De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE APARTHEID IN ZUID-AFRIKA

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE APARTHEID IN ZUID-AFRIKA

8 minuten leestijd

II.
De vorige week werd uiteengezet, dat wat van buiten Zuid-Afrika aan deze staat wordt gesuggereerd, niet uitvoerbaar is. Terugtrekken van de blanke bevolking is niet mogelijk. Aan de talrijke niet-blanken met hun doorgaans lage cultuurpeil gelijke rechten geven is onder de huidige omstandigheden ook niet mogelijk. Zuid-Afrika zocht het, zo werd gezegd, in de apartheid, waarbij het — in principe — niet gaat om een meer en minder, maar om een anders.
Moeilijkheden zijn er daarbij te over. Hoe maakt men de Bantoes uit hun (sociale) omgeving los zo, dat ze zich in zo'n stamland kunnen vestigen? Hoe brengt men ze het verantwoordelijkheidsbesef bij, dat voor de goede gang van zaken in zo'n gebied aan het begin en tijdens de ontwikkeling nodig is? Hoe moet men in dit beleid aan met de Kaapse kleurlingen, die een hoog intelligentiepeil hebben en zich door de apartheidswetten bij de naturellen (niet-blanken) zagen ingedeeld? Hoe moet het met de nieuw te scheppen Bantoe-bovenlaag van intellectuelen die op de drie gestichte Bantoeuniversiteiten worden gevormd en waar buitenom op den duur geen beslissingen zullen kunnen worden genomen? In het algemeen: hoe realiseert men dit? Dit zijn vragen, waar de Zuidafrikaanse regering zich voor gesteld ziet, waarvan de oplossing behalve veel tact ook veel kennis van zaken vereist — die men in het algemeen buiten de Zuidafrikaanse Republiek niet toont.
Daarnaast zijn er in de toestand, zoals hij nu is, allerlei moeilijkheden met de maatregelen, die dienen om de „stamlandsituatie" in te leiden. Door blank en gekleurd reeds nu zoveel mogelijk uit elkaar te houden, wil men alle groepen van de bevolking a.h.w. op die situatie voorbereiden. Deze inleidende maatregelen kan men samenvatten onder de naam mini-apartheid of infra-apartheid of iets dergelijks. Zij moeten worden gezien als een begeleidend verschijnsel van het apartheidsbeleid.
De infra-apartheid moet het algemene beleid dienen en steunen. Allereerst zijn bij de grote steden voorlopige onderkomens of „lokasies" voor de Bantoes ingericht, die zich overigens zeer gunstig onderscheiden van de krottenwijken die door de voorheen ongecontroleerd toestromende Bantoes waren gebouwd. Wie in zo'n lokasie rondkijkt, raakt onder de indruk van wat er wordt verricht.
Voorts houdt de infra-apartheid in: op stations, postkantoren en bankgebouwen aparte ingangen en loketten voor blanken en niet-blanken; in treinen aparte wagons; voor bussen soms heel aparte begin-en eindpunten, of aparte lijnen.
Het is juist deze infra-apartheid, zo sterk zich uitend in het openbare leven, die de buitenwacht het meest irriteert, omdat ze het meest opvalt. Van het algemeen beleid dat er achter zit, en van de bedoeling daarvan heeft men maar een flauw besef, of in het geheel geen besef. Men zoekt achter die praktijkmaatregelen als bedoeling uitsluitend een zich handhaven van een blanke minderheid tegenover een grote niet-blanke meerderheid. En dan lenen minder gelukkige voorvallen bij de infra-apartheid er zich uitstekend toe, van de hele zaak een theatraal-vertekende indruk te geven, van huilerige damesweekblad-verhalen tot vernuftige verzamelingen van citaten-uit-gesprekken, die natuurlijk onmogelijk grote lijnen kunnen geven, doch niet anders dan details, die subjectief uitgezocht of gerangschikt en vaak oncontroleerbaar zijn.
Of er dan helemaal geen bezwaren aan te voeren zijn?
Onder het noodzakelijk voorbehoud van niet meer dan een vluchtige, persoonlijke indruk weer te kunnen geven moet ik zeggen: zeker wel.
Eerder werd al genoemd: de moeilijke positie van de Kaapse kleurlingen nu, en van een intellectuele bovenlaag onder dé Bantoes in de toekomst. Beslissingen worden ook voor hen, over hen maar . . . zonder hen genomen, wat in latere stadia steeds moeilijker zal worden, èn praktisch èn moreel. Want van de twee hoofdmotieven tot apartheid: de andere geaardheid, en het lagere cultuurpeil, is het in het bijzonder het tweede, dat nu een niet-mee-laten-beslissen door de Bantoes rechtvaardigt. Maar juist dat verschil in cultuurniveau zal steeds kleiner worden. Men zal de niet-blanken het mee-beslissingsrecht niet blijvend kunnen onthouden. Het zal veel tact vereisen, te zorgen dat in dat stadium de wensen en verlangens van blanken en niet-blanken enigszins parallel zullen lopen.
Verder: de wereldopinie verzet zich tegen het apartheidsbeleid. Het is wel zeker, dat dit verzet voos en onwaarachtig genoemd kan worden: het lijkt zo humaan, maar er zou wel eens een kwaad koloniaal geweten achter kunnen schuilen; het verzet wordt stellig mede gevoed door gevoelens van naijver tussen het westelijk (Amerikaanse) en het oostelijk (Russische) blok, in het dingen naar de gunst van de gloednieuwe Aziatische en vooral Afrikaanse staten; de rest van de wereld heeft makkelijk praten vanuit haar eigen veilige gevestigde situatie. Maar Zuid-Afrika doet te weinig moeite, die wereldopinie te beïnvloeden door op een verstandige, aan de gevoelens van het buitenland aangepaste manier zijn goede bedoelingen en praktijken wereldkundig te maken. Het toont, onder een onredelijke bejegening kalm en bedaard te kunnen blijven — wellicht nog door verwantschap met de Hollandse nuchterheid? — en zou deze goede eigenschap in een positieve voorlichting van de buitenwereld veel meer, en met succes, kunnen aanwenden dan het nu doet.
Tenslotte maakt de blanke bevolking — ik schrijf het met spijt neer — nogal eens de indruk, een economisch-cultureel omhoog komen van de niet-blanken psychologisch nog niet goed te kunnen verwerken. „Het kwaad ligt niet bij het beginsel" van de apartheid, zo schrijft prof. Serton in zijn voortreffelijke boek in de Terra-reeks over Zuid-Afrika, „maar in het feit, dat de negatieve elementen van de politiek zoveel gemakkelijker en sneller tot uitvoering komen dan de postieve, waarmee zij onverbrekelijk verbonden behoorden te zijn”.
Ook in de infra-apartheid treft men dingen aan waarvan men zegt: „waarom moet dat nu". Op een gegeven moment zomaar het Hertzogplein te Bloemfontein voor naturellen gesloten te verklaren, lijkt voor ons geen enkele zin te hebben.
Maar wij willen ons niet door details, die heus wel eens krom zijn, laten afleiden. Wie zich dat laat doen, verzeilt onherroepelijk in schromelijke onbillijkheden, leent het oor aan een publieke wereldopinie die meer door emoties dan door correct geïnterpreteerde feiten wordt bepaald en maakt, voor zover met de toestanden uit eigen aanschouwing bekend, de indruk geen bijzaken van hoofdzaken te kunnen onderscheiden. Anderzijds moet Zuid-Afrika slordigheden in de infra-apartheid natuurlijk vermijden, wil men in zijn vertogen naar buiten toe niet ongeloofwaardig worden. Maar dan moet men buiten Zuid-Afrika ook een en ander willen geloven. Het algemeen beleid verdient veel meer welwillendheid dan het buiten Zuid-Afrika wordt betoond.
Hoe is nu de houding van de kerken in de apartheid?
Er is wel enig verschil tussen de Engelstalige en Afrikaanstalige kerken, teruggaand op de verschillen zoals die tot voor betrekkelijk kort tussen de Engelssprekenden en de Afrikaanssprekenden lagen. Nu worden die verschillen door de agressieve houding van de buitenwereld minder. Maar, zeker vóór de algehele zelfstandigheid van Zuid-Afrika in 1960, voelden de Engelssprekenden toch nog enigszins Engeland als hun thuisland; de binding van de Afrikaans-sprekenden aan Zuid-Afrika zelf was dus vanzelf sterker. De Engels-sprekenden riskeerden daarom niet zoveel door wat minder afwijzend tegen gehele of gedeeltelijke „integratie" (opneming) van de Bantoes in het sociale geheel te staan. Bovendien was het terugtrekken van Engelsen uit hun koloniën in het algemeen na de laatste oorlog schering en inslag, en een zaak die door het Engelse volk althans in meerderheid toch wel geaccepteerd werd: „Engeland houdt uitverkoop" (nl. van zijn koloniën), zei men in die tijd.
Zo kon men de eerste tijd na de invoering van de apartheidswetten de enkele leidende figuren in de kerken die zich tegen de apartheid verklaarden vooral in de Engelssprekende kerken aantreffen. Ook vond men er wel in de grote N.G.-kerk (Nederduits Gereformeerde kerk), omdat die minder een speciaal Transvaals karakter draagt, dus een minder anti-Engels verleden heeft dan de Nederd. Hervormde kerk. Overigens gold deze oppositie dan meer het apartheidsbeleid van de regering, niet de apartheid als zodanig — die werd en wordt door voor- en tegenstanders van de regeringspolitiek algemeen aanvaard.
De Nederduits Hervormde kerk is vanouds meer en sterker geconfronteerd met de verhouding tussen (Transvaalse en „Vrijstaatse") Boeren en kaffers. Het is te begrijpen, dat daar in het bijzonder is gepoogd, onder de apartheid en het apartheidsbeleid een theologische basis te schuiven. Wat men daarvan gewaar wordt, is niet bijzonder overuigend. Dat de Here de torenbouw van Babel verhinderde door spraakverwarring (Gen. 11 : 4-8) was niet — in alle eerbied gesproken — zo maar eens een idee van God, omdat Hij de veelvormigheid liever had dan de eenheid, maar een straf op de hoogmoed der mensen. Ook Hand. 17 : 26, „(God) heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt . . . en heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald", is een wat wonderlijke hoeksteen voor een theologisch fundament voor de apartheid.
Liever denken wij dan aan een snedige opmerking van een onzer predikanten, die in een duscussie over een ethisch onderwerp aan de spreker, die schermde met het liefdegebod, toevoegde dat hij in het betoog het bijbelse grondbegrip gerechtigheid had gemist. Dit grondbegrip mede betrekkend op de Zuidafrikaanse situatie, ondersteunt de eerder vermelde gedachte van prof. Van Riessen, dat gelijk recht voor allen onrecht voor de zwakkeren zou betekenen.
Tenslotte: de blanke bevolking van Zuid-Afrika is voor een groot deel ons vlees en bloed. Uiteraard rechtvaardigt dat op zichzelf niets. Maar wel mogen wij daarom ons betrokken voelen bij de ernstige pogingen van dit volk, zijn interne problemen op te lossen op een wijze die tegelijk rechtvaardig en praktisch uitvoerbaar is. Daarbij moeten wij ons niet bij de neus laten nemen door een publieke opinie, die gevormd wordt door voorlichting van zeer dubieus gehalte.
Arnhem                                                                                   G.B. Smit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE APARTHEID IN ZUID-AFRIKA

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's