De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Zilveren Koorde” (II)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zilveren Koorde” (II)

8 minuten leestijd

In het vorig artikel hebben wij gezien, dat artikel 36 tot de geloofsbelijdenis behoort en minder dan ooit valt te verwezenlijken. Verder, dat de commissie Van Walsum een oplossing heeft voorgesteld, die in veel opzichten recht doet aan de verplichtingen die de Overheid heeft ten opzichte van de kerk. Die commissie stelt een tegemoetkoming van 50 miljoen per jaar voor. Dit is ± 15% van de totale uitgaven van de gezamenlijke kerken. Dan blijft 85 % voor eigen rekening.
Intussen heeft de regering bij monde van minister Witteveen de Tweede Kamer laten weten, dat zij niets voelt voor het voorstel-Van Walsum. De regering wil de financiële verplichtingen afkopen. Wanneer dit voorstel van de regering wet wordt, is de scheiding van kerk en staat compleet.
In de brief van minister Witteveen staat, dat er een principiële scheidslijn behoort te lopen tussen maatschappelijke en culturele voorzieningen en het godsdienstig leven zelf. Immers, geloofsovertuiging en geloofsbeleving liggen bij uitstek in de persoonlijke sfeer. De gewetensvrijheid vraagt hier een volkomen vrije keuze van iedere burger. Daarom moet de Overheid zelfs de schijn vermijden invloed te moeten, te willen of te kunnen uitoefenen in de eigen sfeer van de kerken. Deze vraagt algehele vrijheid en zelfstandigheid.
Verder wil de minister gelijke subsidiëring voor de theologische hogescholen o.a. van Apeldoorn en Kampen, alsook subsidies voor kerkbouw en andere activiteiten.
Wat van deze gedachten te zeggen? In de eerste plaats, dat de financiële scheiding van kerk en staat in deze vorm en met deze argumentatie van een kabinet, waarin toch een aantal protestants-christelijke ministers zitten, bijzonder teleurstellend is.
Hebben deze ministers dan geen inspraak gehad in dit antwoord? Dat is niet aan te nemen. Want minister Witteveen schrijft namens de regering.
In ieder geval zijn de argumenten typisch liberaal: Godsdienst is een privézaak. Geloofsovertuiging en geloofsbeleving liggen in de persoonlijke sfeer. In deze redenering is geen draad meer over van art. 36 en wat meer is van de bijbelse notie, dat de Overheid regeert bij de gratie Gods.
Dat minister Witteveen bezwaren heeft tegen de subsidie van de kerken in de vorm van gelden voor intern gebruik, laat zich verstaan. De argumentatie van de minister moge aanvechtbaar zijn, de zaak zelf spreekt aan. Wanneer de Overheid de kerk van de Heere Jezus Christus niet kan en wil onderkennen en erkennen (en daar hebben wij het ten dele naar gemaakt), dan moet de kerk te fier en te onafhankelijk zijn om met de kunst enz. aan de staatsruif te staan. Voor mijn besef is het ontoelaatbaar, dat een kerk, die het geheim van haar oorsprong en roeping wil bewaren, zich laat degraderen tot een „algemeen belang" of een „stutting van de volkskracht" of iets dergelijks.
Wie de subsidie in de vorm van het rapport van de commissie-Van Walsum in deze situatie aanvaardbaar acht, ontkomt er niet aan op één lijn gezet te worden met de literatuur, de opera, enz.
Daarom is de suggestie van Ds. F. H. Landsman in Hervormd Nederland van 8-3-'69 bedenkelijk, wanneer hij schrijft: „Bovendien zou men, zoals ook bij de subsidie voor de kerkbouw het geval was, ook andere geestelijke gemeenschappen in het toelagebeleid kunnen betrekken". Dit betekent, dat voor b.v. het Humanistisch Verbond en andere gemeenschappen, ook een toelagebeleid zou kunnen worden opgeroepen.
Het is wel duidelijk, dat het rapport van de commissie-Van Walsum op deze wijze meer „haalbaar" wordt, maar mogen wij ons als kerk zo opstellen? Wat de volksvertegenwoordiging doet, is haar zaak. Maar de kerk kan en mag zich niet op deze wijze laten gelijkstellen met andere gemeenschappen, die een ander „evangelie" brengen.
Wat aanspreekt in het standpunt van de regering is, dat zij de kerk recht wil doen door uitbetaling van wat zij verplicht is. Het door de regering genoemde bedrag is echter uitermate schriel, dat daarover nauwelijks gedacht kan worden.
Hoe dit ook precies geregeld wordt, ik kan in principe geen onderscheid zien tussen het ontvangen van een jaarlijkse rente èn de uitbetaling van het totale bedrag in eens. In beide gevallen zal de vraag ernstig onder ogen gezien moeten worden of de Overheid aan de rechten van de plaatselijke gemeenten kan voorbijgaan. Daarover schreven wij reeds.
Zo’n „afkoop" kan verschillende voordelen hebben. Hoe wij het wenden of keren, geld is een heerszuchtige macht. Onder deze Overheid hebben wij geen directe beïnvloeding in de interne zaken van de gemeente te vrezen, hoewel de gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs ons uitermate voorzichtig moet maken inzake het beleid van de Overheid. Ik geef toe, dat de scholen niet met de kerk vergeleken kunnen worden. Maar de Overheidsbemoeiing via een subsidiebeleid is en blijft te vrezen. Dat is ook in de „gloriedagen" van art. 36 wel gebleken. De kerk dient altijd met of zonder zilveren koord vrij en onafhankelijk het Woord Gods te spreken. Het vergemakkelijkt haar positie, wanneer zij ook financieel geheel onafhankelijk is inzake bijdragen in bestuurskosten.
Daar komt bij, dat niemand weet hoe de Overheid er over enkele jaren zal uitzien. Mocht de ontwikkeling naar een staatssocialisme van binnenuit versnellen of door oorlog of bezetting van buitenaf worden opgelegd, dan is het een goede zaak, wanneer de kerk financieel geheel onafhankelijk is van de overheid.
Natuurlijk maakt 15 % nog geen 1/7 van de totale uitgaven uit. Daarom moeten wij deze bijdragen ook weer niet al te zwaar laten wegen.
Het zal de lezer niet zijn ontgaan, dat wij reeds bezig zijn in het praktische vlak te wikken en te wegen. Dat is in deze situatie ook niet anders mogelijk. Noch in het voorstel van de commissievan Walsum, noch in het antwoord van de minister van Financiën proeven wij iets van de inhoud van de geloofsbelijdenis.
Welnu, wanneer het praktisch dan toch deze kant uit gaat, laten wij dan tasten naar een oplossing, waardoor èn de Overheid op royale wijze aan haar verplichtingen voldoet èn de kerk haar vrijheid en onafhankelijkheid bewaart. Dan zal er nog veel gedacht en geschreven moeten worden om tot de praktische oplossing te komen.
Een aantrekkelijk punt in het antwoord van de minister is zijn voorstel om de theologische hogescholen van b.v. de Ger. Kerken en de Chr. Geref. Kerken dezelfde bevoorrechting te geven als de Herv. Kerk. In hoeverre daarop door de Ger. Kerken en de Chr. Geref. Kerken prijs gesteld wordt, is aan hen. Maar aan deze rechtsongelijkheid jaar en dag moet nodig een einde komen.
Tenslotte hebben wij er mee te rekenen, dat de tijd kort is. De Kerk Gods heeft een goede toekomst, ook al verschrompelt de kerk in haar aardse gestalte. Laten wij niet te veel tijd verdoen aan ideeën en idealen, die in de praktijk nergens op slaan. Want de kerk wordt tot een klein heiligdom teruggebracht. Een flinke susbidie of een uitbetaling van een totaal bedrag kan de kerk in de waan laten haar „vermaatschappelijking" voort te zetten en zich met honderd en één dingen bezig te houden zonder tot haar meest primaire opdracht te komen.
Onze kerk zucht onder een loodzware top, terwijl allerlei raden en organen aan het eigenlijke van het kerk-zijn voorbijgaan.
Een financieel krap beleid kan ons leren geen geld te besteden aan niet-primaire taken èn kan de gemeente leren haar levend geld voor de levende God op tafel te leggen. Daarin zit meer zegen dan in het leunen tegen de staatskas. Een kerk heeft zoveel geld als zij geloof heeft.
Dat deze hemelse Meester meer dan één hand heeft om ons dit geld aan te reiken, is waar. Ook de Overheid is één van Zijn handen. Wanneer deze overheid willig en bereid is om bij het bouwen van kerken voor één keer een bijdrage in de bouwkosten te geven, graag. Wanneer deze Overheid in de enorme verplaatsingen van mensen in uitgroeiende steden en dorpen voor één keer wil bijspringen, graag. Zo is er meer te noemen.
Maar het is de eer van de gemeente, wanneer zij zelf, levend van het Woord, in volkomen vrijheid door de prediking de religie voortplant van geslacht tot geslacht. Intussen blijft zij belijden, dat de Overheid geroepen is overal het Evangelie te laten prediken en dat zij niet geroepen is het Humanistisch Verbond en b.v. de Nederlandse Vereniging tot Sexuele Hervorming hun „evangelie" te laten verkondigen. Want hun „evangelie" is geen evangelie, maar een weg van God af.
Hier is het kiezen of delen. Wie hier deelt, verliest. Wie hier kiezen mag, omdat hij gekozen wordt, ontvangt uit verlies winst, tijdelijk en eeuwige winst. Dit geldt niet alleen van een persoon, maar ook van een gemeente, van een kerk. Durven wij deze ergernis nog midden in ons volk te laten liggen? Dan zullen wij in opspraak komen en misschien velen tegen ons innemen. Wanneer dat om Christus wil is, zal dit een eer zijn. Nog nooit heeft het Evangelie vorderingen gemaakt dan in de weg van aanvechting en bestrijding.
Het kan zijn, dat God ons ook op deze wijze beproeft.
K.a.Z.                                                                              G.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Zilveren Koorde” (II)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's