De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De openbare belijdenis des geloofs

8 minuten leestijd

IX.
Het ware geloof
In het vorige artikel stonden we stil bij datgene, waarop ons ja-woord gevraagd wordt. Dat voorwerp des geloofs ligt niet in onszelf, maar in hetgeen God in Zijn Woord van Zichzelf geopenbaard heeft als de Grote Schepper aller dingen, als Degene, Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was en Die in den Heiligen Geest in zondaarsharten woont en werkt, ze levend maakt en ons leidt op den eeuwigen Weg.
Uit dit voorwerp des geloofs correspondeert de aard, het karakter van het ware geloof.
Een levende God vraag om een levend geloof. De waarachtige God vraagt om een oprecht geloof. Zoals licht en oog, geluid en oor op elkander afgestemd zijn, zo de enige en waarachtige God en het geloof, dat op Hem betrekking heeft.
Dat levende geloof is ook het werk van God Zelf. Het is het werk van God de Heilige Geest. „Het Woord Gods is wel een zon, die toestraalt allen, aan wie gepredikt wordt; maar het is zonder enige vrucht temidden van blinden. En wij zijn allen van nature in dit opzicht blind; daarom kan het in ons hart niet doordringen, tenzij de inwendige leermeester, de Geest, door Zijn verlichting, de toegang bereidt, " zo zegt Calvijn.
Een geloof, dat alleen verstandelijk instemt met de waarheid, zonder dat het hart uitgaat naar den Here, is geen waar geloof, omdat het God niet serieus neemt als de levende God.
Het is trouwens het kenmerkende van alle schijngeloof, dat het de levende God op een of andere manier niet ernstig neemt.
Wanneer de gevoelslaag van ons hart alleen oppervlakkig bewogen wordt door de aangename klank van het Evangelie, dan neemt die ontroering, hoe aantrekkelijk en hoe menselijk ook, het Woord van God niet naar alle kanten in volle ernst. Met name doet het tekort aan de volkomenheid van Gods gerechtigheid en heiligheid. Dan heeft ook het zondebesef maar een oppervlakkig en voorbijgaand karakter en is niet doordrongen van het ernstige en het erge, het diepschuldige en vermetele van de zonde, die „neen" zegt, waar God „ja" zegt en „ja" zegt, waar God „neen" zegt. Dan wordt ook niets gepeild van de noodzaak en van de aangrijpende diepte van het offer van Christus. Men heeft dan weinig moeite om te geloven, in de vergeving, omdat de schuld nooit echt wezenlijk en groot geworden is en daarom ook het hart nimmer verbroken werd.
Zo ook is het geen waarachtig geloof, wanneer het zich uitsluitend beperkt tot een beroep op Gods helpende macht in tijdelijke noden, omdat ook hier de macht Gods en Zijn goedertierenheid worden losgemaakt van het geheel van Zijn deugden en van Zijn ganse goddelijke Wezen.
Het ware geloof heeft dus betrekking op al wat God van Zichzelf bekend maakt (Zondag VII vr. 21). Het gaat aan de heiligheid van Zijn wet niet voorbij, om zich eenzijdig te beroepen op Zijn barmhartigheid. Het speelt de ongeschondenheid van Zijn recht niet uit tegen Zijn liefde, maar ook niet omgekeerd. Terecht zegt de Catechismus (Zondag VII vr. 21) dan ook, dat het geloof is „een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, wat God ons in Zijn woord heeft geopenbaard". De kennis, die hier bedoeld wordt, is een meer dan puur verstandelijke kennis. Deze laatste past niet op God en Zijn openbaring, zoals een valse sleutel niet op het goede slot past en een defect ontvangtoestel niet in staat is het uitgezondene op te vangen.
De kennis, die in Zondag 7 bedoeld wordt, is dan ook een levende kennis, die we niet aan vlees en bloed te danken hebben, maar aan Hem, Die verlichte ogen des verstands geeft en Die harten opent als dat van Lydia, om acht te geven op hetgeen van Zijnentwege gesproken wordt.
Het tweede hoofdbestanddeel van het geloof, naast de kennis, is het vertrouwen des harten. Om al weer met de Catechismus in de aangehaalde vraag te spreken: „een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil." Die kennis en dat vertrouwen hangen ten nauwste met elkaar samen. Ze vormen een twee-eenheid. Kort geformuleerd kunnen we het geloof zo beschrijven: „God zó kennen, dat we ons van harte aan Hem toevertrouwen."
Dat vertrouwen des harten kan zich immers alleen richten op een God, Dien we hebben leren kennen. Anders is het een slag in de lucht. Dan is het een soort luchthartig, maar ongegrond optimisme, dat meent, dat alles met ons toch wel goed zal aflopen, en dat het allemaal wel meevalt. Zo redeneert onze eigenliefde.
Het ware geloof maakt ernst met God, en met de zonde als zonde tegen God. En dan wordt het niet een vanzelfsprekende zaak, maar een groot wonder, dat er vergeving bestaat. En dat God Zelf daarvan getuigt in Zijn eigen Woord, in het Evangelie Zijns Zoons Jezus Christus. Dat wordt met recht een blijde boodschap, de blijdste boodschap, de wonderlijkste goede tijding, die in de wereld denkbaar is.
Het geloof heeft dan ook in het bijzonder betrekking op dat Evangelie, op die wonderlijke beloften Gods van verzoening en verlossing, vergeving en vrijspraak in Christus met behoud van de ongerepte handhaving van al Zijn deugden. Calvijn zegt dan ook: „Wij zeggen, dat het fundament des geloofs is de genadige belofte, omdat op haar het geloof eigenlijk berust. Want ofschoon het vaststelt, dat God in alles waarachtig is, hetzij Hij beveelt, hetzij Hij dreigt; ofschoon het ook Zijn bevelen gehoorzaam aanvaardt, op Zijn geboden acht geeft en Zijn dreigingen opmerkt: eigenlijk begint het toch bij de belofte, daarop berust het, daarin eindigt het."
Dit alles wordt alleen geleerd in de leerschool van de Heilige Geest. Want die Geest is het, Die in alle waarheid leidt, Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, Die het verstand verlicht en het hart levend maakt.
Hij ontneemt ons onze lust om ons vertrouwen op iemand of iets anders te stellen dan op Hem, Die in het Evangelie als een belovend God tot ons komt, zo zelfs, dat Hij van jongs af aan een goddelijk zegel aan het handschrift Zijner beloften heeft doen bevestigen. Maar juist dit zegel (het water) duidt ons klaar en duidelijk aan, dat wij op niets van onszelf kunnen bouwen, aangezien het allemaal bezoedeld is, omdat wij zelf onrein zijn.
In de Hervorming heeft men moeten leren, dat men niet op de kerk en haar priesterdienst kan vertrouwen, omdat al haar ceremoniële handelingen in zichzelf niets dan lege hulzen waren.
De humanist moet leren, dat wij niet op de nobele inborst van de mens kunnen bouwen. De werkelijkheid van de grote wereld rondom ons en van de kleine wereld in ons weerspreekt alle voos idealisme. De religieuze mens moet leren niet te vertrouwen op z'n mooie gevoelens. Ze zijn naar een beeld, dat ik ergens las, niet meer waard dan het behangselpapier, dat de muur wel een aangenaam aanzien geeft, maar er geen kracht aan verleent. Het gevoel is inderdaad aangenamer, maar het geloof is zekerder. En die muur des geloofs moet rusten op een onwankelbaar fundament. Anders gaat het huis toch scheuren en stort in.”
„Niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus" (1 Cor. 3 : 11). Maar dat is dan ook gelegd. Wij kunnen het niet doen en behoeven het niet te doen.
Het fundament, dat gelegd is, heeft goddelijke vastheid en zekerheid. Hetzelfde water, dat de ontoereikendheid aanwijst van al het onze, omdat het aangetast is door het bederf, zegt ons „in één adem" waar de rechte grond te vinden is, nl. in het werk Gods in Christus, in Wien al Zijn beloften ja en amen zijn.
Zijn werk is volbracht. Hij is de Rots der eeuwen, de Rotssteen, Wiens werk volkomen is.
De psalmdichters komen in hun bewogen liederen tot rust, wanneer zij welzalig roemen die „vast op Hem betrouwen" (Ps. 2 : 7 berijmd); of met psalm 84 eindigen: Welzalig, Heer, die op U bouwt, en zich geheel aan U vertrouwt. En Asaf sluit zijn 73ste psalm met al z'n inzinkingen en verheffingen af, met te zingen:
'k Vertrouw op Hem geheel en al,
den Heer, Wiens werk ik roemen zal.
(Slot volgt)                                              C. v. d. W.


In het in het vorig nummer geplaatste vervolgartikel kwamen enige storende drukfouten voor.
Op pag. 90, 1e. kolom, 3e regel van onderen staat: „door de lering van de 12 Artikelen des geloofs"; dit moet zijn: „door de lezing" enz.
Op pag. 90, 2e kolom, laatste alinea 3e regel staat: „het geloof in Gold"; dit moet zijn: „het geloof in God".
Op dezelfde pagina in de 2e kolom moet in regel 42 van boven staan: „En dat een zondaar die weg mag kennen, is alleen te danken aan het werk van God den Heiligen Geest, Die hij ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil". Er was van gemaakt: „Die Hij ons tonen" enz.
Met excuses aan de schrijver en de lezers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De openbare belijdenis des geloofs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's