De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Duidelijkheid gevraagd.
De laatste tijd leest u in de pers regelmatig van oecumenische experimenten, waarbij predikant en pastoor samen een Avondmaalsdienst leiden. Ik behoef alleen maar de kwestie te noemen van de utrechtse studentenpastores, of men weet waarom het gaat. Buiten alle regels van kerkorde en kerkelijk gesprek om, doorbreekt men de institutionele kaders en meent men vanuit de eenheid in Christus te kunnen overgaan tot gezamenlijke eucharistiedensten.
Het behoeft niet te verbazen, dat daar toch ook in vele kringen grote vraagtekens gezet worden. Nog afgezien van de vraag of inderdaad de verschillen in Avondmaalsopvattingen verdwenen zijn — waarover men dacht ik niet te optimistisch moet denken; herinterpretatie van Trente is nog geen reformatie — is daar de vraag: Kan men zo maar overgaan tot oecumenische experimenten, terwijl er tussen Rome en Reformatie toch nog altijd een scherpe controverse is op vele punten. Leidt dit niet tot kerkelijke vrijbuiterij. Het utrechtse experiment van de studentendiensten demonstreert m.i. aan een praktisch punt waar men met het systeem van paraparochies en nieuwe gemeentevormen in terecht kan komen.
In de rubriek „Van week tot week" in het Geref. Weekblad van 21 maart schenkt de Kamper hoogleraar, prof. dr. N. H. Ridderbos aandacht aan deze zaak. Ook hij signaleert allerlei onduidelijkheden met name ten aanzien van de zaak zelf.
Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de zaak zelf, als verschijnsel, onbelangrijk zou zijn en dat hier niet meer duidelijkheid gewenst zou zijn. Ik bedoel nu niet zozeer duidelijkheid over de vraag, hoe een geref. predikant zijn positie ziet, als hij blijkbaar van de kerkelijke regel afwijkt en of de kerk van haar kant dan in dit opzicht geen duidelijkheid moet scheppen. Wat mij meer interesseert is de duidelijkheid van de zaak. Wat moeten wij ons er bij voorstellen, als een r.k. priester in een hervormde kerk „de eucharistie doet"? En wat als een geref predikant voor R.K. studenten „de mis bedient"? Gebeurt dat in beide gevallen volgens de R.K. liturgie? Treedt de predikant, m.a.w., eerst op als priester bij het altaar? En wat doet hij daar dan zolang hij nog „de mis bedient" en dus nog niet aan de communie toe is? En omgekeerd, als de r.k. priester in de Herv. eredienst „de eucharistie doet", brengt hij dan ook het altaar in die kerk? Of kan daar de communie plaats vinden zonder de mis? En wat is de veronderstelling als de predikant in de mis of de priester bij het avondmaal de woorden uitspreekt: dit is mijn lichaam? Als dat van de zijde van de r.k. priester géén transsubstantie-leer of formule (meer) is, maar een heenwijzing naar het eenmaal volbrachte werk van Christus en als de tegenwoordigheid van Christus niet door de offerhandeling van de priester tot stand komt, kan men dan nog in kerkelijke zin van intercommunie, intercelebratie etc. spreken? Of moet men zeggen: hier is een aantal gelovigen uit verschillende kerken het over de betekenis vem het avondmaal eens geworden en ze zijn alvast gestart als een nieuwe — ja wat eigenlijk? — kerk of kring of gemeenschap? Daar ligt natuurlijk de onduidelijkheid, die tot verwarring wordt als er dan van gezegd wordt: rooms-katholieke priesters en gereformeerde predikanten dragen samen de mis op of bedienen te samen het H. Avondmaal. Want vertegenwoordigen deze priesters daarin nog de R.K. Kerk en de predikanten de gereformeerde of de hervormde? Ik begrijp uit de vraag van ds. Ringnalda (samen met pater Oosterhuis), dat zij daarover zelf ook in het onzekere zijn. Hij vraagt wat het belijden van de kerk eigenlijk is. Voor de geref. kerk is dat niet onduidelijk, wat het H. Avondmaal aangaat. Daar komt geen priester en geen altaar aan te pas. Of dit voor deze mis-bedienende protestantse dominees ook nog duidelijk is? En in de R.K. kerk is men ook niet in het onzekere, wat de mis aangaat. Die kan niet zonder priester geschieden en daarin kan een protestantse dominee niet voorzien.
Inderdaad, men kan de Avondmaalsviering niet isoleren van kerk, ambt, kerkleer etc. Terecht waarschuwt Ridderbos er voor, dat men niet op de wijze van de studentenpredikanten naast de bestaande instituten een nieuw instituut opricht. Daarmee zou de zaak Rome-Reformatie niet gediend zijn, maar de verwarring alleen maar vergroot.

Een onjuiste weg.
De programma’s van IKOR/CVK voor de televise vormen nogal eens onderwerp van discussie. Het onbehagen daarover is bij velen zeer groot. Zeker, dat onbehagen wordt soms wel eens geuit op een wijze, die weinig opbouwend is, en waar de desbetreffende instanties weinig mee kunnen beginnen. Bij alle critiek die uitgebracht wordt zullen wij nooit mogen vergeten, welk een zware opgave het betekent via de publiciteitsmedia de buitenkerkelijke mens te benaderen met het Evangelie. Wie durft beweren dat hij in deze niet menigmaal verlegen staat? En hoe vaak moeten we niet in de benadering van de buitenkerkelijke mens tastend onze weg gaan.
Dat zullen we, dacht ik, eerlijk moeten overwegen, daarbij de hand in eigen boezem stekend. Pas dan hebben we het recht critisch te staan tegenover een apostolaire aanpak, die juist zo bitter weinig vanuit het Evangelie geschiedt, maar meer zijn uitgangspunt kiest in de situatie van de moderne mens. Wie op dit front niet strijd in de wapenrusting van het Woord Gods, is bij voorbaat verloren, hoezeer het ook zaak is de fronten te onderkennen.
Juist in de evangelisatiearbeid zullen we er voor hebben te waken niet door onze methoden de kerk en het evangelie ongeloofwaardig te maken. Dat geldt ook IKOR/CVK. In het Centraal Weekblad van de Geref. kerken heeft ds. J. Overduin een zeer lezenswaardig artikel geschreven over enkele programma's van het IKOR en het Convent van Kerken. Overduin is thuis op het terrein van vragen inzake de evangelistiek en de benadering van de buitenkerkelijke mens. Men denke slechts aan zijn boek „Tact en contact". In een evenwichtig artikel wijst hij aan waarom z.i. het programma „Kruisverhoor" een onjuiste weg is. Hij spaart het IKOR zijn critiek niet, maar hij doet het op een wijze, die getuigt van aandacht en belangstelling voor de zaak, met een open oog voor de vele vragen die hier liggen. Onder meer schrijft hij:
Weet u wat de kerk telkens weer een deuk geeft, en steeds meer ongeloofwaardig maakt en het gezag van Gods Woord ondermijnt? Allerlei goedbe­doelde teach-in's, forums en kruisverhoren. Het is me een raadsel dat instanties als Ikor en Convent van Kerken, die het visitekaartje van de kerk aan de wereld per t.v. moeten presenteren, het telkens op een wijze doen, dat de kerk weer zielig en hulpeloos voor de dag komt.
Iemand, die toch al vol misverstanden over en weerstanden tegen de kerk zit, wordt alleen maar versterkt in de juistheid van zijn stellingname.
Wanneer deze instanties, de belangen van de kerken, dat wil voor ons toch ten diepste zeggen, de belangen van het Evangelie hebben te behartigen, dan moeten zij dat op zodanige wijze doen dat niet het tegengestelde effect bereikt wordt. Ik spreek met nadruk over het feit, dat het uiteindelijk om het Evangelie gaat. De kerk los van Gods Woord stelt niets voor.
Nu ben ik blij dat prof. Berkhof opgehouden is met het kruisverhoor, dat enkele malen op zondagavond werd uitgezonden. Ik was juist van plan hem dringend te verzoeken zich voor zulke experimenten niet te lenen. Ik hoop van harte dat Ikor en C.v.K. andere wegen zullen zoeken om de wereld te dienen met het Evangelie. Men wil een eerlijke dialoog tussen kerk en wereld, geloof en ongeloof. Kans tot slagen is alleen aanwezig, wanneer aan enkele technische en ethische voorwaarden voldaan wordt. De dialoog moet gesprekstechnisch mogelijk en ethisch van beide kanten ernstig gezocht worden. Deze voorwaarden zijn niet of zeer onvoldoende aanwezig.
In een aantal punten geeft de schrijver ook aan, waarom de voorwaarden tot een echte dialoog niet aanwezig zijn, en waarom een dergelijk ondernemen een averechtse uitwerking heeft. Deze opmerkingen zijn van dien aard, dat niet slechts de betrokken instanties er hun winst mee kunnen doen, maar elk die met deze vragen te maken heeft.

Geen wezenlijke dialoog.
1° Het is een onmogelijke zaak in een korte tijd, tot een wezenlijke dialoog te komen.
2° Men krijgt ook meestal niet de indruk dat het van de kant van de „tegenstanders" om een dialoog te doen is. Dan zouden zij meer blijk moeten geven van een voorzichtiger en eerbiediger benadering van de problemen, en meer eerbied voor de overtuiging van anderen.
3° De voorzichtigheid en het begrip opbrengen komt meestal van één kant n.l. van de vertegenwoordiger van de kerk. Van de andere kant is men direct klaar met beschuldigingen van arrogantie, hoogmoed, onverdraagzaamheid en bekrompenheid. Voeg daarbij de toon en de blik van aggressiviteit. Wie het te doen is om een dialoog zal toch meer kritisch-informerend en minder aggressief moeten spreken.
4° Wanneer ik aan de teach-in's denk dan gebruikt men menigmaal wapenen, die een christen niet kan en mag hanteren. Je kunt niet met gelijke munt terugbetalen. Ik zeg het maar hardop: Hier is ook te groot niveau-verschil in beschaving.
5° Om nu een recent voorbeeld te nemen, waarom maakte prof. Berkhof soms een hulpeloze en weerloze indruk? Heus niet, omdat Berkhof niet bekwaam genoeg is. De vragen, die hem gesteld werden, heeft hij heel wat dieper, breder en intenser doordacht dan zijn opponenten. En toch die weifelende indruk.
Geen wonder. Achter elke vraag verbergen zich schuiten vol misverstanden. De verlegenheid ontstaat hierdoor, dat Berkhof in enkele minuten de zaak op z'n pootjes moet zetten, misverstanden weg moet nemen enz., hetgeen een onmogelijke zaak is. Je komt in een soort paniekstemming: „Waar moet ik beginnen? Ik heb wel een hele avond nodig om
alles recht te zetten. En dan doe je maar een slag, want je moet toch wat zeggen.
6° In een kruisverhoor wordt niets afgehandeld. Men vraagt bevredigende antwoorden, meestal categorische inplaats van gecompliceerde antwoorden. Kan een ingenieur bevredigend antwoorden in enkele minuten op vragen over ruimtevaart, computers en biochemie?
7° Onhoudbare posities, verkeerde conclusies, onjuiste denkschema's, beschamende zonden in daden en woorden, en niet het minst in nalatigheid en laffe aanpassing mag de kerk natuurlijk niet krampachtig goed praten of er over heen praten. Daar is het mij zeker niet om te doen, want deze zelfhandhaving in onwaarachtigheid zou de geloofwaardigheid en het gezag van de kerk nog meer ondermijnen.
Wij moeten wel prijsgeven elke onzuivere en onjuiste beantwoording van het Evangelie, maar nooit het Evangelie zelf, waar kerk èn wereld onder moeten komen. Onder het oordeel èn de genade. Het Evangelie slaat wel alle z.g. heilige huisjes zowel van traditionalisme als van hypermoderniteit neer, maar is veel te positief om ons alleen maar bij puinhopen te laten zitten. Dat leert Gods Woord ons wel. Als ik dat niet zeker wist, zou ik geen dag langer dienaar van het goddelijke Woord en daarin dienaar van die gebrekkige kerk willen zijn.
8° Een kruisverhoor is wel geen dialoog, maar de bedoeling is toch door zulk een uitdaging te komen tot een dialoog.
9° De kerken hebben de roeping de juiste weg en middelen te zoeken om de geloofwaardigheid van het Evangelie te versterken en niet af te breken. Waarvoor ben je anders kerk?
Duidelijk is hoezeer hier allerlei vragen meespreken. De vragen betreffen de gespreksvoering, de verhouding van dialoog en getuigenis, de schade die we als kerk en kerkmensen aan de zaak van het Evangelie kunnen berokkenen, enz. enz. Het is broodnodig, dat ook onder ons deze vragen doordacht worden, juist nu in vele van onze gemeenten door uitbreiding etc. het verschijnsel van de buitenkerkelijkheid zich meer en meer gaat voordoen, en we ook plaatselijk met dit alles te maken krijgen. Tradities brokkelen af. De saecularisatie dringt door, ook in onze gemeenten. Wij komen er dan niet meer met een herhalen van oude leuzen. Wij zijn ook niet klaar met negatieve critiek op de andere groeperingen in onze kerk, die het naar ons inzicht helemaal verkeerd doen. Ook wij hebben de roeping de juiste weg en middelen te zoeken om het evangelie zo te brengen dat we geen sta-in-de-weg vormen. Daarvoor biedt dit heldere artikel van ds. Overduin een goed uitgangspunt: Elke onzuivere beantwoording van het Evangelie dient prijsgegeven te worden, maar niet het Evangelie zelf, waar kerk èn wereld onder moeten komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's