De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

16 minuten leestijd

Medische zending vandaag.
Het zendingstijdschrift „De Heerbaan" opent de twee en twintigste jaargang met een themanummer, getiteld „Genezing en heil", waarin de problematiek van de medische zending diepgaand onder de loep genomen wordt.
Allerlei problemen spreken hierin mee. Daar is het feit van de gewijzigde politieke situatie in de landen, waarin zending gedreven is en wordt. In plaats van de koloniale structuur de zelfstandige staat met een regering die gezondheidszorg als nationale taak ziet. Daar komt bij de gedachte van de saecularisatie die velen huiverig maakt om ziekenzorg, en medische wetenschap al te zeer te verbinden met de taak van de zending. Het blijkt niet zo gemakkelijk te zijn aan te geven wat nu een kerkelijk ziekenhuis is in onderscheid van b.v. neutrale ziekenhuizen. Wat is het specifieke van medische zending in verband met het doel van de zending? In welke zin is medische zending een aspect van het diaconaat van de kerk.
In Tubingen is van 1-8 september 1967 een consultatie gehouden van theologen en medici over het onderwerp „Genezing en heil". Genoemd overleg was de voortzetting van een in 1964 in dezelfde plaats gehouden conferentie. In 1964, Tubingen I, heeft men de theologische vraag gesteld: Heeft het Evangelie iets te zeggen over ziekte en gezondheid, over genezing en gezondheidszorg.
Tubingen II was geen specifieke zendingsconferentie, in de engere zin van het woord, want men hield zich bezig met de vragen van ziekte en gezondheid zoals die in de gehele wereld actueel zijn. Men zou ook kunnen zeggen: de verhouding van Evangelie en saecularisatie werd aan de orde gesteld. Prof. dr. E. Janssen Schoonhoven meent dat men in ruimere zin toch wel kan spreken van een missionaire „aangezien het erom ging, met het Evangelie door te dringen op de terreinen van de medische wetenschap en de gezondheidszorg, die overal in de wereld zulk een grote plaats innemen". Tubingen II was een voorbeeld van „zending in zes continenten".

Problemen van de medische zending.
Allerlei theologische problemen werden bezien, sterk op de praktijk gericht. Genoemd worden o.a.
1. De verhouding van kerk en geneeskunde berust in de praktijk nog altijd op de Cartesiaanse scheiding van lichaam en ziel. Aan de ene kant is er het ziekenhuis als een tempel van de moderne samenleving met de dokter als de priester waar alles om draait, waar lichamen gecureerd worden; aan de andere kant het kerkgebouw met de predikant of priester als centrale figuur, waar zielen verzorgd worden.
Maar èn de bijbelse theologie èn de filosofie èn de sociale wetenschappen èn de medische wetenschap zijn tot het inzicht gekomen, dat de mens een eenheid, een persoon is en dat lichaam en ziel (of geest, mind) als aspecten van het menszijn moeten worden gezien. Dat in de praktijk de dichotomie wordt gehandhaafd, betekent dus, dat de praktijk een heel stuk achter loopt op de inzichten van al de genoemde wetenschappen. Aangezien dit het centrale punt was in de consultatie, heeft lan T. Ramsay daarover een diepgravende filosofisch-theologische lezing gehouden, die in vertaling in dit nummer is opgenomen.
2. De mens is voorts een sociaal wezen. Hij kan niet los gezien worden van zijn gemeenschapsverbanden. Toch speelt de sociale geneeskunde nog maar een bescheiden rol; dit geldt ook van zendingsziekenhuizen.
Geneeskunde verstaat zichzelf nog maar al te veel als een wegnemen van kwalen, niet als genezing van mensen. Een ziekenhuis wordt gezien als een soort reparatie-werkplaats van menselijke lichamen. Door de specialisering en technisering van de geneeskunde neemt dit steeds toe. In de lezing van de Amerikaan Frederic Norstad, die in dit nummer is opgenomen, vindt u een verhaal over vier tieners, die na een nachtelijk auto-ongeluk in een ziekenhuis werden binnengebracht en na een bewonderenswaardige behandeling tenslotte weer „genezen" werden afgeleverd. Maar als men zich verdiepte in de menselijke situatie van die tieners, moest de vraag wel rijzen: waren ze werkelijk genezen? Waren niet alleen de gevolgen van de kwaal gecureerd, terwijl de kwaal zelf onverminderd was blijven bestaan?
3. Onze ziekenhuizen interesseren zich voornamelijk voor de gevallen waaraan wat te doen valt, niet voor de ongeneeslijken en de stervenden. In Engelse ziekenhuizen, zo hoorden we, zijn de woorden „sterven" en „dood" taboe, men spreekt er van „terminall illness". Als een dokter met een stervende te maken krijgt, kijkt hij naar symptomen waaraan nog wat te doen valt; het probleem van het sterven wordt omzeild. De consulatie die van de mens als persoon wilde uitgaan, zag zich daarom gedrongen, de menselijke problemen van lijden en dood in het oog te vatten.
4. Een geheel ander probleem is dat van de verdeling der medische faciliteiten over rijke en arme landen. De kosten van de medische verzorging in de rijke landen worden steeds hoger, worden er reeds een politiek probleem (vgl. de moeilijkheden en conflicten rondom de ziekenfondsen); de arme landen krijgen daardoor relatief steeds minder. Wanneer men b.v. een rijk land van voldoende uitrusting voor kunstmatige nier-behandeling zou willen voorzien, zou dit evenveel kosten als de hele tegenwoordige gezondheidszorg van een ontwikkelingsland met een even grote bevolking. Heeft een mens recht op optimale gezondheidszorg? Zo ja, waarom dan in het ene land wel, in het andere niet?
5. Dit hangt samen met de steeds meer veldwinnende opvatting in onze geseculariseerde samenleving, gezondheid als hoogste goed te beschouwen. Daartegenover stelde „Tubingen II" vanuit het Evangelie de vraag: „Health — what for?"
6. De medische ontwikkelingen op de terreinen van de orgaantransplantaties en van de genetica zullen dokters meer en meer tot arbiters over leven en dood maken. Zij komen daardoor voor beslissingen te staan, waarvoor hun wetenschap hun geen normen geeft. Waar moeten de normen vandaan komen?
7. Wie heeft het antwoord? Men zou het van de kerk kunnen verwachten. Maar de kerk heeft zich meestal onttrokken aan elke confrontatie met de biologische wetenschappen en in haar eigen ziekenhuizen heeft, zij maar al te zeer onkritisch het medische systeem overgenomen.
Duidelijk blijkt dat hierin meespreekt de waardering van de medische wetenschap. Wat zijn haar grenzen? Hoe moeten we deze waarderen in het licht van het Evangelie? In dit verband schrijft Janssen Schoonhoven:
Misschien lijkt het, alsof de consultatie zich alleen maar kritisch tegenover de moderne geneeskunde opstelde, maar niets is minder waar. Over „gebedsgenezing" is vrijwel niet gesproken en de moderne wetenschappelijke geneeskunde werd dankbaar aanvaard. Alle genezing is van God, ook de moderne wetenschappelijke middelen tot genezing. Dankbaar werd ook erkend, dat er in de geneeskunde zelf tendenzen zijn die de persoon in zijn gemeenschapsverbanden recht willen doen. In mijn eigen bijdrage aan het rapport heb ik het zo gezegd: „Wij waarderen de moderne geneeskunde met dankbaarheid in haar strijd tegen ziekte en lijden en voor het leven. Wij zouden de moderne geneeskunde willen zien als een bondgenoot in de strijd van het Koninkrijk Gods in deze wereld en wij zouden haar representanten willen oproepen om hun wetenschappelijk onderzoek en hun medische praktijk te gaan zien in dit alomvattende verband. Natuurlijk zou dit betekenen, dat zij ook bereid zijn te luisteren naar de kritiek van het Evangelie op alle menselijk streven en dus ook op het hunne".
Het moge elk duidelijk zijn welke belangrijke vragen in dit nummer van „De Heerbaan" worden aangeroerd. Niet alleen voor de zending en het werelddiakonaat, maar in het algemeen voor de vraag: Hoe hebben we de problemen rondom ziekte en genezing te bezien vanuit het Evangelie?

Waarachtigheid.
Ds. H. J. Hegger schrijft in het aprilnummer van „In de rechte straat" een artikel naar aanleiding van het boek van Hans Küng, Waarachtigheid. Küng gaat in dit boek o.a. na waarom juist onze tijd pleit voor duidelijkheid en waarachtigheid. Hegger geeft de volgende weergave:
Het eerste hoofdstuk luidt: „Het pathos van de waarachtigheid in de twintigste eeuw". Daarin zegt hij o.a.:
„Ook de twintigste eeuw is vol van allerlei onwaarachtigheid, onoprechtheid, huichelarij. Kan onze eeuw — met behulp van de enorme technische middelen — niet beter liegen dan ooit een van de vorige eeuwen". „En toch: bij een opsomming van de karakteristieken van deze twintigste eeuw zou men beslist één punt niet kunnen overslaan: het nieuwe pathos van de waarachtigheid" (pag. 23). Küng wil dan in zijn boek het pleit voeren voor de waarachtigheid, die volgens hem bestaat in: „die grondhouding waarin een individu of gemeenschap ondanks moeilijkheden voor zichzelf waar, doorzichtig blijft, met zichzelf overeenstemt: de volledige eerlijkheid tegenover zichzelf en daarmee dan ook tegenover de medemensen en tegenover God, de volledige eerlijkheid in denken, spreken en handelen" (pag. 29).
Ook wij hebben ons dikwijls de vraag gesteld, onlangs nog in de brochure „Onrecht in de naam van Christus", waarom vele kerken ook op dit gebied weer achteraan moeten komen. Overal klinkt de roep om duidelijkheid en waarachtigheid, met name in de politiek. En vele kerken zijn nog altijd druk bezig met het leggen van rookgordijnen, om hun eigen belijden en bedoelingen zoveel mogelijk te verdoezelen.
Als historische achtergronden van de verwaarlozing van de waarachtigheid noemt Küng de opkomst van de casuistiek, de gevallen leer. „De leugen is opzichzelf slechts dagelijkse zonde". Deze r.k. leer noemt Küng een van de voornaamste redenen van de aantasting van de waarachtigheid.

Huichelarij en waarheidsfanatisme.
Hegger acht het boek van deze bekende r.k. theoloog ook voor protestanten bijzonder belangrijk. Waarachtigheid is immers eis van het Evangelie. Dat heeft konsekwenties.
„Als men in de katholieke kerken soms de waarheid heeft doodgereden, doordat men haar op onwaarachtige wijze verkondigd en verdedigd heeft, heeft men omgekeerd in de evangelische kerken veelal de waarachtigheid (het „geweten") ad absurdum (= tot in het ongerijmde) doorgetrokken, doordat men haar verabsoluteerd en geïsoleerd en zo tenslotte van alle waarheid, van de werkelijkheid die zij moet uitzeggen, losgemaakt heeft. Wordt de waarachtigheid verwaarloosd, dan komt men tot huichelarij. Wordt ze overdreven, dan komt men tot een vernietigend waarheidsfanatisme" (pag. 50).
Ik meen dat Küng hier rake dingen zegt, die wij ons moeten aantrekken. Want dit waarheidsfanatisme is de oorzaak van zoveel nodeloze verdeeldheid in het protestantisme.
Sommigen zullen antwoorden: maar je kunt toch niet te waarachtig zijn! Dat dacht ik vroeger ook. Maar weet u dat in de Bijbel staat: Weest niet al te rechtvaardig" (Pred. 7 : 16)? Ook hier zou je kunnen vragen: maar hoe kan iemand nu te rechtvaardig zijn? Rechtvaardigheid is toch, evengoed als de waarachtigheid, een deugd en daar kun je toch nooit te veel van hebben?
Op zichzelf is dat ook zo, maar toch kunnen deze deugden in het persoonlijke vlak overtrokken worden. Dan zijn het misgroeiingen van de deugd en dus in feite weer een ondeugd, nl. een fanatisme, dat bitter en liefdeloos is.
We releveren graag deze bespreking van Küng's boek om aldus de lezers attent te maken op dit werk. Wie kennis wil maken met een van de meest progressieve theologen binnen de r.k. kerk leze dit boek. Uiteraard is Küng niet de r.k. kerk. Uiteraard is hij niet los te denken van de r.k. kerk en haar leer. Maar dat een r.k. theoloog zo schrijven kan over zijn kerk en haar leer, geeft toch te denken. Geen wonder, dat in het gesprek tussen Rome en de Reformatie Küng telkens weer genoemd wordt.

Prof. Smits wil dialoog vrijzinnigen-gereformeerden
Ter informatie van onze lezers geven wij onderstaand intervieuw met prof. Smits door, dat wij aantroffen in het dagblad Trouw van 1 april ll. Het geeft een bijzondere kijk op de ontwikkeling van de Hervormde Kerk en de Geref. Kerken. Daarop komen wij D.V. terug in enkele artikelen.
De als links-vrijzinnig te boek staande prof. dr. P. Smits durft er zijn hand voor in 't vuur te steken dat prof. Kuitert goed gereformeerd is. Hij zegt dit in antwoord op een vraag van drs. G. Puchinger, die met de Leidse godsdienstsocioloog heeft gesproken over de verhouding hervormd-gereformeerd en die van dit intervieuw in het maandblad van de reünistenorganisatie der SSR uitvoerig verslag uitbrengt. Prof. Smits zegt verder van Kuitert, dat hij één van die nog zeldzame gereformeerden is die in staat zijn een werkelijke dialoog met vrijzinnigen te voeren. Op een mogelijke dialoog tussen vrijzinnigen en gereformeerden komt prof. Smits terug, wanneer hij ingaat op deze vraag van de heer Puchinger: heeft u als vrijzinnige belang bij toenadering tussen de hervormde kerk en de gereformeerde kerken? Prof. Smits: „Om te beginnen heb ik er als Nederlander een uitgesproken belang bij dat er van de kerken in Nederland een gemeenschapsstichtende invloed uitgaat en als zodanig lijkt het mij een nationaal belang van de eerste orde dat de tragische scheiding tussen het hervormde en gereformeerde volksdeel in de naaste toekomst wordt ongedaan gemaakt! Als lidmaat van de Herv. Kerk voeg ik daar nog aan toe, dat het mij juist vanuit dit gezichtspunt 'n geloofsplicht van alle hervormden en van alle gereformeerden toelijkt om de dogmatische en andere obstakels voor een hereniging weg te nemen. Wanneer ik nu nog weer eens denk aan wat ik daarnet gezegd heb over de uitkomst van allerlei sociologische onderzoekingen, waaruit bleek dat met name de synodaal-gereformeerden zich minstens zo sterk als de hervormde midden-orthodoxie kenmerken door 'n progressieve levenshouding, dan ben ik er van overtuigd dat stellig tussen de hervormde midden-orthodoxie en de syndonaal-gereformeerden een aantal belemmerende niet-theologische factoren voor de toenadering aan het wegvallen zijn. Als vrijzinnige zou ik heel eerlijk hier nog twee opmerkingen aan toe willen voegen.
Mijn eerste opmerking is: dat ik als vrijzinnige ook andere dan nationale belangen op geestelijk terrein bijzonder belangrijk vind. Als ik mij in de trant van de evangelische Erasmus reken tot de bijbelse christen-humanisten, is voor mij de huidige gescheidenheid en vervreemding tussen de christenhumanisten en de buitenkerkelijke niet-christelijke humanisten in zoverre een abnormale situatie, dat hier elke echte dialoog ontbreekt! Dat vind ik nu een probleem, temeer omdat een groot deel van de niet-christelijke humanisten tot de kerkelijke „geloofsafval" behoort.
Mijn tweede opmerking betreft de plaats die de vrijzinnigheid in de toekomst zou krijgen, als gevolg van een eventuele hereniging van beide kerken. De hervormden zijn op dit ogenblik grotendeels van mening dat de gereformeerden een hereniging met de vrijzinnigen niet zullen kunnen aanvaarden. Maar ik zelf zie hier een andere mogelijkheid, die voor mijn besef professor Kuitert zo overtuigend belichaamt: namelijk dat gereformeerden en vrijzinnig-hervormden tot een zodanige dialoog komen, dat er geen twijfel aan het christelijk gehalte van de vrijzinnigen overblijft.
Maar één ding staat voor mij bij zo'n dialoog dan wel vast: en wel dat deze de theologie noch van de vrijzinnig-hervormden noch van de gereformeerden onveranderd zal laten, maar juist in nieuwe beweging zal brengen.
Deze hele zaak heeft ook een uitermate actuele praktische kant, wanneer we denken aan het probleem van de verzuiling. Ik denk hier ook met name aan veranderingen op het terrein van de confessionele partijvorming, van het onderwijs en van de omroepen. Thans reeds vindt er op deze praktische terreinen een toenemende samenwerking plaats tussen hervormden en gereformeerden. En deze praktische samenwerking heeft ook haar theologische consequenties.”
Drs. Puchinger brengt ook ter sprake dat het breed moderamen van de hervormde synode aan prof. Smits de emiritaatsrechten heeft ontnomen, in verband met diens opvattingen over de verzoeningsleer; de discussie vlamde op nadat prof. Smits in dit verband de woorden „geef mijn portie maar aan fikkie" had geschreven. Prof. Smits („wanneer ik bijvoorbeeld aan Geelkerken en Schilder denk, zeg ik: zij hebben precies hetzelfde ondervonden als ik, namelijk: dat het nooit tot een werkelijke dialoog en een echt gesprek over hun wezenlijke geloofsmotieven is gekomen") merkt op: „Naar mijn overtuiging is zonde in zijn religieuze kern de erkenning van een wezenlijk tekort, doordat men nog niet zijn eigenlijke roeping als mens verwerkelijkt heeft, maar slaat het woord niet allereerst op alles wat in morele zin fout is in ons leven. En daarom wijs ik ook de conclusie af die iemand als prof. Berkhof in 1953 bij de bekende stormramp in Zeeland trok uit de kerkelijke verzoeningsleer: namelijk dat die stormramp ons kwam herinneren aan de onverdiendheid van ons menselijk bestaan. Hij bedoelde daar namelijk mee: dat wij door de zonde het recht op verder leven hebben verspeeld.
Mijn bezwaar tegen deze gedachtengang wordt nog door een andere overweging versterkt, namelijk door het feit dat Jezus en Paulus spreken over de diverse menselijke zonden, zoals dronkenschap, overspel, leugenachtigheid, alsof al deze verkeerde menselijke handelingen op een vrij wilsbesluit zouden berusten, wat weer zou inhouden, dat als iemand iets verkeerds doet, dat tegelijk betekenen zou dat zijn gezindheid moreel fout is. Maar de hele moderne psychologie en haar toepassing is een afdoend bewijs voor de onjuistheid van het directe verband dat hier verondersteld wordt tussen iemands daden en zijn morele gezindheid.
Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de bijbelschrijvers in dit opzicht kinderen van hun tijd waren. Om misverstand te voorkomen wil ik hier nog aan toevoegen dat ik indertijd in mijn artikel ten onrechte de gedachten van Paulus te veel vereenzelvigd heb met de gesystematiseerde traditionele kerkelijke verzoeningsleer. En ik hecht er persoonlijk grote waarde aan toch wel even nadrukkelijk uit te spreken, dat de oude verzoeningsleer naar mijn besef wel diepzinnige gedachten bevat, als ik haar mag verstaan als de symbolische overdracht van de oudtestamentische offergedachte op Christus als het Lam Gods."

Goed nieuws
Hoofdredacteur J. Noordmans schrijft in de Leeuwarder Courant: „Er zijn gereformeerden, die het pas gepubliceerde rapport van de gereformeerde kerken (bedoeld is het deputatenrapport, dat op tafel van de synode is gelegd, red.), over oorlog en vrede een nietszeggend stuk hebben genoemd, omdat het niet tot een duidelijke eensgezinde uitspraak over de kernbewapening komt. Het is echter al veelzeggend, dat in de gereformeerde kerken geen eenstemmig oordeel meer heerst over bewapening in het bijzonder en dat er zich vier verschillende opvattingen openbaren: van geweldloze weerbaarheid tot het eventueel gebruik van atoomwapens als „satanische machten zich ongebreideld op aarde zouden dreigen te manifesteren". Daar wordt echter uitdrukkelijk aan toegevoegd, dat de wereldsituatie ondanks het bestaan van anti-christelijke machten in oost en west thans geen gebruik van atoomgeweld rechtvaardigt. Het rapport distancieert zich van de vroegere afwijzing van het pacifisme in de gereformeerde kerken. Het beveelt aan om de synode-uitspraak van 1968, dat dienstplicht geboden zou zijn, terug te nemen. Het wil ook beraad over de vraag of het synode-besluit van 1936, waarin „anti-militairistische verwerpingen van oorlog in elke vorm" een onschriftuurlijke dwaling wordt genoemd, wel juist is geweest. De oude krijgshaftigheid van de gereformeerde mannenbroeders heeft haar glans verloren. In plaats van de oude zekerheid en eensgezindheid ten aanzien van het gebruik van het zwaard is ook in de gereformeerde kerken heilige twijfel en weldadige onenigheid ontstaan. Daarom bevat dit stuk wel degelijk nieuws. Goed nieuws zelfs.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's