mij ook bewust, dat een uitbetaling aan de plaatselijke gemeenten voor niet geringe puzzles stelt. Maar ik ben mij er evenzeer van bewust, dat de uitbetaling aan één adres een principe doorbreekt, dat ons vóór veel andere dingen kostbaar is, dat is de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten.
In geen enkel artikel over deze materie heb ik hierover een opmerking gelezen. De goederen waren en zijn het eigendom van de plaatselijke gemeenten. Wij gunnen alle organen van onze kerk het goede, maar niet ten koste van de plaatselijke gemeenten.
In de derde plaats, hoewel men waardering kan hebben voor het standpunt van de commissie, dat deze regeling voor de kerken niet verbonden wordt met die voor niet-kerkelijke organisaties; zal het in de praktijk er niet op neerkomen, dat, wanneer deze regeling er door gaat, ook en tegelijkertijd éénzelfde regeling wordt gemaakt voor het Humanistisch Verbond en andere organisaties? Wordt dit niet een kwestie van kolom A en kolom B?
Zie daar enige overwegingen. Volgende keer over het standpunt van de regering.
K.a.Z.          G.B.


1) Mag ik de lezers verzoeken alvorens kennis te nemen van dit artikel zich de samenvatting van het rapport van de commissie van Walsum, dat op de volgende pagina met kleine letter is gepubliceerd, eigen te maken. U doet voor één keer maar precies als de Joden, die van achteren naar voren lezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Zilveren Koorde” 1) (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's