De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

SAMENVATTING

13 minuten leestijd

van het rapport van de Staatscommissie ("Van Walsum) over de financiële betrekkingen tussen de Staat en de Kerken inzake de eredienst.
1. Vóór de Reformatie bestonden hier te lande twee recht-stelsels naast elkaar: het wereldlijke recht onder jurisdictie van de overheid en het geestelijke (canonieke) recht onder jurisdictie van de hiërarchisch geformeerde geestelijkheid (het episcopaat). Van alle kerkelijke goederen viel het leeuwendeel als geestelijk goed onder het geestelijk recht. De Kerk bezat vele goederen en kapitalen.
Geen pastoor werd benoemd, als niet tevens een kapitaal aan zijn standplaats verbonden was, uit welks rente hij geheel of grotendeels zijn leeftocht kon bekostigen. Vele burgers lieten aan de Kerk gelden na, om na hun overlijden uit de rente daarvan door een Vicaris zielemissen te laten lezen. De kloosters waren centra van wetenschap, ontginning en industrie en bezaten daardoor enorme vermogens.
Zo ontstonden de pastoralia, vicariën, kloostergoederen en nog een aantal andere geestelijke, aan het wereldlijke recht onttrokken, goederen, waarvan de eigendom, het beheer en het toezicht berustten bij kerkelijke fundaties, organen of personen.

2. De Reformatie betekende vervanging van de episcopale hiërarchie door het synodale stelsel van kerkregering, waarbij afgevaardigden der locale gemeenten bijeenkwamen ten behoeve van de kerkregering. De geestelijke goederen werden daarbij — als onbeheerde goederen — door de overheid in beslag genomen en van een nieuwe bestemming voorzien: o.a. de financiering van de oorlog tegen Spanje, de oprichting van universiteiten en de instelling van studiebeurzen, terwijl een deel van de gelden als van ouds werd aangewend ter bezoldiging van de hervormde pastoors, de predikanten. De overheid (er)kende voorts één Kerk als de officiële: de Hervormde Kerk.
De overheid zag het, naast de redelijkheid een deel der genaaste kerkelijke gelden wederom te besteden voor de bezoldiging van de nieuwe „geestelijkheid", als een primaire taak eredienst en kerkelijk leven — als essentiële elementen in het volksleven — in stand te houden en te verzorgen.

3. Deze toestand bleef zo tot aan de Franse overheersing, toen men er in de Staatsregeling van 1798 op uit was alle financiële banden tussen Kerk en Staat te liquideren. Al spoedig kwam men daarop terug en ging men zelfs ook andere Kerkformaties (o.a. de Rooms Katholieke) in de bezoldiging van overheidswege betrekken. Nadat de inlijving bij Frankrijk in 1810 de financiële banden weer had losgemaakt, legde de Grondwet van 1815 de oude situatie, waarbij de overheid de bezoldiging van predikanten en pastoors voor haar rekening had, wederom vast. Deze bepaling (thans art. 185) is nadien nooit gewijzigd en luidt als volgt:
„De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welke aard ook, thans door de onderscheidene gezindheden of derzelver leraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd. Aan de leraars, welke tot nog toe uit 's-Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden."
Opgemerkt zij, dat het hier niet gaat om een subsidie van de overheid aan de Kerken, maar om de betaling van een compleet bezoldigingsstelsel met wedden, kindergelden, oudendags-, invaliditeits-, weduwen-en wezenpensioen.

4. Er zijn in de anderhalve eeuw na 1815 van enkele zijden pogingen gedaan om deze financiële binding tussen Kerk en Staat te verbreken, vooral uit overweging, dat deze band hetzij ten principale hetzij door de vorm, waarin zij was gegoten (salarisbetaling door de overheid aan predikanten, pastoors en rabbijnen) niet aanvaarbaar was. Ook verschillende commissies tot herziening van de Grondwet hebben zich over deze materie beraden. Maar haar voorstellen hebben de eindstreep nimmer gehaald.
Dit heeft echter anderzijds toch ook tot gevolg gehad, dat bij de geleidelijke geldontwaarding over het algemeen geen correcties in de salarissen hebben plaatsgevonden en de huidige traktementen en pensioenen nog maar een fractie zijn van de bedragen, die thans voor een redelijke bezoldiging nodig zijn. Bij het begin van deze eeuw kon een predikant van 800 of 1000 gulden rijkstraktement (+ vrij wonen) nog wel rond komen. Thans is zulk een bedrag nog maar een paar % van wat hij voor zijn levensonderhoud nodig heeft.
Het totaal van alle rijksuitkeringen krachtens art. 185 van de Grondwet bedraagt in 1967 nog niet ƒ 3.500.000, —, terwijl de totale uitgaven der Kerken momenteel alleen al aan salarissen en pensioenen van predikanten en geestelijken momenteel op ongeveer ƒ 100.000.000, — gesteld moeten worden.

5. Bij de enorme devaluatie van deze rijksuitkeringen komen nog in het bijzonder twee andere bezwaren. Vooreerst het feit, dat door de gang van zaken in de jaren 1500—1800 binnen de Kerken grote verschillen en verouderde bepalingen in de bestemming en de hoogte van de uitkeringen bestaan en vervolgens dat de Kerken, die zich na 1815 hebben geïnstitueerd, geheel buiten de huidige regeling vallen.

6. Hoe geantiqueerd de huidige regeling is, kan blijken uit de volgende voorbeelden.
Het kindergeld voor predikantskinderen bedraagt ƒ 25, — per jaar. Voor predikantszonen wordt dit bedrag verhoogd met een schoolgeld van ƒ 25, —, doch alleen zij, die onderwijs in de latijnse taal ontvangen. Voor predikantszonen (dus weer niet voor de meisjes) wordt een academiegeld genoten van ƒ 50, —, mits zij studeren aan een openbare universiteit (de hogescholen te Delft, Rotterdam, Wageningen enz. zijn dus uitgesloten). Studeert de predikantszoon theologie, dan wordt voor hem het academiegeld verhoogd tot ƒ 200, —.
Voor de Oud-Katholieke pastoors bestaat — hoewel voor hen de plicht tot celibaat reeds lang is vervallen — geen aanspraak op kindergeld of weduwenpensioen. Zij worden nog behandeld conform de regelen, die ook voor de R.K. Kerk gelden. Opperrabbijnen hebben geen pensioenaanspraken voor zichzelf, wel weer voor hun weduwe. De rechtsongelijkheid ten aanzien van de na 1815 ontstane Kerken springt in het oog, als men bedenkt, dat deze Kerken thans ruim 1.100.000 leden tellen.

7. Het is derhalve begrijpelijk, dat na de tweede wereldoorlog op initiatief van de toenmalige minister van financiën, mr. P. Lieftinck, een Staatscommissie is ingesteld om de hier aan de orde zijnde vragen rondom de financiële betrekkingen tussen de Staat en de Kerken te bestuderen en met voorstellen voor een nieuwe regeling van deze materie te komen. Bij het uitbrengen van haar rapport was deze Staatscommissie als volgt samengesteld:
Mr. G. E. van Walsum, voorzitter
Mr. dr. J. Donner
Mr. W. F. Lichtenauer
Prof. mr. dr. J. J. Loeff
Mr. O. W. Vos
Mr. dr. H. M. J. Wagenaar
Ds. H. J. F. Wesseldijk
Mr. J. H. van Wijk, secretaris
De commissie heeft lange tijd nodig gehad om met haar rapport gereed te komen. Maar daartegenover staat, dat het hier om een zeer gecompliceerde materie gaat, gegroeid in een tijd, waarin zich in het staatkundig en maatschappelijk leven grote veranderingen voltrokken en zich met name ook in het kerkelijk leven — ook tussen de Kerken onderling — totaal nieuwe inzichten hebben baan gebroken.

8. Van de overwegingen der Staatscommissie is de volgende samenvatting te geven:
a. art. 185 van de Grondwet is verouderd en de toepassing ervan leidt tot ongelijkheid in rechtsbedeling, zowel binnen de Kerken, als tussen de Kerken onderling;
b. art 185 kan echter niet zonder meer worden geschrapt, mede in verband met de historische gronden, waarop de inhoud ervan rust;
c. afkoop van de bestaande rechten (in het verleden meermalen gesuggereerd) stuit op onoverkomelijke bezwaren, zowel wegens het feit, dat deze rechten grotendeels naar standplaatsen en personen zijn geïndividualiseerd, alsook vanwege de vragen, die dan rijzen ten aanzien van de na 1815 geïnstitueerde kerkgenootschappen;
d. men zal daarom — met erkenning van de historische financiële aanspraken van enkele Kerken — een nieuwe regeling moeten baseren op de huidige omstandigheden en opvattingen, waarbij voor alle Kerken een gelijke rechtsbedeling geldt;
e. de overheid is er — vooral na 1945 — in toenemende mate toe overgegaan voorzieningen ten behoeve van de bevolking in haar geheel of van bepaalde groepen door subsidiëring geheel of ten dele te bekostigen;
f. een deel dezer voorzieningen heeft betrekking op het geestesleven (wetenschap, onderwijs, opvoeding, kunst), teneinde het leven van de bevolking collectief of individueel aan inhoud, diepgang en waarde te doen winnen;
g. niet valt in te zien, waarom hierbij voor het godsdienstig leven een uitzondering zou moeten gelden, temeer, waar het godsdienstig leven voor brede lagen der bevolking van grote waarde is en de volkskracht ten goede komt;
h. het verdient daarom aanbeveling de bestaande regeling te vervangen door een, waarbij aan de Kerken als geheel voor haar specifieke pastorale arbeid een uitkering wordt toegekend, waarbij alle Kerken op gelijke voet worden behandeld;
i. tegemoetkoming aan de Kerken, zoals wel is gesuggereerd, door een ruimere regeling bij de aftrek van kerkelijke lasten bij de inkomstenbelasting. biedt geen oplossing, omdat de meeste belastingplichtigen door het beperkte bedrag van hun inkomen daarvan niet of ternauwernood baat zouden ondervinden en zulks bovendien voor de belastingdienst een onaanvaardbare vermeerdering van werkzaamheden en kosten met zich zou brengen;
j. de door de Staatscommisse voorgestelde uitkering dient niet meer te zijn dan een tegemoetkoming in de overigens thans wel uitzonderlijk zwaar geworden lasten van de Kerken, opdat niet de voor het kerkelijk leven essentiële offervaardigheid der leden door een te grote bijdrage van de overheid zou verslappen;
k. de uitkering dient verband te houden met de omvang van de Kerken, waarbij tevens getracht is maatstaven te vinden voor de intensiteit van het kerkelijk leven en de behoeften der Kerken;
l. de commissie is in dit laatste niet voldoende geslaagd, omdat noch het aantal standplaatsen, noch het aantal predikanten en geestelijken, noch het totaalbedrag van hun traktementen daartoe voldoende hoevast bood, terwijl daarbij tevens nog vragen aan de orde kwamen omtrent het al of niet — geheel of ten dele — bezig zijn in de zielszorg (cura animarum), de opleiding, de hulpkrachten en de gezinslasten (coelibaat);
m. ook het rekening houden met het totaal-bedrag van de uitgaven of de inkomsten van de Kerken biedt geen uitkomst, daar deze per Kerk niet vergelijkbaar en kwalijk te objectiveren zijn (men denke hier ook aan het bezit van monumentale gebouwen) en in kleinere gemeenschappen de inkomsten per hoofd veelal hoger liggen;
n. derhalve bleef uiteindelijk toch alleen het ledental — mits niet ontleend aan opgaven van de Kerken zelf, maar aan de door de betrokkenen bij de periodieke volkstelling rechtstreeks aan de overheid verschafte gegevens — als enige eenvoudige en objectieve norm over, hetgeen de commissie over de bezwaren, die uit de aard der zaak ook tegen deze sleutel kunnen worden aangevoerd, deed heenstappen;
o. de huidige regeling, krachtens art. 185 van de Grondwet, toont de volgende fundamentele tekortkomingen:
1. niet alle Kerken vallen eronder;
2. de Kerken, die er wel onder vallen, worden ook niet gelijkelijk behandeld;
3. behoudens enkele incidentele correcties is geen rekening gehouden met de waardevermindering van het geld;
4. er is geen rekening gehouden met de aanwas van de bevolking;
5. de regeling komt te weinig tegemoet aan de taak, waarvoor de Kerken zich thans gesteld zien;
6. de regeling zelf is totaal verouderd.

9. Voor een nieuwe regeling, die in deze tekortkomingen moet voorzien, is een exacte berekening niet te maken. De commissie stelt derhalve voor om jaarlijks een totaalbedrag van ƒ 50.000.000, — (de huidige uitkeringen ad ƒ 3.500.000, — inbegrepen) ter beschikking van de Kerken te stellen. Een globale berekening heeft de commissie tot de conclusie gebracht, dat de totale uitgaven van de Kerken, op het gebied van zielszorg en eredienst (dus buiten de diakonaal-sociale sector!) momenteel een bedrag van ongeveer ƒ 300.000.000, — vragen. Een uitkering van overheidswege van ƒ 50.000.000, — betekent dus een nieuwe bijdrage in deze kosten van ruim 15%, hetwelk in genen dele excessief kan worden genoemd.
Deze bijdrage — hierop zij uitdrukkelijk gewezen — zal niet leiden tot een verlichting van lasten voor de Kerken, maar haar in staat stellen beter te voldoen aan de vele noden en behoeften op het gebied van de vestiging en bezoldiging van standplaatsen, aflossing van schulden, afschrijving op gebouwen, waaraan zij thans, ondanks de grote offervaardigheid harer leden, niet toe kunnen komen.

10. De Staatscommissie stelt tenslotte voor om in plaats van art. 185 aan de Grondwet een Additioneel Artikel toe te voegen, bepalende, dat de geldelijke betrekkingen tussen het Rijk en de Kerken bij de wet worden geregeld. In die wet dient dan onder meer te worden bepaald of geregeld:
a. het totaalbedrag van de uitkering;
b. dat dit bedrag over de Kerken wordt verdeeld naar haar ledental, overeenkomstig de volkstelling;
c. dat de verdeling van het totaalbedrag over de Kerken periodiek wordt herzien na het bekend worden van de resultaten van elke volkstelling;
d. dat dit totaal met het oog op de veranderingen in de waarde van het geld wordt verhoogd of verlaagd conform algemene wijzigingen uit dien hoofde in de bezoldiging van het rijkspersoneel;
e. dat het aandeel van elke Kerk in de uitkering telken jare in één bedrag en aan één door haar aan te wijzen adres wordt uitbetaald;
f. dat het aan lagere publierechtelijke lichamen (provincie, gemeente) niet geoorloofd is aan de Kerken met de algemene uitkering van het Rijk vergelijkbare subsidies toe te kennen.

11. Aan het slot van haar rapport stelt de Staatscommissie nog de vraag, of de door haar ten aanzien van de Kerken voorgestelde regelingen ook consequenties dienen te hebben voor de niet-kerkelijke organisaties met een geestelijke doelstelling. Zij herinnert in dit verband aan de Wet Premie Kerkenbouw, waarin terzake bepaalde regelingen zijn getroffen.

De commissie acht een beantwoording van deze vraag buiten haar beperkte opdracht te liggen. Haar samenstelling doet haar trouwens daarvoor niet het aangewezen orgaan zijn. Wel geeft zij de raad de belangen van de bedoelde niet-kerkelijke organisaties niet in de zo specifieke regeling voor de Kerken te incorporeren, mede omdat de voor de Kerken voorgestelde regeling een gecompliceerde historische achtergrond heeft, die met betrekking tot de bezinningsorganisaties ontbreekt.

COMMENTAAR van het Persbureau van de N. H. Kerk inzake brief minister financiën.
„Naar aanleiding van de brief van de minister van financiën prof. dr. H. J. Witteveen met betrekking tot het rapport van de staatscommissie Van Walsum over de financiële betrekkingen tussen de staat en de kerken inzake de eredienst, deelt het Persbureau van de Ned. Hervormde Kerk het volgende mede:
1. De Ned. Hervormde Kerk en dat geldt evenzeer voor de andere kerken, hebben officieel nog geen kennis kunnen nemen van het rapport van de staatscommissie en van de reactie van de regering hierop, omdat beide stukken tot nu toe niet openbaar waren;
2. aangezien het hier om hoogst belangrijke zaken gaat, onder meer handelend over oude rechten die stammen uit de tijd van de reformatie, zullen beide stukken eerst diepgaand moeten worden bestudeerd;
3. de hervormde kerk zal zich ernstig met het vraagstuk bezighouden en zo spoedig mogelijk haar inzichten formuleren en openbaar maken, zulks in overleg met de andere betrokken kerken;
4. uit hetgeen thans bekend is geworden over de reactie van de regering wordt van hervormde zijde als voorlopig oordeel gegeven, dat het bijzonder teleurstellend moet worden genoemd dat de regering blijkbaar niet op de voorstellen van de staatscommissie Van Walsum is ingegaan en daar­ voor een ander voorstel in de plaats stelt, dat wel zeer minimaal geacht moet worden;
5. het moet worden betreurd dat het rapport van de staatscommissie niet eerst door de regering is gepubliceerd, waarna een openbare discussie had kunnen volgen vóórdat de regering haar standpunt zou hebben bepaald;
6. ofschoon de regering thans gelijktijdig met de openbaarmaking van het rapport van de staatscommissie reeds een standpunt heeft ingenomen, moet het noodzakelijk worden geacht dat de discussie over het rapport van de staatscommissie alsnog in brede geledingen zal plaatsvinden, zowel in als buiten de kerk, teneinde bevolkingsgroepen en politieke partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten te formuleren."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

SAMENVATTING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's