De Erskine’s en hun prediking
Enkele hoofdmomenten (II)
Nadat we in het voorgaande gezien hebben, hoe de wet en de belofte functioneren in de preken van de Erskine's, zullen we in dit afsluitende artikel vooral het licht laten vallen op een ander centraal thema in deze preken, nl. dat van het geloof. Onvermoeibaar zijn de Erskine's bezig met dit onderwerp. Ze schijnen er nooit genoeg van te krijgen het hun hoorders in te scherpen, dat het geloof de enige weg is om deel te krijgen aan de belofte, aan Christus, Die de inhoud van al Gods beloften is. Een zaak, die de werken van deze predikers zo door en door reformatorisch maken.
We letten nu achtereenvolgens op wat gezegd wordt over het geloof, het gevoel en in verband daarmede de geloofszekerheid en de uitverkiezing.
Het geloof
Belofte en geloof zijn ten nauwste op elkaar betrokken. „De enige weg om deelgenoot te worden van de weldaden, die in de beloften worden voorgesteld, is het geloof of het vertrouwen op de getrouwigheid van de Belover" (preek over Ez. 36 : 25). Welnu, de belofte is gedaan aan grote zondaars, aan mensen, die de beloofde zaak nog missen. De grote belofte: Ik zal U tot een God zijn", heeft haar opzicht (heeft betrekking) op degenen, die God missen, gelijk wij allen van nature doen" (preek Gal. 4 : 28). En in dezelfde preek: Zo zeg ik ook: U komt de belofte toe", man, vrouw, aan U, o zondaar, wie gij ook zoudt mogen wezen, gij hebt er zulk een recht van toegang op, dat het U geoorloofd is om dezelve te omhelzen; ja, gij wordt geboden dezelve te geloven tot Uw zaligheid". Het recht en de grond voor het geloof, ook het bevel tot het geloof, het hangt alles aan de belofte zelf. En „het is de eigenschap en de aard van het geloof, dat het met ledige handen komt zonder de wet of zonder verwachting uit de werken daarvan; en ledig zijnde van eigen werken en gerechtigheid, zo is het bekwaam om de gerechtigheid van een ander aan te nemen." Nu dan: Omhels de belofte zonder dralen!" Gods belofte niet aannemen en die door ongeloof verwerpen, dat is God tot een leugenaar maken, Zijn Woord tot een leugen en Zijn belofte tot een onwaarheid.
Het geloof handelt als de man met de verdorde hand (Matt. 12 : 13). Er was in hem niets, dat het hem mogelijk maakte, wat Christus hem zei: Strek Uw hand uit". Maar toen Christus het hem beval, werd hem tegelijk de kracht gegeven om door het geloof te doen, wat hij nooit gekund had: zijn hand uitstrekken.
Hoe de mens daartoe geraakt? Wel, „doordat hem de absolute noodzakelijkheid van de belofte van het Evangelie in een werk van verootmoediging wordt ontdekt". „Een heilig God verschijnt aan de ziel en de onheilige ziel ziet deze heilige God en zij is bevreesd, beschaamd en vernederd". De Erskine's wijzen er dan op (nog steeds in dezelfde preek of serie preken), dat de zondaar in deze weg van verootmoediging het oordeel van God leert billijken, zelfs „al zou de Heere hem verdoemen en naar de hel zenden". Deze verootmoediging kan een christen (in deze mate) soms bijblijven „in de ganse koers van zijn Christendom, zowel na zijn eerste bekering als daarvoor". Zo wordt dan de mens uit zichzelf en al het zijne uitgejaagd en gaat hij niet alleen de noodzakelijkheid, maar ook de uitnemendheid van de belofte zien, van Christus en Zijn gerechtigheid. „De belofte wordt geopend en toegepast, waaruit het geloof geboren wordt". Christus openbaart Zich en „de zondaar neemt Zijn belofte hartelijk aan en past de grote en goede dingen, die beloofd zijn, op zichzelf toe met een zeker vertrouwen, dat de belofte aan hem vervuld zal worden, rustende op de getrouwheid, de macht en de genade van de Belover, naar de mate der bedeling van de geest des geloofs . . .; dan is de zondaar een kind der belofte". Als het gaat over de vraag, hoeveel overtuiging er nodig is om tot Christus te komen, kan men dat duidelijk maken met het beeld van het metaal; het moet zodanig gesmolten zijn, dat het in de vorm (Christus) gegoten kan worden (preek over Gen. 49 : 10).
Uit het bovenstaande maken we op, dat de gelovige wel met lege handen komt, maar dat het geloof niettemin geen leeg geloof is. Het omhelst Christus en is met Hem schatrijk. „In de Heere heb ik gerechtigheden en sterkte". De Heere is onze gerechtigheid. Het is een rechtvaardigend geloof. De volle lading van Christus' volbrachte werk komt erin mee, zodat de gelovige zich in de vierschaar van God om Christus' wil volkomen rechtvaardig en heilig weet. Deze rechtvaardiging door het geloof is „geen buitengewone oefening of werkzaamheid van het geloof; maar er is in iedere daad des geloofs een zekere mate daarvan, wanneer gij met vrijmoedigheid toegaat tot de troon der genade . . ." Even verderop in dezelfde preek (over Ezech. 36 : 25) wijst Ralph Erskine erop, dat de gelovige voortdurend nieuwe bemoediging en vertroosting nodig heeft. Al is de ware gelovige volkomen gerechtvaardigd, om daarvan verzekerd te zijn, heeft hij telkens een nieuwe toepassing nodig. Het geloof is geen leeg geloof, 't Is waar. Toch krijgt de gelovige in de werken der Erskine's nooit de gelegenheid om te gaan rusten in wat gepasseerd is zonder meer. Het geloof is hier een rusteloze activiteit, een door en door levende zaak. En waarom? Omdat de zondaar niet ophoudt zonde te doen en . . . omdat Christus een onuitputtelijke bron is.
Het gevoel
„Het ware geloof wordt niet ras verzadigd; het moet na de éne kus van de Zoon Gods, een andere hebben . . ." zo lezen we in de preek over Gal. 2 : 20. Dat betekent echter niet, dat geloven hetzelfde is als gevoelen. De Erskine's maken onderscheid tussen deze twee, zoals ook ten onzent gedaan is b.v. door Comri in zijn verhandeling over de Heidelbergse catechismus. Zondag 7. Comri sluit zich hier aan bij de „Engelsen" en spreekt over de verzekerheid des geloofs en de verzekerheid des gevoels. Enerzijds is het geloof meer dan een verstandelijk aanvaarden van Gods belofte. Een belofte kan onder het lezen of overdenken alleen aan het verstand voorkomen en alleen een „blote daad van de memorie" zijn. Nochtans kan dit leiden tot een levendige oefening, waar de gelovige ook naar zal hebben te staan. Anderzijds echter moet de gelovige ervoor waken, dat hij niet enkel drijft op zijn gevoel. Het gevoel, de kracht, waarmee het Woord van God in zijn hart komt, is niet de grond van zijn geloof, het is er de vrucht van. Voor het geloof is Christus genadig tegenwoordig, niet altijd ook gevoelig. De verzekering van het gevoel wordt genoemd de wederkerende daad des geloofs, en volgt op de verzekering van het geloof. „O, ongelovige gelovigen" roept Ralph Erskine zijn hoorders toe in een preek over Gen. 28 : 15, „zult gij met Thomas nooit geloven, totdat gij gevoelt? De grond van Uw geloof is Gods belofte en niet Uw gevoelen". Al zegt de gelovige soms: mijn hoop is vergaan, is er niet toch nog een verborgen hoop, bewijs van Gods tegenwoordigheid? En „is er zelfs niet, wanneer gij allerongevoeligst zijt, nog een verborgen wens in Uw hart, dat het met U wezen mocht als in de dagen van ouds en als in de vorige maanden?”
Het geloof is derhalve uit het gehoor en niet uit het gevoelen; en dus „komt het geloven in Christus uit het zien of aanschouwen van Hem in het Woord en niet uit Hem eerst te gevoelen in het hart . ." „Niet Christus, sprekende in het hart, maar Christus, sprekende in het Woord, is de grond van en het recht tot het geloof" (preek over Gal. 2 : 20). Als we dit alles lezen, worden we er weer aan herinnerd, hoe zuiver de Erskine's zijn gebleven in hun prediking van Christus en het geloof. We zijn er tegelijk van overtuigd, dat zij door deze dingen zo te stellen de aangevochten en bestreden mensen pastoraal zeer hebben geholpen en, door de relatie met het voorwerp des geloofs constant te benadrukken, de weg hebben gebaand voor de diepste indrukken van de genade Gods (ook op een gevoelige wijze) in de harten of zó als het onder ons nogal eens gezegd wordt: Als Christus komt, brengt Hij alles mee". Christus zoeken in eigen hart, het is de Levende zoeken bij de doden. Hij is niet hier . . . ! In een toespraak na het heilig avondmaal, aan het slot van een preek over de gelukkige ure (Joh. 5 : 25) zegt Ralph Erskine: Hij is niet altijd de sterkste gelovige, die de meeste gevoelige tegenwoordigheid geniet; het zwakke geloof kan die ondersteuningen nodig hebben, terwijl het sterkste geloof staan kan zonder een staf en wandelen zonder die ondersteuningen . . . zij staan het vastste, die door het geloof op de belofte des levens staan, die zij in Christus Jezus hebben, zelfs dan, wanneer zij een gevoelige tegenwoordigheid in zichzelf missen . . . Velen denken, dat zij niet leven, tenzij ze gevoelige blijdschap en vertroosting hebben; doch zo dat al hun leven is, ach, wat een kort voorbijgaand leven is dat! Maar zij, die door het geloof leven, die leven op de volheid der genade en des levens, die zij in Christus hebben en op Zijn Woord, hetwelk blijft in der eeuwigheid".
Zo gaat dan het geloof altijd gepaard met zekerheid, mits men daaronder niet verstaat een verzekering van het gevoel. In dit opzicht weet Erskine zich van harte verbonden met de Reformatoren. Het zou bijzonder vruchtbaar zijn, als deze dingen ook onder ons helderder en krachtiger leefden. Er heerst op dit punt zoveel verwarring. Er is soms zoveel donkerheid in het geestelijke leven, die er niet behoorde te zijn. In de kracht van dit verzekerde geloof moge de gemeente, die naar Christus' Naam genoemd is, meer en meer haar Leven zoeken. Dat zou aan de vervulling van haar roeping in de wereld stellig ten goede komen!
Ik wil eindigen door nog een enkele opmerking te maken over de uitverkiezing. Gelet op het voorgaande, verstaan we nu ook, dat de Erskine's niet vanuit de uitverkiezing hebben gepreekt in die zin, dat de beloften slechts aan de verkorenen worden aangeboden. De verkiezing functioneert in deze preken als een trooststuk bij uitnemendheid. Het geloof begint niet te geloven in het uitverkoren-zijn. Het mag erin eindigen. Maar de gelovige vraagt het zich immers wel vaak af, of hij wel uitverkoren is? Erskine zegt: Het Woord zegt, dat Christus gekomen is om zondaren zalig te maken . . . 't Is waar, het ongeloof maakt deze tegenwerping, zeggende „Heeft Hij ze dan allen liefgehad? Is Hij voor hen allen gestorven? Heeft Hij ze allen uitverkoren? Mogelijk zijt gij nooit afgezonderd om deel te hebben aan deze liefde". „Weg, zegt het geloof, met deze nodeloze disputen van de satan en van het ongeloof; mijn leven en zaligheid is in gevaar en ik mag geen tijd verliezen. Laten die, welken geen Zaligmaker nodig hebben zich ophouden om deze zaken met de satan en hun ongelovig hart te betwisten; maar ik heb voor deze Zaligmaker een tegenwoordig gebruik, voor mijn tegenwoordige en toekomende zaligheid en ik zie, dat Hij gekomen is om zondaren zalig te maken en ik ben een zondaar. Hij heeft rebellen liefgehad en heeft ook gaven genomen om de wederhorigen bij Hem te doen wonen en zulk één ben ik. Hij heeft vijanden liefgehad en ik ben een vijand . . ." (preek Gal. 2 : 20).
Uit de aard der zaak zou er aan de hand van deze en andere citaten uit de werken der Erskine's nog veel meer te zeggen zijn over de aangeroerde onderwerpen. Ik meen echter, dat de lezer, voorzover hij dit nog niet heeft gedaan, door het bovenstaande genoeg materiaal voor zich heeft gekregen om met belangstelling (en ik hoop ook met heilbegeerte) de preken van deze mannen zelf ter hand te nemen. Daarmee is dan in ieder geval één van de wezenlijkste bedoelingen met deze artikelenserie bereikt. Een gevoel van eigen kleinheid blijft ook de dienaar des Woords over, als hij deze preken leest. Wat waren deze mannen rijk begaafd, vooral met genade, met geloofskracht. Deze troost rest ons tenslotte, dat de God, en Zaligmaker, door de Erskine's gepredikt, nooit veroudert. Gisteren en heden Dezelfde , en tot in alle eeuwigheid. Zo zouden hun werken nog meer vrucht dragen dan zij zelf tijdens hun leven (helaas) hebben mogen zien.
Z. C. d. B.
Literatuur:
1. Korte levensschets van Ralph en Ebenezer Erskine (uitgave Romijn en van der Hoff, Gorinchem.
2. Christelijke Encyclopedie, onder R. en E. Erskine en onder Secession Church (prof. dr. S. v.d. Linde). Van de daar genoemde litteratuur noem ik alleen:
3. The Life and Diary of the Rev. Ralph Erskine, ed. Donald Fraser, 1834; idem van Ebenezer Erskine, 1831 Uit deze beide werken aanhalingen in het onder 1 genoemde boekje.
4. J. H. S. Burleigh: A Church-history of Scotland, Oxford 1960.
5. Toelichting op de schetsen kerkgeschiedenis, uitgave van de Ver. Geref. Jong. bond, 1935.
6. H. Bavinck: Gereformeerde Dogmatiek, onder Erskine's, neonomianisme secession, enz.
7. H. Bavinck: Bloemlezing uit de werken der Erskine's, 1904.
8. In het Nederlands bestaan verschillende uitgaven van de werken der Erskine's.
In het bovenstaande is gebruik gemaakt van een vertaling van J. Ross, Nijkerk, I. J. Malga, 1859, enz.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's